Kwijtschelding of vermindering btw-boete, evenredigheidsbeginsel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 10 juni 2025

Zoeken

Kwijtschelding of vermindering btw-boete, evenredigheidsbeginsel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/kwijtschelding-vermindering-btw-boete-hof-van-beroep-antwerpen-2025-06-10-58d1

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
10 juni 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

64 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 10.06.2025

WF 711-15-21/061217 - Finaliti 54627642/01

[ Gunstig arrest ]

Trefwoorden

Belasting over de toegevoegde waarde – kwijtschelding of vermindering btw-boete – evenredigheidsbeginsel

Wettelijke bepalingen

Art. 70, §1 WBTW

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Voor het tweede kwartaal van 2020 werden door verweerster in hoger beroep twee aangiften ingediend die voorzagen in een btw-tegoed. Het btw-tegoed werd ingehouden ter controle. De controle kon echter niet worden uitgevoerd omdat door verweerster in hoger beroep, in weerwil van herhaalde verzoeken daartoe, geen stukken werden voorgelegd die het recht op aftrek in toepassing van artikel 45 WBTW verantwoordden. Voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 werd een proces-verbaal opgesteld en betekend op 17 juni 2021. De betwisting betreft de btw-navordering die middels het innings- en invorderingsregister werd opgemaakt op 2 augustus 2021 en uitvoerbaar werd verklaard op 5 augustus 2021 ten bedrage van 745.500 EUR aan btw, meer een boete van 1.491.000 EUR en nalatigheidsinteresten.

Verweerster in hoger beroep vorderde in eerste aanleg om de opgelegde boete kwijt te schelden dan wel te verminderen, en in ondergeschikte orde haar het voordeel van uitstel te verlenen voor de geldboete gedurende een termijn van drie jaar. De eerste rechter verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond en verminderde de boete tot 500.000 EUR. Volgens de eerste rechter werd de boete wettig opgelegd, doch volgens de eerste rechter is deze boete in het concrete geval onevenredig met de aard en de ernst van de inbreuk.

Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat (eiser in hoger beroep) hoger beroep aangetekend.

2. Het arrest in hoger beroep

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 WBTW een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede lid KB nr. 41).

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200% in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door verweerster in hoger beroep gepleegde inbreuken waarbij de aftrek van btw werd geclaimd voor een aanzienlijk bedrag, zonder dat door verweerster in hoger beroep, alhoewel zij hiertoe bij herhaling om werd verzocht, de nodige stukken en gedetailleerde inlichtingen desbetreffend werden voorgelegd om de btw-aftrek te rechtvaardigen. Aldus heeft verweerster in hoger beroep een fictief btw-tegoed gecreëerd, wat als zodanig niet door haar wordt betwist.

Verweerster in hoger beroep voert in deze geen verweer en motiveert niet waarom de boete van 200% in haren hoofde onredelijk zou zijn. Er worden geen stukken voorgelegd waaruit zou blijken dat de boete een buitensporige last zou vormen. Ook in eerste aanleg blijken geen stukken te zijn voorgelegd. Enkel de omvang maakt de boete dan ook niet buitensporig. Dat tevens nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn, doet daaraan geen afbreuk. Dat niet eerder de btw-wetgeving zou zijn overtreden, wat het hof niet op objectieve en controleerbare wijze kan vaststellen, maakt de opgelegde boete geenszins onevenredig met de aard en de ernst van de inbreuk.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 200% kwijt te schelden dan wel te verminderen, evenmin om deze met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en hervormt het vonnis van de eerste rechter.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest hof van beroep Antwerpen dd. 10.06.2025

2023/AR/515

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL - DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 postbus 106,

Eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. B. B., advocaat te …

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 16 februari 2023, gekend onder rolnummer 21/1576/A

tegen

X. By, ON …, failliet verklaard bij vonnis van de ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Tongeren van 18 april 2023, met laatste zetel te …,

Verweerder in hoger beroep, niet verschenen ter zitting van 13 mei 2025 noch iemand voor haar

Hebbende als curatoren mrs N.C. en N.C., kantoorhoudende te … (ref.: Faill. …)


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 16 februari 2023, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 27 maart 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de B.T.W.-navordering middels het innings- en invorderingsregister met artikel 500243061966, opgemaakt op 2 augustus 2021 en uitvoerbaar verklaard op 5 augustus 2021, ingevolge waarvan een bedrag van 745.500 EUR als B.T.W. verschuldigd is meer een boete van 1.491.000 EUR en nalatigheidsintresten.

Voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 werd een proces-verbaal opgesteld en betekend op 17 juni 2021. Er was vastgesteld dat voor het tweede kwartaal van 2020 twee aangiften werden ingediend die beide voorzagen in een B.T.W.-tegoed van 1.329,44 EUR enerzijds en van 745.290 EUR anderzijds. Het B.T.W.-tegoed was ingehouden ter controle. Deze controle kon evenwel niet worden uitgevoerd omdat door verweerster in hoger beroep, in weerwil van de herhaalde verzoeken daartoe, geen stukken werden voorgelegd die het recht op aftrek in toepassing van artikel 45 W.B.T.W. verantwoordden.

Het uittreksel uit het innings- en invorderingsregister werd op 5 augustus 2021 aan verweerster in hoger beroep toegezonden.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 17 september 2021 vorderde verweerster in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, in hoofdorde te zeggen voor recht dat de boete die werd opgelegd conform artikel 70, §1bis W.B.T.W. wordt kwijtgescholden dan wel gevoelig wordt verminderd, ondergeschikt te zeggen voor recht dat het voordeel van uitstel wordt verleend voor de geldboete en dit gedurende een termijn van drie jaar en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en deels gegrond ais volgt en verminderde de aan verweerster in hoger beroep opgelegde boete van 1.491.000 EUR tot 500.000 EUR. De eerste rechter verklaarde de vordering voor het overige ongegrond en veroordeelde verweerster in hoger beroep tot de kosten van de procedure, begroot en vereffend op 0 EUR.

De eerste rechter oordeelde dat de boete wettig werd opgelegd, doch dat deze in dit concrete geval onevenredig is met de aard en de ernst van de inbreuk. Het gaat weliswaar om handelingen die werden gesteld met het opzet de belasting te ontduiken en er werd getracht om een zeer groot bedrag onrechtmatig te bekomen. Aldus de eerste rechter, leidt de boete van 200% echter tot een zeer groot bedrag van 1.491.000 EUR dat een buitensporige last vormt voor verweerster in hoger beroep. Bovendien blijkt niet dat zij eerder de B.T.W.-wetgeving heeft overtreden. De eerste rechter herleidde de boete tot 500.000 EUR. Er blijkt voorts niet dat er een reden is om uitstel te verlenen indien de wet in die maatregel had voorzien.

Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 27 maart 2023, hoger beroep ingesteld.

2.De vorderingen en standpunten in hoger beroep.

2.1. Eiser in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en te horen intrekken en te hervormen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, derhalve het vonnis van de eerste rechter te hervormen in de mate dat de wettelijke boete ten belope van 1.490.000 EUR wordt behouden, akte te verlenen aan eiser in hoger beroep van het geformuleerde voorbehoud de vorderingen nog uit te breiden en verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op 15.697,67 EUR en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 24 EUR.

2.2. Verweerster in hoger beroep verschijnt niet, noch iemand voor haar en stelt geen vordering in hoger beroep.

3.Bespreking.

Nu verweerster in hoger beroep niet verschijnt, noch iemand voor haar, wordt de zaak in toepassing van artikel 747 Ger.W. behandeld, zoals gevorderd door eiser in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat de Belgische Staat vordert de wettelijke boete te behouden 'ten belope van 1.490.000 EUR', waar een boete van 1.491.000 EUR werd opgelegd. Gelet op de vordering tot 'behoud' van de boete en tot de ongegrondverklaring van de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep, dient de vordering in hoger beroep dan ook nuttig te worden gelezen in die zin dat de Belgische Staat vordert om de wettelijke boete ten belope van 1.491.000 EUR te behouden.

De Belgische Staat erkent dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen de evenredigheid van de opgelegde boete mag toetsen in het kader van een wettigheidscontrole, ook wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding bij de administratie heeft ingediend op grond van artikel 9 van het Regentbesluit (Cass. 23 september 2023, F.20.0112.N). De Belgische Staat is het echter niet eens met de eerste rechter dat de boete in dit concrete geval onevenredig is met de aard en de ernst van de inbreuk.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41).

Verweerster in hoger beroep voert geen verweer voor het hof. Het hof stelt bovendien vast dat verweerster in hoger beroep in eerste aanleg niet betwistte dat er sprake was van het oogmerk de belasting te ontduiken en dat terecht een boete van 200% werd opgelegd. Verweerster in hoger beroep betwistte enkel de evenredigheid van deze boete. Er werd om kwijtschelding dan wel vermindering van de boete verzocht, minstens om deze met uitstel op te leggen.

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200 % in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door verweerster in hoger beroep gepleegde inbreuken waarbij de aftrek van B.T.W. werd geclaimd voor een aanzienlijk bedrag, zonder dat door verweerster in hoger beroep, alhoewel zij hiertoe bij herhaling om werd verzocht, de nodige stukken en gedetailleerde inlichtingen desbetreffend werden voorgelegd om de B.T.W.-aftrek te rechtvaardigen. Aldus heeft verweerster in hoger beroep een fictief B.T.W.-tegoed gecreëerd, wat als zodanig niet door haar wordt betwist.

Verweerster in hoger beroep voert in deze geen verweer en motiveert aldus niet waarom de boete van 200% in haren hoofde onredelijk zou zijn. Er worden geen stukken voorgelegd waaruit zou blijken dat de boete een buitensporige last zou vormen. Ook in eerste aanleg blijken ter zake geen stukken te zijn voorgelegd. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van het ten onrechte gecreëerde, fictieve B.T.W.-tegoed voor een bedrag van 745.500 EUR. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de B.T.W. waarvoor ten onrechte de aftrek werd geclaimd. Enkel de omvang maakt deze dan ook niet buitensporig. Dat tevens nalatigheidsintresten verschuldigd zijn, kan daaraan geen afbreuk doen. Dat niet eerder de B.T.W.-wetgeving zou zijn overtreden, wat het hof niet op objectieve en controleerbare wijze kan vaststellen, maakt de opgelegde boete geenszins onevenredig met de aard en ernst van de inbreuk.

Het hof ziet in deze evenmin redenen om een uitstel te verlenen van tenuitvoerlegging van de boete. Dat geen eerdere overtredingen zouden zijn begaan, kan het hof, zoals gezegd, niet vaststellen. Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 200% kwijt te schelden dan wel te verminderen, evenmin om deze met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.


Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is ontvankelijk en gegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt hervormd.

Eiser in hoger beroep begroot de kosten van het geding op 15.697,67 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 24 EUR in hoger beroep. Het hof legt de kosten van het geding, aldus begroot, ten laste van verweerster in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

4. Bespreking.

Beschikkend gedeelte

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak en met toepassing van art. 747 §4 Ger.W. ten aanzien van verweerster in hoger beroep.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk en gegrond en hervormt het vonnis van de eerste rechter. Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof veroordeelt verweerster in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van eiser in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 15.697,67 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 24 EUR in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 10 juni 2025 door

E. D. Raadsman

E. C. Griffier

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 711-15-21/061217 - Finaliti 54627642/01

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 703 voorkomens
KB nr. 41 art. 12 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8