Hof van beroep te Gent, 23 mei 2001 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 23 mei 2001

Zoeken

Hof van beroep te Gent, 23 mei 2001Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2001-05-23-1729

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
23 mei 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

54 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.05.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF VAN BEROEP GENT, 27° Kamer - Terechtzitting van 23/5/2001

BTW

1992/AR/45312 - In de zaak van :

…, begrafenisondernemer, voorheen wonende te …, …, thans te …, …

appellant,

hebbende als raadsman Mr. D'H. G., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN te 1000 Brussel, Wetstraat 14, in de persoon van de rekenplichtige van het Ontvangkantoor van de BTW te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

Velt het Hof het volgend arrest :

Gehoord de partijen in hun middelen en gelet op de stukken door hen neergelegd;

Appellant heeft tijdig en regelmatig bij verzoekschrift d.d. 3 januari 1992 beroep aangetekend tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk d.d. 02 september 1991.

1. Bij het aangevochten vonnis werd de vordering die appellant had ingesteld tot nietigverklaring, minstens onwettig of ongegrond verklaring van een dwangbevel d.d. 4 juli 1988 en veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1.000.000 BF meer de gerechtelijke rente, toelaatbaar, doch ongegrond verklaard en werd appellant veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding en van de rechtsplegingsvergoeding.

2.1. Appellant stelt dat het dwangbevel dat hem werd betekend nietig is omdat hel proces-verbaal dat eraan gehecht was niet volledig gedagtekend en ook niet ondertekend was door de opsteller.

2.2. 0ndergeschikt stelt appellant dat het proces-verbaal geen bewijskracht kan hebben.

3.1. Daartegenover stelt de geïntimeerde dat :

1° wat de beweerde nietigheid van het proces-verbaal betreft, minstens een begin van bewijs geleverd werd van het feit dat het mede betekend afschrift van het PV wel degelijk voorzien was van de volledige en voluit geschreven datum van opstelling ervan alsmede van de handtekening van de verbalisant doordat uit het stuk 4 dat door appellant wordt neergelegd blijkt dat deze gegevens op het PV waren aangebracht;

2° bovendien een op 30 juni 1988 door de Administratie voor éénsluidend verklaard afschrift van het PV van 1 april 1988 werd overgelegd en appellant geen enkele opmerking noch protest uitte.

3.2. Geïntimeerde stelt dat het PV derhalve wel degelijk bewijskracht heeft.

3.2.1. Hij wijst erop dat de door appellant ingeroepen ''tegenstrijdigheden en onmogelijke vaststellingen" vermeld in het PV te verklaren zijn doordat het toezicht werd aangevat op 26 juni 1983 en niet beëindigd werd in de loop van het jaar 1985.

De verbalisant heeft niet alle data waarop aan het dossier werd gewerkt opgenomen in het PV.

Dit belet niet, zo stelt geïntimeerde, dat het PV bewijskracht heeft zolang het tegendeel niet is bewezen (quad non), zodat de verschuldigdheid van de sommen weergegeven in het PV eisbaar zijn.

4. BEOORDELING

4.1. Eerst en vooral stelt het Hof vast dat, in tegenstelling met de bewering van appellant, wel degelijk een volledige met de hand uitgeschreven dagtekening op het proces-verbaal te lezen staat en dat de handtekening van de verificateur B. wiens identiteit als ondertekenaar van het PV in de aanhef ervan beschreven staat weliswaar moeilijk leesbaar is.

De datum is inderdaad slecht gekopieerd. Appellant kon echter onmogelijk de weliswaar slechte - kopie van het proces-verbaal verkeerd lezen nu op het proces­verbaal vermeld staat : "Ik, ondergetekende, E. B.", zodat de (moeilijk leesbare) handtekening geen andere handtekening kon zijn dan deze van E. B., de verificateur, en het jaartal 1988 vol uitgeschreven uit het stuk zelf kan worden afgeleid.

Zeer terecht merkte de eerste rechter op dat appellant op geen enkel ogenblik heeft staande gehouden dat de inhoud van de ontvangen fotokopie niet de juiste en volledige weergave zou zijn van het proces-verbaal.

Een "voor eensluidend verklaard afschrift" is als dusdanig geldig van zodra de melding "voor eensluidend verklaard afschrift" erop is aangebracht. dit ongeacht de vorm die aan het afschrift wordt gegeven, en zolang er geen tegenbewijs wordt geleverd van de valsheid ervan.

4.2. Uit de stukken van het dossier leidt het Hof af dat de verificateur lang na 1985 nog zijn controle heeft moeten verderzetten.

Dit blijkt o.m. uit het feit dat pas in 1986 een regularisatieopgave werd opgesteld waarin o.m. met de gegevens van 1985 rekening werd gehouden.

Hoe dan ook levert appellant het bewijs niet van de beweerde onjuistheid van de gegevens die in het proces-verbaal zijn vervat.

De eerste rechter oordeelde dan ook terecht dat de omstandigheid dat het PV drie jaar na de eerste verificatie werd opgemaakt - de feiten wijzen uit waarom dit zo geschiedde - de juistheid van het PV niet aantast.

4.3. Geen enkel stuk wijst op enig akkoord met de Administratie omtrent een niet gemengd karakter van de activiteit van de belastingplichtige die daar hoe dan ook het bewijs van zou moeten voorleggen.

4.4. Wat de grond van de zaak betreft kan het Hof enkel vaststellen dat de artikelen 45, § 2, al. 1 en 46, § 2 BTW-wetboek correct werden toegeast.

Dat appellant als "gemengde belastingplichtige" moest worden getaxeerd van zodra het vervoer dat hij deed zowel voor zieken als voor persoonlijk gebruik diende, aanziet het Hof als een evidentie.

Dat de fiscus vóór 1985 deze evidentie niet inzag en zelfs tot terugbetalingen overging kan niet als precedent dienen voor een latere correcte taxatie.

De fiscale wetgeving is van openbare orde zodat appellant onmogelijk een 'onaanvechtbare verworvenheid' kan inroepen voor een illegale BTW-aftrek.

4.5. Wat betreft de vordering die appellant lastens geïntimeerde instelde op grond van schending van de basisprincipes van behoorlijk bestuur omdat de taxatieambtenaren van 1981 tot 1984 hem nooit hadden ingelicht over het litigieus probleem, oordeelde de eerste rechter ook hier terecht dat de nalatigheid van de taxatieambtenaren op dit punt niet als een fout van onbehoorlijk bestuur kan worden gekwalificeerd en dat appellant pertinent had moeten weten, gelet op de zeer specifieke aard van de belaste activiteit - ziekenvervoer met een ziekenwagen - dat hij de betwiste BTW-aftrek niet mocht doen voor deze specifieke activiteit.

4.6. Wat het percentage van de aftrek betreft dient verwezen te worden naar de duidelijke teksten van de artikelen 45, § 2 en 46, § 2 van het BTW-wetboek. Daaruit moet worden afgeleid dat de wet maximaal 50 % van de BTW-kosten aftrekbaar stelt.

Het Hof kan op grond van een cumulatieve lezing van de artikelen 46, § 1 en 45, § 2 van het BTW-wetboek enkel het principe bevestigen van de aftrekbaarheid van de BTW voor maximaal 50 % van de betaalde belasting, inzake levering en diensten m.b.t. een autovoertuig zowel voor personenvervoer als voor zogenaamd gemengd vervoer, zelfs wanneer een wagen voor meer dan 50 % voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis;

Veroordeelt appellant tot de kosten van de aanleg in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op 12.300 BF rechtsplegingsvergoeding volgens opgave.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent. ZEVENENTWINGTIGSTE KAMER rechtsprekende in burgerlijke zaken, heden 23/05/2001.

G. M., plaatsvervangend Raadsheer, waarnemend Voorzitter;

J.-B. P. en CH. L., plaatsvervangende Raadsheren;

C. S., griffier.

C. S. CH. L. J.-B. P. G. M.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 453 voorkomens
WBTW art. 463 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8