Vraag om inlichtingen, Niet-proportionele geldboeten -Non bis in idem · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 31 maart 2026

Zoeken

Vraag om inlichtingen, Niet-proportionele geldboeten -Non bis in idem

https://juriel.be/nl/rechtspraak/inlichtingen-proportionele-geldboeten-non-bis-hof-van-beroep-gent-2026-03-31-db25

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
31 maart 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

241 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 31.03.2026 - 2024/AR/1612 - 2024/AR/1613

WF 708-15-22/057666 en 708-15-22/057694

Finaliti 55178594/01 en 55179373/01

[ ongunstig arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Vraag om inlichtingen – Niet-proportionele geldboeten –Non bis in idem

Wettelijke bepalingen

Artikelen 62, §1 en 70, §4 WBTW

Artikel 3 van het KB nr. 44 en afdeling 4, rubriek IV van de bijlage bij het KB nr. 44

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Eiser in hoger beroep was als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van schrijnwerk.

Naar aanleiding van een stopzettingscontrole inzake btw heeft de administratie op 4 oktober 2013 een vraag om inlichtingen per brief verzonden naar eiser in hoger beroep. Daarin verzocht zij om een aantal documenten betreffende de jaren 2010 en 2011 te bezorgen.

Aangezien eiser in hoger beroep niet gereageerd heeft werd dezelfde vraag om inlichtingen vervolgens nog driemaal verzonden, telkens per aangetekende zending en per gewone post.

Ingevolge het niet beantwoorden heeft de administratie drie niet-proportionele geldboeten opgelegd, namelijk 1.000 EUR wegens een eerste overtreding, 2.000 EUR voor de tweede overtreding en 5.000 EUR voor de derde overtreding.

Aangezien eiser in hoger beroep hier niet mee akkoord ging, heeft hij fiscaal verhaal ingesteld bij de rechtbank.

De eerste rechter heeft de vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat eiser in hoger beroep niet gereageerd heeft op drie afzonderlijke vragen om inlichtingen. Aangezien dit drie afzonderlijke overtredingen betreffen werd voor elke overtreding terecht een boete opgelegd. Het feit dat de vragen om inlichtingen inhoudelijk hetzelfde waren is volgens de rechtbank niet relevant.

Eiser in hoger beroep stelde tegen dit vonnis hoger beroep in.

2. Het arrest in hoger beroep

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvoor hij is vrijgesproken.

Het staat vast dat de geldboete van 1.000 EUR, die eiser in hoger beroep opgelegd kreeg, inmiddels definitief geworden is.

Om te beoordelen of er sprake is van een en hetzelfde strafbare feit, is vereist dat het gaat om identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van hetzelfde materiële feit of eenzelfde gedrag over eenzelfde tijdsperiode. Opdat het verbod toepassing kan vinden, moet er sprake zijn van een geheel van concrete feitelijke omstandigheden betreffende eenzelfde persoon, die onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, en waarvan het bestaan constitutief is voor de betrokken overtreding (vgl. onder meer EHRM 10 februari 2009, Zolotukhin v. Rusland, nr. 14939/03, r.o. 82 e.v. en EHRM 14 januari 2020, Bashin en Chekunov v. Rusland, nr. 44015/07, r.o.56).

Volgens het hof blijkt onmiskenbaar dat de verschillende geldboetes in wezen dezelfde feiten tot voorwerp hebben, met name het niet overmaken door eiser in hoger beroep van de gevraagde inlichtingen betreffende diens boekhouding inzake het afsluiten van zijn economische activiteit eind 2011. Aangezien er in wezen sprake is van één globaal verzuim vanwege de belastingplichtige verbiedt het non bis in idem-beginsel dat er meer dan één bestraffing wordt opgelegd.

Het hof besluit dat de geldboeten van 2.000 EUR en van 5.000 EUR niet kunnen behouden blijven.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest hof van beroep te Gent dd. 31/03/2026 - 2024/AR/1612

2024/AR/1612 - In de zaak van:

J.V., RRN ...,

wonende te ... ..., ...,

appellant,

hebbende als raadsman mr. JAECQUES Didier, advocaat te 8200 BRUGGE, Lieven Bauwensstraat 16

tegen

BELGISCHE STAAT, ON ...,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge 763, met kantoor te 8200 BRUGGE, Koning Albert I- laan 1/5 bus 3, de administratie van de inning en invordering vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Invordering-Ontvanger Team NP Oostende, met kantoor te 8400 OOSTENDE, Vrij havenstraat 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta en mr. BRICOUT Tine, beiden advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 29 oktober 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 17 juni 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/2619/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 27 januari 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De appellant was tot 30 september 2011 geregistreerd als btw-plichtige voor een activiteit van schrijnwerk. Tijdens de openbare terechtzitting kaderde de raadsman van de appellant het einde van die handelsactiviteit in een moeilijke echtscheiding, waarna de appellant aan lager wal raakte en een tijd onbereikbaar in het buitenland verbleef.

Op 4 oktober 2013 richtte de btw-administratie een vraag om inlichtingen aan de appellant. Daarin verzocht zij om een aantal stukken betreffende de jaren 2010 en 2011, met name een kopie van de exploitatierekeningen, de overeenstemming van de boekhoudkundige omzet met de btw-aangiften, een detail van de investeringen betreffende de jaren 2002-2011, een detail van de eindstock op datum van stopzetting, een overzicht van eventuele onttrekkingen of herzieningen bij stopzetting en, in voorkomend geval, het overlatingscontract.

Bij aangetekend schrijven en gewone brief van 20 januari 2014 bracht de administratie haar vraag om inlichtingen bij de appellant in herinnering. Daarbij wees zij erop dat bij gebreke van reactie een geldboete tot 5.000,00 EUR per overtreding kon worden opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW.

Ook op dat schrijven reageerde de appellant niet.

Het bovenstaande werd opgetekend in een proces-verbaal van 2 april 2014, waarbij aan de appellant een geldboete van 1.000,00 EUR werd opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW en het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 8 april 2014 en op 30 november 2018 werd aan de appellant dienaangaande een betaalbericht gericht.

2.2. In een proces-verbaal van 7 mei 2014 werd de inhoud van het proces-verbaal van 2 april 2014 hernomen en werd bijkomend gesteld dat bij aangetekend schrijven en gewone brief van 8 april 2014 dezelfde inlichtingen nogmaals tevergeefs waren opgevraagd. Bij gebrek aan reactie vanwege de appellant werd nu een geldboete van 2.000,00 EUR opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW en het Koninklijk besluit nr. 44.

Op 8 juli 2014 en 30 november 2018 werd aan de appellant dienaangaande een saldobericht ten bedrage van 1.775,00 EUR gericht.

2.3. In een proces-verbaal van 20 juni 2014 werd de inhoud van het proces-verbaal van 7 mei 2014 hernomen en werd bijkomend gesteld dat bij aangetekend schrijven en gewone brief van 7 mei 2014 dezelfde inlichtingen nogmaals tevergeefs waren opgevraagd bij de appellant. Gelet op de afwezigheid van reactie vanwege de appellant werd een geldboete van 5.000,00 EUR opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW en het Koninklijk besluit nr. 44.

Op 8 juli 2014 en 30 november 2018 werd aan de appellant een saldobericht betreffende de betaling van 5.000,00 EUR gericht, met verwijzing naar een schuldnummer ....

2.4. Op 4 augustus 2020 werd een innings- en invorderingsbericht aan de appellant gericht met verzoek tot betaling van de schuld met schuldnummer ..., ten bedrage van 5.000,00 EUR vermeerderd met nalatigheidsinteresten. Op 8 september 2020 werd aan de appellant een dwangbevel betekend, met verzoek tot betaling van diezelfde schuld, meer interesten en kosten.

Bij verzoekschrift ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 16 september 2022 kwam de appellant op tegen die laatste schuld. In het vonnis van 17 juni 2024 heeft de tiende kamer van deze rechtbank als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze

hem ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

3. De vorderingen van de partiien

3.1. De vorderingyan de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens:

Het bestreden vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

De oorspronkelijke vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het dwangbevel betekend aan concluant op 8 september 2020 op verzoek van het Team

Invordering Oostende, het innings- en invorderingsbericht btw van 4 augustus 2020

uitgevaardigd door Team Invordering Oostende, en het betaalbericht van 30 november

2018 verstuurd door Team Invordering Oostende, nietig en/of ongegrond te verklaren, en te zeggen voor recht dat de administratieve boete van 5.000,- euro met artikelnummer ... niet verschuldigd is.

Ondergeschikt de administratieve boete kwijt te schelden, minstens te matigen.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen, in hoofde van concluant als volgt begroot:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 975,- euro

bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,- euro

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.020,35- euro

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,- euro

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen en de bestreden aanslag te bevestigen. Appellant tot de kosten van het geding te veroordelen, in graad van hoger beroep begroot op 1020,35 euro rechtsplegingsvergoeding.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat, in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwisting en de beoordeling ervan

4.1. Op grond van artikel 62, §1 WBTW in de versie zoals hier van toepassing, is eenieder gehouden, op ieder verzoek van de bevoegde btw-ambtenaren, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.

Krachtens artikel 70, §4 WBTW worden de niet in artikel 70, §§1 tot 3 bedoelde overtredingen van het WBTW of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding, waarbij het bedrag van deze geldboete naar gelang de aard en de ernst van de overtreding bepaald wordt volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

De in artikel 70, §4 WBTW bedoelde schalen zijn opgenomen n het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en zijn bijlage. In afdeling 4.IV van de bijlage worden, in geval van niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in artikel 62 WBTW, de volgende bedragen bepaald:

— 1ste overtreding: 1000 EUR

— 2de overtreding: 2000 EUR

volgende overtredingen: 5000 EUR

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 44 wordt, voor de bepaling van het bedrag van de toe te passen geldboete, rekening gehouden met dezelfde overtredingen die werden begaan gedurende een periode van vier jaren die voorafgaat aan het tijdstip waarop de overtreding wordt begaan. De overtredingen worden aangemerkt als eerste overtreding indien dezelfde overtredingen niet werden bestraft voorafgaand aan de datum waarop deze werden begaan.

4.2. De appellant verzet zich middels de huidige procedure tegen de geldboete van 5.000,00 EUR, die is gekend onder schuldnummer ....

In een eerste middel voert de appellant aan dat de geïntimeerde de grondslag van zijn vordering niet afdoende bewijst, omdat zijn invorderingsdossier onvolledig is en de originele stukken die de vordering gesteld in het betaalbericht van 30 november 2018 en het innings-en invorderingsbericht van 4 augustus 2020 schragen, aanvankelijk (dit is in 2022) niet meer teruggevonden werden. De appellant wijst er onder meer op dat geen bewijs voorligt van de betekening van de processen-verbaal van 2 april, 7 mei en 20 juni 2014 aan de appellant.

De appellant kan in zijn stelling niet gevolgd worden. Er is geen reden om te twijfelen aan de bewijswaarde van de stukken die de geïntimeerde voorlegt (zijn stukken 1 tot en met 11). Niettegenstaande de administratie initieel liet weten niet meer te beschikken over een papieren en/of digitaal kopie van het proces-verbaal van 20 juni 2014 ingevolge een samenvoeging en verhuis van diensten, heeft zij naderhand alsnog een kopie van dit proces­verbaal ter beschikking kunnen stellen van de appellant, samen met verschillende andere stukken (de stukken 1 tot en met 11 van de geïntimeerde). Het geheel is een logisch opgebouwd dossier met tal van kruisverwijzingen die tot de juistheid ervan doen besluiten. De bijgebrachte processen-verbaal van 2 april, 7 mei en 20 juni 2014 bevatten de handtekening van de betrokken belastingambtenaar, waarvan de echtheid door de appellant niet in twijfel getrokken wordt.

Gelet op de toepassing van artikel 59 WBTW zijn de feitelijke vaststellingen die in de betrokken processen-verbaal werden gedaan door de bevoegde ambtenaar, bewezen, nu de appellant het tegendeel ervan niet bewijst. Bijgevolg staat vast dat de bevoegde ambtenaar de appellant tot zevenmaal toe heeft aangeschreven (nl. op 4 oktober 2013, op 20 januari 2014, op 8 april 2014 en op 7 mei 2014, waarvan de laatste drie keer zowel bij aangetekend schrijven als bij gewone brief), met de vraag om de in het feitenrelaas opgesomde stukken over te maken binnen een welbepaalde, korte termijn. Ook staat vast dat de appellant nooit heeft gereageerd op die brieven.

Dat het proces-verbaal van 20 juni 2014 aan de appellant werd betekend op 20 juni 2014 kan aangenomen worden, nu naar deze betekening wordt gerefereerd in de betaalberichten van 8 juli 2014 en 30 november 2018 (stukken 10 en 11 van de geïntimeerde). Het ontbreken van de betekeningsakte zelf doet hieraan geen afbreuk, nu de raadsman van de appellant zelf bij e-mail van 27 januari 2022 aan de administratie liet weten dat de appellant de processen-verbaal "niet meer" in bezit had (stuk 4a van de appellant) en tijdens de openbare terechtzitting werd aangebracht dat de appellant na 2011 een moeilijke persoonlijke periode doormaakte en een tijd van de radar verdween en in het buitenland vertoefde. In die omstandigheden kan de appellant er niet mee volstaan te beweren dat hij geen kennis heeft gekregen van de stukken die de geïntimeerde voorlegt waaronder het proces-verbaal van 20 juni 2024 en die, zoals gezegd, deel uitmaken van een logisch en systematisch opgebouwd dossier. Het vermoeden dat de betrokken stukken op een correcte wijze aan de appellant ter kennis gebracht werden, wordt niet ontkracht.

Dit middel van de appellant wordt verworpen.

4.3. In een tweede middel voert de appellant aan dat de geïntimeerde met het opleggen van de geldboete van 5.000,00 EUR het non bis in idem beginsel geschonden heeft. Hij wijst erop dat de administratie op zeer korte termijn diverse sancties cumulatief heeft opgelegd op basis van één en dezelfde overtreding, met name het nalaten gevolg te geven aan steeds dezelfde vraag om inlichtingen.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvoor hij is vrijgesproken. Dat beginsel wordt eveneens gewaarborgd in de artikelen 14.7 IVBPR en 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol EVRM.

Tussen de partijen wordt terecht niet betwist dat de maatregelen in het geding sancties van strafrechtelijke aard zijn in de zin van de artikelen 14.7 IVBPR en 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol EVRM. De in artikel 70, §4 WBTW bedoelde fiscale geldboeten hebben immers tot doel de erin geviseerde inbreuken op het WBTW en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan door alle belastingplichtigen zonder onderscheid, te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben een overheersend repressief karakter (vgl. GWH 19 oktober 2023, arrest nr. 136/2023, r.o. B.9., via https://juportal.be). Het non bis in idem beginsel is derhalve van toepassing en verbiedt dat de sanctie bepaald bij artikel 70, §4 WBTW bij herhaling wordt opgelegd aan dezelfde persoon uit hoofde van dezelfde strafbare feiten.

Aan de appellant werden achtereenvolgens op grond van artikel 70, §4 WBTW verschillende sancties van strafrechtelijke aard opgelegd, met name geldboeten van 1.000,00 EUR, van 2.000,00 EUR en van 5.000,00 EUR.

Het is niet betwist dat de geldboete van 1.000,00 EUR die de appellant opgelegd kreeg, inmiddels definitief geworden is. Immers, de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft op 17 juni 2024 de vordering van de appellant waarmee hij opkwam tegen deze sanctie (rolnummer 22/2664/A) afgewezen en de appellant heeft tijdens de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 uitdrukkelijk bevestigd te berusten in dat vonnis en de betrokken geldboete te hebben betaald. Dat laatste werd door de geïntimeerde overigens niet bestreden.

De vraag is nu of de geldboete van 5.000,00 EUR een bestraffing inhoudt van hetzelfde strafbare feit waarvoor de appellant reeds definitief is bestraft middels de geldboete van 1.000,00 EUR.

Om te beoordelen of er sprake is van een en hetzelfde strafbare feit, is vereist dat het gaat om identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van hetzelfde materiële feit of eenzelfde gedrag over eenzelfde tijdsperiode. Opdat het verbod toepassing kan vinden, moet er sprake zijn van een geheel van concrete feitelijke omstandigheden betreffende eenzelfde persoon, die onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, en waarvan het bestaan constitutief is voor de betrokken overtreding (vgl. onder meer EHRM 10 februari 2009, Zolotukhin v. Rusland, nr. 14939/03, r.o. 82 e.v. en EHRM 14 januari 2020, Bashin en Chekunov v. Rusland, nr. 44015/07, r.o.56).

De eerste bestraffing (de geldboete van 1.000,00 EUR) liep de appellant op wegens het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen betreffende zijn boekhouding, die de btw-administratie hem op 4 oktober 2013 richtte, noch op de herinneringsbrief die hem op 20 januari 2014 zowel aangetekend als met de gewone post werd gericht en waarin dezelfde inlichtingen opnieuw werden opgevraagd. De bestrafte feiten worden ordentelijk omschreven in het proces-verbaal van 2 april 2014.

Een tweede bestraffing — de geldboete van 2.000,00 EUR, waarvan de beoordeling hier niet aan de orde is, maar wel in de zaak met rolnummer 2024/AR/1613 die ook vandaag door deze kamer van dit hof wordt beslecht — werd aan de appellant opgelegd wegens het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen betreffende zijn boekhouding, die de btw-administratie hem op 4 oktober 2013 richtte, noch op de herinneringsbrieven die hem op 20 januari 2014 en op 8 april 2014 zowel aangetekend als met de gewone post werden gericht en waarin telkens dezelfde inlichtingen opnieuw werden opgevraagd. De bestrafte feiten worden ordentelijk omschreven in het proces-verbaal van 7 mei 2014.

Een derde bestraffing — de geldboete van 5.000,00 EUR die het hof hier en nu beoordeelt — werd aan de appellant opgelegd wegens het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen betreffende zijn boekhouding, die de btw-administratie hem op 4 oktober 2013 richtte, noch op de herinneringsbrieven die hem op 20 januari 2014, op 8 april 2014 en op 7 mei 2014 zowel aangetekend als met de gewone post werden gericht en waarin telkens dezelfde inlichtingen opnieuw werden opgevraagd. De bestrafte feiten worden ordentelijk omschreven in het proces-verbaal van 20 juni 2014.

Uit de bovenstaande uiteenzetting blijkt onmiskenbaar dat de verschillende geldboetes in wezen dezelfde feiten tot voorwerp hebben, met name het niet overmaken door de appellant van de gevraagde inlichtingen betreffende diens boekhouding inzake het afsluiten van zijn economische activiteit eind 2011. Deze inlichtingen werden bij de appellant opgevraagd in het najaar van 2013 en op de herinneringsbrieven die hem toegestuurd werden tussen midden januari en begin mei 2014 reageerde hij niet. In wezen gaat het om eenzelfde vraag om inlichtingen die de appellant niet beantwoordde, ondanks verschillende

herinneringsbrieven.

Uit het relaas van de appellant — dat door de geïntimeerde niet wordt tegengesproken of ontkracht — blijkt dat hij in de betrokken periode van de radar verdween en een tijd in het buitenland vertoefde, waarmee hij erop doelt dat hij de achtereenvolgende brieven niet ontving en er daarom niet op reageerde. Dat het anders zou zijn, met name dat de appellant daadwerkelijk kennisnam van de verschillende aanmaningen van de btw-administratie en deze telkenmale doelbewust naast zich neerlegde, zelfs nadat hem (tot tweemaal toe) een aanzienlijke geldboete werd opgelegd, blijkt niet en wordt door de geïntimeerde niet aangevoerd of aannemelijk gemaakt. Dat er sprake is van verschillende van elkaar losstaande beslissingen in hoofde van de appellant, om een vraag om inlichtingen vanwege de geïntimeerde niet te beantwoorden, kan aldus niet vastgesteld worden.

In die algehele context is wat voorligt een onlosmakelijk geheel van feiten dat met elkaar verbonden is in tijd en ruimte, dat neerkomt op het verzuim om de gevraagde inlichtingen betreffende de boekhouding inzake het afsluiten van de economische activiteit eind 2011 te bezorgen. Dat artikel 62, §1 WBTW eenieder ertoe verplicht om op ieder verzoek van de btw-administratie de gevraagde inlichtingen te verschaffen en dat het KB nr. 44 voor het niet-naleven van de verplichting bedoeld in artikel 62 WBTW geldboetes bepaalt die stijgen naargelang het gaat om een eerste, tweede of volgende overtreding, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat er in wezen sprake is van één globaal verzuim vanwege de belastingplichtige. Het non bis in idem beginsel verbiedt dat daarvoor meer dan één bestraffing wordt opgelegd. Er anders over oordelen zou de rechtsbescherming die de appellant geniet op grond van dit beginsel doen verwateren tot een theoretisch gegeven.

De geldboete van 5.000,00 EUR gekend onder schuldnummer ... kan bijgevolg niet behouden blijven. De appellant is haar niet verschuldigd.

Gelet op dit oordeel moet de ondergeschikte vordering van de appellant niet ontmoet worden.

Het hoger beroep van de appellant is gegrond en het bestreden vonnis wordt hervormd.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de appellant van de beide instanties dragen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De vordering is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (17 juni 2024 voor de eerste aanleg en vandaag voor het hoger beroep). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf 2.500,00 EUR tot 5.000,00 EUR.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg gelijk aan 975,00 EUR en voor het hoger beroep gelijk aan 1.020,35 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De geïntimeerde is een rechtsplegingsvergoeding van 975,00 EUR verschuldigd aan de appellant voor de procedure in eerste aanleg en van 1.020,35 EUR voor de procedure in hoger beroep.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

het hoger beroep is ontvankelijk en in onderstaande mate gegrond;

het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond:

Verklaart het dwangbevel van 8 september 2020 betreffende de schuld met schuldnummer ... van onwaarde en zegt voor recht dat de appellant deze schuld niet verschuldigd is.

De geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van wat eventueel al teveel betaald werd, te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten;

het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 EUR

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 975,00 EUR

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.020,35 EUR

aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 31 maart 2026.

Aanwezig:

Sylvie Van Herreweghe, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend An Van Wijnsberge, griffier

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Volledige tekst:

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 31.03.2026 - 2024/AR/1613

2024/AR/1613 - In de zaak van:

J.V., RRN ...,

wonende te ... ..., ... ... ...,

appellant,

hebbende als raadsman mr. JAECQUES Didier, advocaat te 8200 BRUGGE, Lieven Bauwensstraat 16

tegen

BELGISCHE STAAT, ON ...,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Brugge 763, met kantoor te 8200 BRUGGE, Koning Albert I- laan 1/5 bus 3, de administratie van de inning en invordering vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Invordering-Ontvanger Team NP Oostende, met kantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DECORDIER Carmenta en mr. BRICOUT Tine, beiden advocaat te 9041 OOSTAKKER, Orchideestraat 61 bus A

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 29 oktober 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 17 juni 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/2665/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 27 januari 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

.... De relevante feiten en de voorafgaande procedure

....1. De appellant was tot 30 september 2011 geregistreerd als btw-plichtige voor een activiteit van schrijnwerk. Tijdens de openbare terechtzitting kaderde de raadsman van de appellant het einde van die handelsactiviteit in een moeilijke echtscheiding, waarna de appellant aan lager wal raakte en een tijd onbereikbaar in het buitenland verbleef.

Op 4 oktober 2013 richtte de btw-administratie een vraag om inlichtingen aan de appellant. Daarin verzocht zij om een aantal stukken betreffende de jaren 2010 en 2011, met name een kopie van de exploitatierekeningen, de overeenstemming van de boekhoudkundige omzet met de btw-aangiften, een detail van de investeringen betreffende de jaren 2002-2011, een detail van de eindstock op datum van stopzetting, een overzicht van eventuele onttrekkingen of herzieningen bij stopzetting en, in voorkomend geval, het overlatingscontract.

De appellant reageerde niet op deze vraag om inlichtingen.

Bij aangetekend schrijven en gewone brief van 20 januari 2014 bracht de administratie haar vraag om inlichtingen bij de appellant in herinnering. Daarbij wees zij erop dat bij gebreke van reactie een geldboete tot 5.000,00 EUR per overtreding kon worden opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW.

Ook op dat schrijven reageerde de appellant niet.

Het bovenstaande werd opgetekend in een proces-verbaal van ... april 2014, waarbij aan de appellant een geldboete van 1.000,00 EUR werd opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW en het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Op 8 april 2014 en op 30 november 2018 werd aan de appellant dienaangaande een betaalbericht gericht.

........ In een proces-verbaal van 7 mei 2014 werd de inhoud van het proces-verbaal van ... april 2014 hernomen en werd bijkomend gesteld dat bij aangetekend schrijven en gewone brief van 8 april 2014 dezelfde inlichtingen nogmaals tevergeefs waren opgevraagd bij de appellant. Gelet op de afwezigheid van reactie vanwege de appellant werd een geldboete van ....000,00 EUR opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW en het Koninklijk besluit nr. 44.

Op 8 juli 2014 en 30 november 2018 werd aan de appellant een saldobericht ten bedrage van 1.775,00 EUR gericht. Deze schuld wordt ingevorderd met RCIV-nummer ....

....3. In een proces-verbaal van 20 juni 2014 werd de inhoud van het proces-verbaal van 7 mei 2014 hernomen en werd bijkomend gesteld dat bij aangetekend schrijven en gewone brief van 7 mei 2014 dezelfde inlichtingen nogmaals tevergeefs waren opgevraagd bij de appellant. Gelet op de afwezigheid van reactie vanwege de appellant werd een geldboete van 5.000,00 EUR opgelegd, overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW en het Koninklijk besluit nr. 44.

Op 8 juli 2014 en 30 november 2018 werd aan de appellant een saldobericht betreffende de schuld van 5.000,00 EUR gericht.

....4. Bij verzoekschrift ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 22 september 2022 kwam de appellant op tegen de schuld met schuldnummer .... In het vonnis van 17 juni 2024 heeft de tiende kamer van deze rechtbank als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt etser tot de gedingkosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze

hem ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

3. De vorderingen van de partiien

3.1. De vorderingyan de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens:

Het bestreden vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

De oorspronkelijke vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het betaalbericht van 13 mei 2014 verstuurd door het Team Invordering Oostende, nietig en/of ongegrond te verklaren, en te zeggen voor recht dat de administratieve boete van ....000,- euro met artikelnummer ... niet verschuldigd is. Ondergeschikt de administratieve boete kwijt te schelden, minstens te matigen.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding voor de beide aanleggen, in hoofde van concluant als volgt begroot:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 600,- euro

bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,- euro

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 627,91- euro

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,- euro

3.....De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen en de bestreden aanslag te bevestigen. Appellant tot de kosten van het geding te veroordelen, in graad van hoger beroep begroot op 627,91 euro rechtsplegingsvergoeding.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat, in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwisting en de beoordeling ervan

4.1. Op grond van artikel 62, §1 WBTW in de versie zoals hier van toepassing, is eenieder gehouden, op ieder verzoek van de bevoegde btw-ambtenaren, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.

Krachtens artikel 70, §4 WBTW worden de niet in artikel 70, §§1 tot 3 bedoelde overtredingen van het WBTW of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding, waarbij het bedrag van deze geldboete naar gelang de aard en de ernst van de overtreding bepaald wordt volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

De in artikel 70, §4 WBTW bedoelde schalen zijn opgenomen n het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en zijn bijlage. In afdeling 4.IV van de bijlage worden, in geval van niet-naleving van de verplichtingen bedoeld in artikel 62 WBTW, de volgende bedragen bepaald:

rte overtreding: 1000 EUR

2de overtreding: 2000 EUR

— volgende overtredingen: 5000 EUR

Krachtens artikel 3 van het KB nr. 44 wordt, voor de bepaling van het bedrag van de toe te passen geldboete, rekening gehouden met dezelfde overtredingen die werden begaan gedurende een periode van vier jaren die voorafgaat aan het tijdstip waarop de overtreding wordt begaan. De overtredingen worden aangemerkt als eerste overtreding indien dezelfde overtredingen niet werden bestraft voorafgaand aan de datum waarop deze werden begaan.

4..... De appellant verzet zich middels de huidige procedure tegen de geldboete van ....000,00 EUR, die is gekend onder schuldnummer ....

In een eerste middel voert de appellant aan dat de geïntimeerde de grondslag van zijn vordering niet afdoende bewijst, omdat zijn invorderingsdossier onvolledig is en de originele stukken die de invordering van de geldboete van ....000,00 EUR schragen, niet voorgelegd kunnen worden. De appellant wijst er onder meer op dat geen bewijs voorligt van de betekening van de processen-verbaal van ... april, 7 mei en 20 juni 2014 aan de appellant.

De appellant kan in zijn stelling niet gevolgd worden. Er is geen reden om te twijfelen aan de bewijswaarde van de stukken die de geïntimeerde voorlegt (zijn stukken 1 tot en met 11). De administratie heeft een kopie van het proces-verbaal van 7 mei 2014 ter beschikking gesteld van de appellant, samen met verschillende andere stukken betreffende de vaststelling en invordering van de betrokken geldboeten (de stukken 1 tot en met 11 van de geïntimeerde). Het geheel is een logisch opgebouwd dossier met tal van kruisverwijzingen die tot de juistheid ervan doen besluiten. De bijgebrachte processen-verbaal van ... april, 7 mei en 20 juni 2014 bevatten de handtekening van de betrokken belastingambtenaar, waarvan de echtheid door de appellant niet in twijfel getrokken wordt.

Gelet op de toepassing van artikel 59 WBTW zijn de feitelijke vaststellingen die in de betrokken processen-verbaal werden gedaan door de bevoegde ambtenaar, bewezen, nu de appellant het tegendeel ervan niet bewijst. Bijgevolg staat vast dat de bevoegde ambtenaar de appellant tot zevenmaal toe heeft aangeschreven (nl. op 4 oktober 2013, op 20 januari 2014, op 8 april 2014 en op 7 mei 2014, waarvan de laatste drie keer zowel bij aangetekend schrijven als bij gewone brief), met de vraag om de in het feitenrelaas opgesomde stukken over te maken binnen een welbepaalde, korte termijn. Ook staat vast dat de appellant nooit heeft gereageerd op die brieven.

Dat het proces-verbaal van 7 mei 2014 aan de appellant werd betekend op 7 mei 2014 kan aangenomen worden, nu naar deze betekening wordt gerefereerd in de betaalberichten van 8 juli 2014 en 30 november 2018 (stukken 8 en 9 van de geïntimeerde). Het ontbreken van de betekeningsakte zelf doet hieraan geen afbreuk, nu de raadsman van de appellant zelf bij e-mail van 27 januari 2022 aan de administratie liet weten dat de appellant de processen-verbaal "niet meer" in bezit had (stuk 4a van de appellant) en tijdens de openbare terechtzitting werd aangebracht dat de appellant na 2011 een moeilijke persoonlijke periode doormaakte en een tijd van de radar verdween en in het buitenland vertoefde. In die omstandigheden kan de appellant er niet mee volstaan te beweren dat hij geen kennis heeft gekregen van de stukken die de geïntimeerde voorlegt waaronder het proces-verbaal van 7 mei 2024 en die, zoals gezegd, deel uitmaken van een logisch en systematisch opgebouwd dossier. Het vermoeden dat de betrokken stukken op een correcte wijze aan de appellant ter kennis gebracht werden, wordt niet ontkracht.

Dit middel van de appellant wordt verworpen.

4.3. In een tweede middel voert de appellant aan dat de geïntimeerde met het opleggen van de geldboete van ....000,00 EUR het non bis in idem beginsel geschonden heeft. Hij wijst erop dat de administratie op zeer korte termijn diverse sancties cumulatief heeft opgelegd op basis van één en dezelfde overtreding, met name het nalaten gevolg te geven aan steeds dezelfde vraag om inlichtingen.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvoor hij is vrijgesproken. Dat beginsel wordt eveneens gewaarborgd in de artikelen 14.7 IVBPR en 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol EVRM.

Tussen de partijen wordt terecht niet betwist dat de maatregelen in het geding sancties van strafrechtelijke aard zijn in de zin van de artikelen 14.7 IVBPR en 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol EVRM. De in artikel 70, §4 WBTW bedoelde fiscale geldboeten hebben immers tot doel de erin geviseerde inbreuken op het WBTW en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan door alle belastingplichtigen zonder onderscheid, te voorkomen en te bestraffen. Zij hebben een overheersend repressief karakter (vgl. GWH 19 oktober 2023, arrest nr. 136/2023, r.o. B.9., via https://juportal.be). Het non bis in idem beginsel is derhalve van toepassing en verbiedt dat de sanctie bepaald bij artikel 70, §4 WBTW bij herhaling wordt opgelegd aan dezelfde persoon uit hoofde van dezelfde strafbare feiten.

Aan de appellant werden achtereenvolgens op grond van artikel 70, §4 WBTW verschillende sancties van strafrechtelijke aard opgelegd, met name geldboeten van 1.000,00 EUR, van ....000,00 EUR en van 5.000,00 EUR.

Het is niet betwist dat de geldboete van 1.000,00 EUR die de appellant opgelegd kreeg, inmiddels definitief geworden is. Immers, de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft op 17 juni 2024 de vordering van de appellant waarmee hij opkwam tegen deze sanctie (rolnummer 22/2664/A) afgewezen en de appellant heeft tijdens de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 uitdrukkelijk bevestigd te berusten in dat vonnis en de betrokken geldboete te hebben betaald. Dat laatste werd door de geïntimeerde overigens niet bestreden.

De vraag is nu of de geldboete van ....000,00 EUR een bestraffing inhoudt van hetzelfde strafbare feit waarvoor de appellant reeds definitief is bestraft middels de geldboete van 1.000,00 EUR.

Om te beoordelen of er sprake is van een en hetzelfde strafbare feit, is vereist dat het gaat om identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van hetzelfde materiële feit of eenzelfde gedrag over eenzelfde tijdsperiode. Opdat het verbod toepassing kan vinden, moet er sprake zijn van een geheel van concrete feitelijke omstandigheden betreffende eenzelfde persoon, die onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, en waarvan het bestaan constitutief is voor de betrokken overtreding (vgl. onder meer EHRM 10 februari 2009, Zolotukhin v. Rusland, nr. 14939/03, r.o. 82 e.v. en EHRM 14 januari 2020, Bashin en Chekunov v. Rusland, nr. 44015/07, r.o.56).

De eerste bestraffing (de geldboete van 1.000,00 EUR) liep de appellant op wegens het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen betreffende zijn boekhouding, die de btw-administratie hem op 4 oktober 2013 richtte, noch op de herinneringsbrief die hem op 20 januari 2014 zowel aangetekend als met de gewone post werd gericht en waarin dezelfde inlichtingen opnieuw werden opgevraagd. De bestrafte feiten worden ordentelijk omschreven in het proces-verbaal van ... april 2014.

Een tweede bestraffing — de geldboete van ....000,00 EUR die het hof hier en nu beoordeelt — werd aan de appellant opgelegd wegens het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen betreffende zijn boekhouding, die de btw-administratie hem op 4 oktober 2013 richtte, noch op de herinneringsbrieven die hem op 20 januari 2014 en op 8 april 2014 zowel aangetekend als met de gewone post werden gericht en waarin telkens dezelfde inlichtingen opnieuw werden opgevraagd. De bestrafte feiten worden ordentelijk omschreven in het proces­verbaal van 7 mei 2014.

Een derde bestraffing — de geldboete van 5.000,00 EUR waarvan de beoordeling hier niet aan de orde is, maar wel in de zaak met rolnummer 2024/AR/1612 die ook vandaag door deze kamer van dit hof wordt beslecht — werd aan de appellant opgelegd wegens het niet antwoorden op de vraag om inlichtingen betreffende zijn boekhouding, die de btw-administratie hem op 4 oktober 2013 richtte, noch op de herinneringsbrieven die hem op 20 januari 2014, op 8 april 2014 en op 7 mei 2014 zowel aangetekend als met de gewone post werden gericht en waarin telkens dezelfde inlichtingen opnieuw werden opgevraagd. De bestrafte feiten worden ordentelijk omschreven in het proces-verbaal van 20 juni 2014.

Uit de bovenstaande uiteenzetting blijkt onmiskenbaar dat de verschillende geldboetes in wezen dezelfde feiten tot voorwerp hebben, met name het niet overmaken door de appellant van de gevraagde inlichtingen betreffende diens boekhouding inzake het afsluiten van zijn economische activiteit eind 2011. Deze inlichtingen werden bij de appellant opgevraagd in het najaar van 2013 en op de herinneringsbrieven die hem toegestuurd werden tussen midden januari en begin mei 2014 reageerde hij niet. In wezen gaat het om eenzelfde vraag om inlichtingen die de appellant niet beantwoordde, ondanks verschillende herinneringsbrieven.

Uit het relaas van de appellant — dat door de geïntimeerde niet wordt tegengesproken of ontkracht — blijkt dat hij in de betrokken periode van de radar verdween en een tijd in het buitenland vertoefde, waarmee hij erop doelt dat hij de achtereenvolgende brieven niet ontving en er daarom niet op reageerde. Dat het anders zou zijn, met name dat de appellant daadwerkelijk kennisnam van de verschillende aanmaningen van de btw-administratie en deze telkenmale doelbewust naast zich neerlegde, zelfs nadat hem een aanzienlijke geldboete werd opgelegd, blijkt niet en wordt door de geïntimeerde niet aangevoerd of aannemelijk gemaakt. Dat er sprake is van verschillende van elkaar losstaande beslissingen in hoofde van de appellant, om een vraag om inlichtingen vanwege de geïntimeerde niet te beantwoorden, kan aldus niet vastgesteld worden.

In die algehele context is wat voorligt een onlosmakelijk geheel van feiten dat met elkaar verbonden is in tijd en ruimte, dat neerkomt op het verzuim om de gevraagde inlichtingen betreffende de boekhouding inzake het afsluiten van de economische activiteit eind 2011 te bezorgen. Dat artikel 62, §1 WBTW eenieder ertoe verplicht om op ieder verzoek van de btw-administratie de gevraagde inlichtingen te verschaffen en dat het KB nr. 44 voor het niet-naleven van de verplichting bedoeld in artikel 62 WBTW geldboetes bepaalt die stijgen naargelang het gaat om een eerste, tweede of volgende overtreding, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat er in wezen sprake is van één globaal verzuim vanwege de belastingplichtige. Het non bis in idem beginsel verbiedt dat daarvoor meer dan één bestraffing wordt opgelegd. Er anders over oordelen zou de rechtsbescherming die de appellant geniet op grond van dit beginsel doen verwateren tot een theoretisch gegeven.

De geldboete van ....000,00 EUR gekend onder schuldnummer ... kan bijgevolg niet behouden blijven. De appellant is haar niet verschuldigd.

Gelet op dit oordeel moet de ondergeschikte vordering van de appellant niet ontmoet warden.

Het hoger beroep van de appellant is gegrond en het bestreden vonnis wordt hervormd.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de appellant van de beide instanties dragen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De vordering is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (17 juni 2024 voor de eerste aanleg en vandaag voor het hoger beroep). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf 750,00 EUR tot ....500,00 EUR.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg gelijk aan 600,00 EUR en voor het hoger beroep gelijk aan 627,91 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De geïntimeerde is een rechtsplegingsvergoeding van 600,00 EUR verschuldigd aan de appellant voor de procedure in eerste aanleg en van 627,91 EUR voor de procedure in hoger beroep.

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

het hoger beroep is ontvankelijk en in onderstaande mate gegrond;

het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond:

zegt voor recht dat de appellant de administratieve geldboete van ....000,00 EUR gekend onder schuldnummer ... niet verschuldigd is.

De geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van wat eventueel al teveel betaald werd, te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten;

het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de

beide instanties, vastgesteld als volgt:

aan de kant van de appellant:

bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 EUR

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 600,00 EUR

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 627,91 EUR

aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 31 maart 2026.

Aanwezig:

Sylvie Van Herreweghe, raadsheer, wn. voorzitter,

alleen rechtsprekend An Van Wijnsberge, griffier

Referentie WF

WF 708-15-22/057666 en 708-15-22/057694

Finaliti 55178594/01 en 55179373/01

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 7020 voorkomens
WBTW art. 6210 voorkomens
KB nr. 44 art. 34 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8