Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 06.03.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, Twaalfde kamer
Zitting : 6 maart 2009
VONNIS
inzake :
BVBA E. Y., ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer … en met ondernemingsnummer …, maatschappelijke zetel te …, ….
- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. W., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings-en inkomstenfiscaliteit, Sector BTW, BTW-ontvangkantoor Tienen, met burelen gevestigd te 3300 Tienen, Goossensvest 3.
- verweerster, ter zitting vertegenwoordigd door meester M. C., advocaat te …, ….
Rol nr. : 04/2440/A
Inzake :
BVBA E. Y., ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer … en met ondernemingsnummer …, maatschappelijke zetel te …, ….
- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. W., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings-en inkomstenfiscaliteit, Sector BTW, BTW-ontvangkantoor Tienen, met burelen gevestigd te 3300 Tienen, Goossensvest 3.
- verweerster, ter zitting vertegenwoordigd door meester M. C., advocaat te …, ….
__________
Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoek, dat op tegenspraak op 20 maart 2002 ter griffie neergelegd;
- de dagvaarding op 28 oktober 2004 betekend door P. D., gerechtsdeurwaarder te Leuven;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 5 december 2008. De zaak werd in voortzetting gezet op de zitting van 2 januari 2009 waarop de zaak in beraad werd genomen.
II De feiten
Eiseres is BTW-belastingplichtige met als activiteit het verzorgen van uitvaartplechtigheden en uitgeverij van handelsdrukwerk.
Naar aanleiding van een controle van de activiteit over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 werd op 10 december 2001 proces-verbaal opgesteld.
Hierin wordt vastgesteld dat eiseres, indien gewenst, een globaal pakket aanbiedt. Alle geleverde prestaties worden opgenomen op één factuur.
De BTW wordt aangerekend op de volgende prestaties :
- prestaties van de begrafenisondernemer;
- levering van lijkkist;
- levering van bloemen;
- verzorgen van drukwerk.
Er wordt geen BTW aangerekend op de volgende prestaties :
- diensten van het crematorium;
- erediensten;
- huur van de zaal waar de rouwmaaltijd wordt aangeboden;
- prijs van de rouwmaaltijd;
- postzegels.
De zaakvoerder verklaarde dat deze diensten waarop geen BTW wordt aangerekend aan de erfgenamen tegen kostprijs geleverd worden. De kosten met betrekking tot deze prestaties worden niet in de boekhouding opgenomen. Voor de meeste prestaties is er ook een-factuur van aankoop, er wordt geen BTW in aftrek gebracht. Er wordt een farde aangelegd met alle bewijsstukken. De erfgenamen ontvangen wel een gedetailleerde afrekening. De factuur vermeldt enkel per rubriek het totaalbedrag.
De eerstaanwezend inspecteur die de controle uitvoerde berekende de BTW verschuldigd op :
- de door eiseres aangerekende bedragen voor het ronddragen van rouwbrieven;
- de door eiseres aangerekende bedragen voor postzegels;
- kosten van rouwmaaltijden en ter beschikking stellen van een zaal.
Tevens werd de BTW verworpen die eiseres in aftrek had genomen op aangekochte kleding.
Op 12 december 2001 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 13 december 2001 uitvoerbaar werd verklaard, voor … BEF (thans … euro) BTW en … BEF (thans … euro) boete, te vermeerderen met intrest vanaf 21 januari 2000.
IIl De vorderingen
Eiseres vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn.
In ondergeschikte orde vraagt zij dat de rechtbank de boete zou verminderen en de intresten zou vrijstellen.
Tevens vordert eiseres dat de rechtbank haar, indien de rechtbank er zou aan twijfelen dat zij reeds sinds 1974 dezelfde aanvaarde werkwijze hanteert, zou toelaten haar bundel aan te vullen met de door de rechtbank hieromtrent noodzakelijk geachte onderdelen van haar boekhouding uit eerder gecontroleerde aanslagjaren of hiertoe een deskundige zou aanstellen.
IV Beoordeling
1. Het voorwerp van de vordering is in beide zaken hetzelfde. Voor een goede rechtsbedeling behoort het de beide zaken samen te voegen.
2. Eiseres beroept zich op artikel 28, 5° BTW-wetboek en de Administratieve Beslissing E.T. 18.588 d.d. 30 april 1976.
3. Artikel 28, 5° BTW-wetboek bepaalt :
Tot de maatstaf van heffing behoren niet :
5° de sommen voorgeschoten door de leverancier of de dienstverrichter voor uitgaven die hij ten name en voor rekening van zijn medecontractant heeft gedaan.
De beslissing E.T. 18.588 d.d. 30 april 1976 bepaalt :
De door een begrafenisondernemer aan zijn opdrachtgevers afzonderlijk en voor het juiste bedrag in rekening gebrachte sommen voor gebruik van de rouwkapel in een ziekenhuis, voor de godsdienstige plechtigheden bij de begrafenis of voor de missen die nadien gecelebreerd worden, voor postzegels, voor rechten en vergoedingen betaald aan het gemeentebestuur voor het vervoer van het stoffelijk overschot, voor het bekomen van overlijdensakten, voor een concessie op de begraafplaats, enz., dienen te worden aangemerkt als voorschotten als bedoeld in artikel 28, 5° van het BTW-Wetboek, zelfs wanneer voor die handelingen facturen, nota's of kwitanties worden uitgereikt uitsluitend op naam van de begrafenisondernemer.
Bovengenoemde bedragen behoren bijgevolg niet tot de maatstaf van heffing waarover de BTW wordt berekend die verschuldigd is wegens de door de begrafenisondernemer verrichte diensten.
4. Deze regeling kan enkel van toepassing zijn indien de begrafenisondernemer aan de erfgenamen enkel het bedrag factureert dat hij zelf aan de derde, die de prestatie verricht heeft of het goed geleverd heeft, betaald heeft.
Dit vereist dat de begrafenisondernemer in het bezit is van een afrekening door deze derde opgemaakt waaruit blijkt welke kosten deze derde heeft aangerekend. Alleen wanneer de begrafenisondernemer in het bezit is van deugdelijke en controleerbare bewijsstukken met betrekking tot de door hem betaalde kosten kan nagegaan worden of de begrafenisondernemer enkel deze kosten, en niets meer heeft doorgefactureerd aan de erfgenamen.
5. Met betrekking tot de kosten voor het ronddragen van de rouwbrieven stelt het proces-verbaal vast dat deze door degene die de prestaties geleverd heeft niet aan de begrafenisondernemer (en ook niet aan diens klanten) gefactureerd werden. Eiseres kon geen stukken voorleggen met betrekking tot deze prestaties.
De administratie verkeert in die omstandigheden in de onmogelijkheid om na te gaan of enkel het bedrag dat aan de derde betaald werd, aan de klant gefactureerd werd. Zij heeft terecht de vrijstelling geweigerd.
6. Ook voor de postzegels stelt het proces-verbaal vast dat eiseres niet kan aantonen dat zij enkel het bedrag aan haar klanten heeft gefactureerd dat zij zelf voor de postzegels betaalde. De administratie heeft terecht de vrijstelling geweigerd.
7. Hetzelfde geldt voor de rouwmaaltijden, waar eiseres zelf in haar conclusie schrijft dat het betalingen betreft aan de meest diverse derden die zij in haar dagdagelijkse beroepspraktijk tegenkomt, maar die zij niet bij naam kent.
Ook hier stelt het proces-verbaal duidelijk vast dat eiseres niet in het bezit is van afrekeningen van derden waaruit blijkt welke bedragen zij aan deze derden betaalde en dat zij deze bedragen, en niets meer, aan haar klanten doorfactureerde.
8. Volledigheidshalve kan daaraan worden toegevoegd dat, wat de koffiemaaltijden betreft, men zich de vraag kan stellen of dit nog wel valt onder kosten die voor naam en voor rekening van de klanten aan een derde betaald worden.
Wanneer de begrafenisondernemer de ganse koffiemaaltijd verzorgt (hij betaalt alle geleverde waren en alle personen die de koffiemaaltijd verzorgen en desgevallend ook nog de huur van de zaal) kan men niet meer spreken van kosten die voorgeschoten worden in de zin van artikel 28, 5° BTW-wetboek.
9. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen (artikel 45, § 1, 1° BTW-wetboek). Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit (artikel 1, § 2, Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969).
BTW geheven op kleding die ook in het privé-leven kan gebruikt worden komt niet voor aftrek in aanmerking.
10. Eiseres beroept zich op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voert aan dat de administratie bij verschillende controles nooit enige opmerking gemaakt heeft over haar manier van werken.
11. De zesde BTW-Richtlijn, geïnterpreteerd in het licht van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, verzet zich tegen de a posteriori heffing van de BTW wanneer een informatie van de belastingadministratie een gewettigd vertrouwen in de niet-belastbaarheid van een handeling heeft doen ontstaan in hoofde van de belastingplichtige (H.v.J. nr. 0-181/04, C-182104, C-183104, 14 september 2006 (Elmeka), http://curia.europa.eu; J.L.M.a2007, afl. 31, 1292, noot VAN BRUSTEM, E., VAN BRUSTEM, M; R. G. C.F. 2007, afl. 6, 465, noot VAN BRUSTEM, E., VAN BRUSTEM, M; T.F.R. 2006, afl. 311, 944).
Er kan slechts sprake zijn van een gewettigd vertrouwen in hoofde van de belastingplichtige indien deze te goeder trouw de mening kon zijn toegedaan dat zijn handelwijze in overeenstemming met de wet was. De handelwijze van de administratie moet bij een normaal, voorzichtige en redelijke belastingplichtige het vertrouwen gewekt hebben dat hij handelde in overeenstemming met de wet.
12. De personen die de rouwbrieven ronddragen of meehelpen bij de rouwmaaltijden kunnen eventueel onder de toepassing van de BTW-wetgeving en de wetgeving op de inkomstenbelastingen vallen.
Eiseres heeft het verzamelen van de "bewijsstukken" met betrekking tot deze activiteiten doelbewust zo georganiseerd dat de fiscale administratie de identiteit van deze personen niet kan kennen, en derhalve in de onmogelijkheid verkeert om na te gaan of deze personen inbreuken op de fiscale wetgeving hebben gepleegd.
Naar aanleiding van de controle verklaarde de zaakvoerder van eiseres trouwens "Ik kan de identiteit van de genieters niet bekend maken… ik ben er mij van bewust dat ik hiermee overtredingen van de fiscale en sociale wetgeving mogelijk maak ... " (proces- verbaal d.d. 27 maart 2001, stuk 4 dossier verweerster).
Een normaal, voorzichtige en redelijke belastingplichtige kan niet te goeder trouw de mening zijn toegedaan dat het bijhouden van wettelijk vereiste bewijsstukken, op zo'n manier dat fiscale en sociale fraude mogelijk wordt gemaakt en iedere controle hierop door de bevoegde diensten onmogelijk is, in overeenstemming met de wet zou zijn.
Zelfs al zou de BTW-administratie in het verleden bij controles nooit enige opmerking gemaakt hebben over de manier van werken van eiseres, dan nog kan dit bij haar geen gewettigd vertrouwen gewekt hebben dat de door haar bijgehouden bewijsmiddelen volstonden om aan haar klanten te factureren met vrijstelling van BTW.
13. Verweerster heeft op een bedrag van … BEF (thans … euro) BTW een boete van 200 % opgelegd met de motivering dat geen vermindering van de krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek verschuldigde boete kan toegepast worden ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken en dat eiseres de identiteit van de dragers van de rouwbrieven weigert mee te delen.
De rechtbank is van oordeel dat deze boete niet in verhouding staat met de begane inbreuk en kan herleid worden tot 50 % van de verschuldigde BTW. Deze boete wordt herleid tot … euro.
14. In bijzondere gevallen mag de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde intresten of voor een deel ervan (artikel 84bis BTW-wetboek).
De belastingplichtige heeft geen subjectief recht te worden vrijgesteld van zijn wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen.
De bevoegdheid om vrijstelling van nalatigheidsintresten toe te kennen komt enkel toe aan de gewestelijke directeur.
De rechtbank mag zich niet in de plaats van de gewestelijke directeur stellen en in zijn plaats de gevraagde vrijstelling toestaan. De rechtbank kan enkel nagaan of de beslissing van de gewestelijke directeur in overeenstemming met de wet genomen werd en deze desgevallend vernietigen.
Eiseres heeft geen vraag tot vrijstelling van nalatigheidsintresten gericht tot de gewestelijke directeur. De rechtbank is zonder rechtsmacht om over deze vraag te oordelen.
Beschikkend gedeelte
V Uitspraak
Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.
De rechtbank voegt de zaken met rolnummers 02/561/A en 04124401A samen.
De rechtbank is zonder rechtsmacht om de gevraagde vrijstelling van nalatigheidsintresten toe te staan.
De vordering is voor het overige ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.
De boete van … BEF, thans … euro, (proces-verbaal van 10 december 2001, 10de blad, derde alinea), wordt herleid tot … euro.
De vordering is voor het overige ongegrond.
De rechtbank veroordeelt eiseres tot drie vierde en verweerster tot één vierde van de kosten. Deze kosten worden voor eiseres begroot op … euro dagvaarding + … euro (rechtsplegingsvergoeding) en voor verweerster op … euro (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de 12de kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op 6 maart 2009, waar zetelden :
- de heer L. W., alleenzetelend rechter
- mevrouw E. V. D. G., griffier.
E. V. D. G. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.