Instituut van de accountants en de belastingconsulenten, Publiekrechtelijke beroepsvereniging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.08.0603.F 19 maart 2010

Zoeken

Instituut van de accountants en de belastingconsulenten, Publiekrechtelijke beroepsvereniging

https://juriel.be/nl/rechtspraak/instituut-accountants-belastingconsulenten-publiekrechtelijke-cassatie-brussel-2010-03-19-9477

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.08.0603.F
Datum
19 maart 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

80 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 19.03.2010 (C.08.0603.F)

Instituut van de accountants en de belastingconsulenten - Publiekrechtelijke beroepsvereniging - Openbare instelling - Beroepsgeheim

Wettelijke bepalingen

Art. 93bis, CTVA

Samenvatting

Een publiekrechtelijke beroepsvereniging, zoals het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten is weliswaar onafhankelijk, maar moet voor de toepassing van artikel 93bis B.T.W.-wetboek dat geheimhouding oplegt, beschouwd worden als een openbare instelling.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 19.03.2010

(C.08.0603.F)

B. P., Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

B.I.A.B.C., Mr. P.V.O., advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing, op 16 september 2008 gewezen door de commissie van beroep bij het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 73octies, 85, 85bis en 93bis, inzonderheid, eerste, tweede en vierde lid, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;

- artikel 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

- de artikelen 22 en 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;

- artikel 458 van het Strafwetboek;

- de artikelen 2, 3, 8, 9, 10, 11 en 54 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;

- de artikelen 3, 5, § 2, en 7 van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten;

- artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

De bestreden beslissing die de beroepen uitspraak wijzigt, zegt voor recht dat de tegen de eiser ingestelde tuchtvordering om de onderstaande redenen ontvankelijk is:

"Krachtens artikel 3 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen heeft (de verweerder) als opdracht toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid (...); (de verweerder) ziet er eveneens op toe dat de aan zijn leden toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd; (...) daaruit volgt dat de wettelijke opdracht (van de verweerder), naast de organisatie van het beroep van accountant en belastingconsulent, betrekking heeft op het toezicht en dat de verweerder, in het raam daarvan, erop toeziet dat de leden hun beroep uitoefenen in overeenstemming met de wettelijke en verordende bepalingen, met de normen en aanbevelingen (van de verweerder), met inachtneming van de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die ten grondslag liggen aan het beroep, en van onafhankelijkheid; (...) om (de verweerder) de mogelijkheid te bieden zijn toezichtsopdracht uit te oefenen, bepaalt artikel 5, § 2, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (...);de mogelijkheid dat elke belanghebbende een klacht kan indienen jegens een lid (van de verweerder) is voor de raad (van de verweerder) een van de manieren om inlichtingen te ontvangen op grond waarvan hij kan beslissen de tuchtprocedure in te stellen (...); het aan de minister van Financiën voorbehouden klachtrecht wordt uitdrukkelijk beperkt tot de activiteiten van de belastingconsulent die krachtens de artikel 38 (...) van de wet van 22 april 1999 erin bestaan advies te verstrekken in alle belastingaangelegenheden, belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en belastingplichtigen te vertegenwoordigen; (...) hoewel artikel 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op ondubbelzinnige wijze het beginsel huldigt van het beroepsgeheim dat de ambtenaren van de belastingadministratie moeten naleven, vermeldt het tweede lid van dat artikel (...); (...) om de onderstaande redenen beantwoordt de mededeling van 4 juli 2005 van de federale overheidsdienst Financiën btw-ontvangkantoor Namen (aan de verweerder) aan de voorwaarden van artikel 93bis, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde":

"1° (de verweerder) houdt uitdrukkelijk staande dat hij deel uitmaakt van de ‘openbare instellingen' waaraan inlichtingen kunnen worden medegedeeld door de ambtenaren van de belastingadministratie en met name van de btw-diensten. (...) De raad (van de verweerder) beklemtoont terecht de overeenstemming van de definitie van ‘openbare instellingen' in de artikelen 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, die dezelfde criteria hanteren (...). Daaruit volgt dat, indien (de verweerder) opgenomen is in de lijst van de in artikel 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde openbare instellingen, daaruit noodzakelijkerwijs volgt dat (de verweerder) moet worden beschouwd als een ‘openbare instelling'' in de zin van artikel 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (...). Wanneer artikel 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermeldt wat moet worden verstaan onder openbare instellingen of inrichtingen, namelijk ‘de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een Gemeenschap of een Gewest mede beheert, waaraan de Staat, (...) een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een Gemeenschap of een Gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale Regering of een Gemeenschaps- of Gewestregering, op haar voordracht of met haar goedkeuring', dan is het duidelijk dat (de verweerder) die voorwaarden vervult aangezien hij onder het toezicht valt van de Hoge Raad voor de economische beroepen die bestaat uit zeven door de Koning benoemde leden en tot taak heeft, onder meer via het verstrekken van adviezen of aanbevelingen aan de regering, ertoe bij te dragen dat bij de uitoefening van de opdrachten die de wet aan de bedrijfsrevisoren en de accountants toevertrouwt en bij de verrichtingen van de accountant en de belastingconsulent het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer in acht worden genomen en die moet worden geraadpleegd:

a) voor elk koninklijk besluit dat moet worden genomen ter uitvoering van de wet van 22 april 1999 of de wetten betreffende de beroepen van bedrijfsrevisor en accountant ;

b) over elke beslissing met een algemene draagwijdte (...) betreffende de technische en deontologische normen en aanbevelingen voor de uitoefening van de functie als accountant en belastingconsulent door de raad (van de verweerder) die niet kan afwijken van dat advies

- indien het advies betrekking heeft op een aangelegenheid die betrekking heeft op meer dan één beroep of hoedanigheid;

- indien het advies betrekking heeft op een aangelegenheid die slechts op één beroep of hoedanigheid betrekking heeft, tenzij dit uitdrukkelijk met redenen omkleed wordt;

2° indien (de verweerder) geen openbare instelling is in de zin van (die) bepalingen, dan nog zou de raad rechtsgeldig de inlichtingen van de belastingadministratie ontvangen, aangezien artikel 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt dat de mededeling van inlichtingen toegestaan is wanneer zij gericht is tot de parketten en de griffies van de hoven, van de rechtbanken en van alle rechtsmachten; (...) de jurisdictionele aard van de tuchtorganen van de (verweerder) kan niet meer worden betwist; (...) immers:

a) op de vraag om de juridische aard van de tuchtorganen te bepalen moeten ze beschouwd worden als administratieve organen of als jurisdictionele instellingen -, werd geantwoord: "Uit het feit dat de wet de tuchtgerechten heeft opgericht of erkend als zelfstandige organen die uitspraak moeten doen na een debat op tegenspraak, met eerbiediging van het recht van verdediging en bij een met redenen omklede beslissing die aan opeenvolgende instanties kan worden voorgelegd, kan worden afgeleid dat die beslissingen van jurisdictionele aard zijn en gezag van gewijsde hebben binnen de perken van de door de wetgever aan die gerechten toegekende bevoegdheid' (J. du Jardin, emeritus procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, rede van 1 september 2000, J.T., 30 september, p 625 e.v., ‘Rechtspraak in tuchtzaken door de beroepsorden: toetsing van de wettelijkheid door het Hof van Cassatie.', en aangehaalde auteurs, p. 631, nr. 87); (...) de beroepsregels hebben een juridisch tintje gekregen net zoals het toezicht door de orde; tucht werd plichtenleer; gedragsregels werden codes (ibidem, p. 627 en arrest Arbitragehof, 7 december 1999, nr.° 129/99), daaruit valt af te leiden dat de tuchtorganen (van de verweerder) een jurisdictioneel karakter hebben en dat, mutatis mutandis, de raad (van de verweerder), die als enige gemachtigd is om een klacht te ontvangen en ze te seponeren of verwijzen naar de tuchtraad, als ‘parket' optreedt bij (de verweerder); (...) het is niet zonder belang erop te wijzen dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut der bedrijfsrevisoren, werd vermeld dat de raad van dat instituut, (waaraan) (...) later (opdrachten) zullen worden toevertrouwd vergelijkbaar zijn met die van de raad (van de verweerder), optreedt‘als procureur des Konings', wat ook kan worden afgeleid uit de bewoordingen van artikel 5, § 2, van de wet van 22 april 1999 (...), dat vermeldt: ‘De Raad onderzoekt de klacht' en, naar gelang van het onderzoek van de bezwaren, ‘verklaart hij dat er geen reden is tot vervolging' of ‘verwijst hij die persoon naar de tuchtcommissie';

b) de inlichting van het btw-ontvangkantoor, met de handtekening van zijn hoofdinspectrice, was noodzakelijk om de raad (van de verweerder) in staat te stellen (de verweerder) de wettelijke opdracht uit te voeren waarmee hij belast is in het kader van zijn toezichtsopdracht, zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (...); dat geldt ook om, in voorkomend geval, om het lid waarop de inlichting betrekking heeft, te kunnen verwijzen naar het tuchtorgaan (artikel 5, § 2, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht) als blijkt dat dat lid (van de verweerder):

1° in de uitoefening van zijn opdrachten als accountant en belastingconsulent, tekort gekomen is aan zijn beroepsverplichtingen;

2° de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen, heeft geschonden;

3° de rechten van de Schatkist manifest schendt of misbruik maakt van de fiscale procedures bij de uitoefening van de activiteiten bedoeld in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen".

Grieven

De artikelen 85 en 85bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepalen de opdrachten die toegewezen zijn aan de ambtenaren van de btw-administratie een belastingplichtige de belasting niet betaalt; artikel 85bis preciseert dat de met de invordering belaste ambtenaar ten laste van die belastingplichtige alle derdenbeslagen mag leggen; daardoor neemt die ambtenaar kennis van de inlichtingen betreffende de belastingplichtige of derden.

Krachtens artikel 93bis, eerste lid, van dat wetboek is degene "die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, (...) buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft".

Het beroepsgeheim van de ambtenaren van de btw-administratie, en meer bepaald van die belast zijn met de invordering van de niet-betaalde belastingen, is strikt, slaat op alle inlichtingen of feiten waarvan zij bij of wegens de uitoefening van hun opdrachten kennis gehad kunnen hebben, en is van openbare orde; de schending ervan worden trouwens strafrechtelijk gestraft ingevolge de artikelen 73octies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 458 van het Strafwetboek.

Daaruit volgt dat er geen enkel rechtsgevolg kan worden verleend aan enige handeling die verricht is ten gevolge van of wegens de schending van het bij artikel 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ingestelde beroepgeheim en, inzonderheid, geen enkele vervolging, met name een tuchtvervolging, rechtsgeldig kan worden ingesteld als zij haar oorsprong zou vinden in een handeling die dat geheim schendt.

Artikel 93bis, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt weliswaar: "de ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, aan de administraties van de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, aan de parketten en de griffies van de hoven, van de rechtbanken en van alle rechtsmachten, en aan de openbare instellingen of organismen inlichtingen verstrekken. De inlichtingen worden aan de bovengenoemde diensten verstrekt voor zover zij nodig zijn om de uitvoering van hun wettelijke of bestuursrechtelijke taken te verzekeren. Dit verstrekken van inlichtingen moet gebeuren met inachtneming van de bepalingen van de ter zake door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering".

Aangezien dat het beroepsgeheim van de ambtenaren van de btw-administratie absoluut is en slaat op elk feit of enige inlichting waarvan hij kennis heeft in het kader van de uitvoering van een van zijn opdrachten, zijn alle afwijkingen, en meer bepaald die waarin artikel 93bis, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet, noodzakelijkerwijs uitzonderlijk en slechts voor een strikt beperkende uitlegging vatbaar zijn.

Eerste onderdeel

Een ambtenaar van de btw-administratie mag alleen inlichtingen doorgeven aan, onder meer, een openbare instelling of inrichting. Dat begrip wordt heel nauwkeurig, en eveneens beperkend, omschreven in artikel 93bis, vierde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat luidt als volgt: "onder openbare instellingen of inrichtingen dienen verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of met haar goedkeuring".

Artikel 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verschilt niet van artikel 93bis, vierde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat er de letterlijke weergave is; geen van beide teksten bevat een "lijst" van aldus bedoelde instellingen en inrichtingen.

Noch uit artikel 2 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, naar luidt waarvan "er (...) een Instituut van de accountants en de belastingconsulenten, hierna het Instituut genoemd, (wordt) opgericht, dat rechtspersoonlijkheid heeft", noch uit artikel 3 van die wet, luidens hetwelk "het Instituut (...) als opdracht heeft toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Het Instituut ziet er eveneens op toe dat de aan zijn leden (...) toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd" evenmin als uit artikel 5, § 1, dat preciseert dat "het (...) Instituut het tableau vast(stelt) van de leden", valt af te leiden dat de verweerder een openbare instelling of inrichting zou zijn in de zin van de artikelen 93bis, vierde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Noch de Staat noch enige andere openbare overheid delen in het bestuur van de verweerder, verstrekken hem een waarborg of hebben inspraak in de aanwijzing van zijn leidinggevend personeel; in dat verband preciseert artikel 10 van de wet van 22 april 1999 immers dat "de leiding van het Instituut wordt verzekerd door de Raad", waarvan alle leden voor drie jaar worden aangesteld door de algemene vergadering van het Instituut die samengesteld is uit alle op het tableau van de Orde (lees: het Instituut) ingeschreven leden.

Alleen maar uit de omstandigheden dat de Hoge Raad voor de economische beroepen bevoegd is om in bepaalde aangelegenheden adviezen en aanbevelingen te verstrekken en dat de leden ervan door de Staat worden aangewezen, kan niet naar recht worden afgeleid dat het Instituut, uit het oogpunt van de beperkende teksten van de artikelen 93bis, vierde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, een openbare instelling of inrichting zou zijn in de zin van die bepalingen, omdat het aldus onder het toezicht zou vallen van de Staat of van de overheid.

De artikelen 7, § 1, tweede lid, en 54 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen beperken zich immers ertoe respectievelijk te bepalen: "(het stagereglement en het deontologisch reglement (...), alsook de nodige reglementen om de werking van het Instituut (...) te verzekeren (...) worden vastgesteld (...) na advies van de Hoge Raad bedoeld bij artikel 54" en:

"§ 1. Er wordt een ‘Hoge Raad voor de economische beroepen' opgericht (...). De Hoge Raad heeft tot taak via het verstrekken, op eigen initiatief of op verzoek, van adviezen of aanbevelingen aan de regering, aan (de verweerder) (...), ertoe bij te dragen dat bij de uitoefening van de opdrachten die de wet aan (...) accountants toevertrouwt en bij de verrichtingen van de accountant, de belastingconsulent (...) het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer in acht worden genomen. (...)

De Hoge Raad moet worden geraadpleegd voor elk koninklijk besluit dat moet worden genomen ter uitvoering van deze wet of de wetten betreffende de beroepen van bedrijfsrevisor, accountant (...). De Koning moet elke afwijking van een eensluidend advies van de Hoge Raad, uitdrukkelijk met redenen omkleden.

Bovendien moet de Hoge Raad worden geraadpleegd over elke beslissing met een algemene draagwijdte die door de Raad van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten moet worden genomen in toepassing van artikel 27 (welk artikel enkel vermeldt: "de Raad legt de technische en deontologische normen en aanbevelingen vast voor de uitoefening van de betrokken functie') (...). De Raad van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten (...) (kan) niet afwijken van een advies dat door de meerderheid van de leden van de Hoge Raad is goedgekeurd, indien het advies betrekking heeft op een aangelegenheid die betrekking heeft op meer dan één beroep of hoedanigheid. De betrokken Raad kan slechts afwijken van adviezen over een aangelegenheid die slechts op één beroep of hoedanigheid betrekking heeft, als dit uitdrukkelijk met redenen omkleed wordt.

De Hoge Raad moet de hem gevraagde adviezen binnen drie maanden uitbrengen. Zo niet wordt hij geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.

§ 2. De Hoge Raad organiseert permanent overleg met (de verweerder) (...).

§ 3. De Hoge Raad kan bij de tuchtcommissie van de respectieve Instituten klacht neerleggen tegen, naar gelang van het geval, een of neer accountants, (...), belastingconsulenten (...).

§ 4. De Hoge Raad bestaat uit zeven leden benoemd door de Koning. Vier onder hen, van wie één de kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigt, worden voorgedragen (...)".

Uit geen enkele van die bepalingen blijkt dat de Hoge Raad voor de economische beroepen, ook al worden de leden ervan door de Staat benoemd, op de verweerder enige toezichtsbevoegdheid zou uitoefenen, op algemene wijze m.b.t zijn wettelijke bevoegdheden en de uitoefening ervan, de tucht van zijn leden, aangezien het louter verstrekken van adviezen (ook al zouden ze bindend zijn) of van aanbevelingen (die helemaal niet beslissend zijn) in geen geval impliceert dat "de Staat", via die instelling, op de activiteiten van de verweerder, en meer bepaald op die welke betrekking hebben op de individuele tucht van zijn leden, zijn organisatie, zijn financiering, zijn beheer in ruime zin en op het corporatistisch beleid dat het wil voeren, enig toezicht, laat staan enig gezag, hoe gering ook, zou uitoefenen.

Hieruit volgt dat het arrest, door te beslissen dat de verweerder een instelling, inrichting of dienst vormde waarvan de Staat, via de Hoge Raad voor de economische beroepen, het medebeheer uitoefent of op wiens activiteiten hij toezicht uitoefent in de zin van de artikelen 93bis, inzonderheid tweede en vierde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zodanig dat de ambtenaar van de btw-administratie, zonder zijn beroepsgeheim te schenden, aan de raad van de verweerder de feiten mocht melden die hij de eiser ten laste legde, en dat op die grond tegen laatstgenoemde ingestelde tuchtvervolging ontvankelijk was, niet naar recht verantwoord is en de artikelen 73octies en 93bis, eerste, tweede en vierde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 329 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, 458 van het Strafwetboek, 2, 3, 54 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen en 6 van het Burgerlijk Wetboek schendt.

(...)

III BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 93bis, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde oefenen de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, die door het eerste lid van dat artikel verplicht worden, buiten het uitoefenen van hun ambt, tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan zij wegens de uitvoering van hun opdracht kennis hebben, hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, aan openbare instellingen of organismen inlichtingen verstrekken.

Luidens artikel 93bis, vierde lid, van dat wetboek moet onder openbare instellingen of inrichtingen worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat mede beheert, waaraan de Staat een waarborg verstrekt, op welker bedrijvigheid de Staat toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel aangewezen wordt door de regering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.

Uit die bewoordingen en uit de parlementaire voorbereiding van die artikelen volgt dat de wetgever, teneinde niet alleen de belastingfraude maar ook de inbreuken op niet-fiscale wetten of reglementen te bestrijden, het begrip "openbare inrichting" in een ruime zin heeft opgevat.

Een publiekrechtelijke beroepsvereniging die, zoals het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten, door de wet is opgericht, burgerlijke rechtspersoonlijkheid heeft en wiens openbaredienstopdracht erin bestaat een beroep te organiseren en het toezicht erop uit te oefenen door de toegang tot het beroep te regelen, door regels van plichtenleer op te stellen, door toe te zien op de naleving van die regels en door de tucht uit te oefenen, is weliswaar onafhankelijk, maar moet voor de toepassing van artikel 93bis van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde beschouwd worden als een openbare inrichting.

Het middel, dat van het tegenovergestelde uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 93bis18 voorkomens
WBTW art. 851 voorkomen
WBTW art. 85bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8