Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 06.10.1997
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLUKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
Inzake AR NR. 95/1326/A
L. NV, met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. V., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het Eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt. wiens burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. V. M., advocaat te …, …,
VOLGT HET VONNIS :
Bij geregistreerd exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … d.d. 14.6.1995 tekende eiseres verzet aan tegen de verdere uitvoering van een dwangbevel dat haar op 24.5.1995 werd betekend. Hierbij vorderde verweerder de betaling van 2.234.803 fr. BTW en 4.469.000 fr. geldboete meer de intresten en de kosten.
Standpunt van eiseres
1. Zij was er onwetend over dat de door haar aan een firma in Luxemburg verkochte wagens in werkelijkheid België niet verlieten zodat zij meent terecht aanspraak te maken op vrij stelling van BTW zoals voorzien voor intracommunautaire leveringen.
2. De gevorderde geldboete kan niet worden toegekend of dient in ieder geval te worden verminderd.
Beoordeling
1. De vordering van BTW :
Terzake deed eiseres toepassing van art. 39 bis, 1° van het BTW-Wetboek en verkocht onderhavige wagens met vrijstelling van BTW.
Dit is slechts toegelaten wanneer de verkoper voldoet aan de voorwaarden gesteld in het KB nr. 52 van 29.12.1992, namelijk hij dient te bewijzen dat de goederen bestemd waren voor het buitenland doch binnen de gemeenschap, dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor wat betreft de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat en verder dient hij steeds in het bezit te zijn van de stukken waaruit de verzending of het vervoer van de goederen blijkt zoals de contracten, de bestelbons, de vervoersdocumenten en de betalingsbewijzen.
Er dient te worden vastgesteld dat eiseres betreffende onderhavige 26 verkopen aan dezelfde firma in Luxemburg geen stukken neerlegde. Ter beoordeling kan er derhalve enkel rekening worden gehouden met de door verweerder neergelegde stukken dewelke gevonden werden bij eiseres.
Deze hebben betrekking op slechts twee verkopen en een vrachtbrief betreffende het vervoer van drie wagens naar Namen. Deze volstaan uiteraard niet om eiseres toe te laten te. besluiten alsof het gevraagde bewijs door haar geleverd werd.
Voornoemde vrachtbrief werd ondertekend door de afzender en dit is eiseres zodat deze moest weten dat kwestieuze wagens vervoerd werden naar Namen en niet naar Luxemburg.
Krachtens art. 15 en 16 van het BTW-Wetboek wordt de levering geacht plaats te vinden op het tijdstip van de aanvang van het vervoer, in casu is dit België, zodat conform art. 2 de BTW alsdan verschuldigd is.
Nu eiseres niet aantoont dat het om intracommunautaire leveringen ging -hetgeen in se trouwens niet betwist wordt- kan zij geen aanspraak maken op vrijstelling van BTW en is deze dan ook verschuldigd.
Dat eiseres terzake te goeder trouw handelde, en onwetend was over de bestemming der verkochte wagens kan op zijn minst betwijfeld worden.
In de gegeven omstandigheden kan het argument van eiseres dat zij als verkoper “opdraaien” voor hetgeen haar koper deed dan ook niet weerhouden worden en is het overbodig desbetreffende de door eiseres voorgestelde prejudiciële vraag te stellen.
Dat het terzake om een nieuwe wetgeving gaat is niet dienend ter beoordeling.
Wanneer een belastingplichtige meent aanspraak te kunnen maken op vrijstelling van BTW heeft hij steeds, ook voor de nieuwe wet, moeten aantonen dat de daartoe vereiste voorwaarden vervuld waren.
De gevorderde BTW is dan ook verschuldigd.
2. De e:evorderde geldboete conform art. 70 van het BTW-Wetboek
Eiseres houdt voor dat deze boete een penaal karakter heeft en dit volgens het intern en Europees recht. Hieruit maakt hij vijf gevolgtrekkingen om de gevorderde geldboete te betwisten.
Zo genoemd karakter niet zou worden aangenomen beroept eiseres zich op art.6 van het E.V.R.M. en stelt dat het de rechtbanken, rekening houdend met de goede trouw van de belastingplichtige, toegelaten is de gevorderde geldboeten te verminderen.
Samengevat steunt eiseres zich op het feit dat de gevorderde geldboete van 200 % van de verschuldigde BTW geen vergoedend karakter heeft voor de Staat en zodanig zwaar is voor de belastingplichtige dat het als een straf moet weerhouden worden.
Deze argumentatie werd reeds herhaaldelijk voorgelegd aan deze rechtbank doch steeds verworpen hierbij aansluitend met de rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Hof van Beroep van Antwerpen (zie onder andere Arr. H.v.B. Antwerpen, 20° kamer, van 8.2.1993 inzake B./Belgische Staat, onuitgegeven, waarin op dit punt verwezen wordt naar een Arrest van het Hof van Cassatie van 27.9.1991, R.W. 91-92, p. 708) waarbij het penaal karakter van onderhavige fiscale boeten en het ingeroepen art. 6 van het E.V.R.M. als terzake niet toepasselijk wordt afgewezen.
Dit standpunt werd nogmaals bevestigd door het Hof van Cassatie van 15.1.1995.
De zeer uitgebreide en lovenswaardige argumentatie van eiseres om haar standpunt te verdedigen kan de rechtbank niet overtuigen om af te wijken van haar gevestigde rechtspraak dat het haar in verband met de door verweerder opgelegde geldboete conform art. 70 van het BTW-Wetboek enkel toegelaten is de werkelijkheid van de overtredingen en de wettelijkheid van de gevorderde boete te beoordelen doch niet bevoegd is om de opportuniteit ervan te onderzoeken of kwijtschelding of vermindering ervan te verlenen en dat gezien deze geldboete geen strafrechtelijk karakter vertoont er geen schending is van art. 6 E.V.R.M..
De rechtbank wil best aannemen dat de gevorderde geldboete zeer zwaar is en zijn invloed zal hebben op het vermogen van eiseres. Anderzijds is het zo dat eiseres de fiscale wetgeving overtrad en derhalve op dat ogenblik wist of diende te weten welke daarvan de bij de wet voorziene gevolgen voor haar zouden zijn.
Aldus werden alle argumenten van eiseres verworpen en hoeft er niet verder te worden gestatueerd over de gevolgtrekkingen dewelke eiseres meent te mogen maken ingevolge het penaal karakter van de gevorderde geldboete dewelke dan ook verschuldigd is.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart het verzet ontvankelijk doch ongegrond.
Verwijst eiseres tot de kosten van het geding, deze begroot in haren hoofde op de som van 14.660 fr. (2.360 fr. dagvaardingskosten, 12.300 fr. rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op 12.300 fr. rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 6 OKTOBER 1997, alwaar zetelden :
De Heer R. S., Ondervoorzitter,
De Heer R. D., Griffier.
R. D. R. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.