Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 07.02.2023
WF 713-15-20/004494
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Herziening van het recht op aftrek – Overdracht van een algemeenheid van goederen – Fiscale geldboete – Principiële betwisting
Wettelijke bepalingen
Artikelen 11, 18, § 3, 44, §3, 2° WBTW en 10 van het Koninklijk Besluit nr. 3
Samenvatting
1) Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige had een detailhandel in schoenen en deed aangifte van stopzetting in 2018. In de periode van 2016-2017 liet zij verbouwingswerken uitvoeren. De btw hierop was aftrekbaar aangezien dit gebouw bestemd was voor haar economische activiteit. Op 01/01/2018 werd het handelsfonds overgedragen aan een BV met toepassing art. 11 en 18, §3 WBTW. Het onroerend goed werd niet mee overgedragen, maar werd verhuurd met ingang van 01/01/2018 op basis van een handelshuurovereenkomst met de BV.
Na controle op 13/06/2018 stelde de belastingadministratie inbreuken vast tegen de verplichting tot herziening van de btw bij geheel of gedeeltelijk gebruik voor privédoeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen. Gezien geen akkoord kon worden bekomen werden de vastgestelde inbreuken opgenomen in een proces-verbaal van regularisatie van 07/11/2019. Tegen de opname in het innings- en invorderingsregister werd een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De rechter oordeelde dat de btw op de verbouwingen terecht werd herzien. De belastingplichtige stelde hoger beroep tegen dit vonnis.
2) Het arrest van het hof van beroep
De aanvoering van de belastingplichtige dat ook de voormelde omvormings- en verbeteringswerking deel uitmaken van het overdragen actief wordt geenszins ondersteund
door enig objectief gegeven. Er wordt geen enkel stuk voorgelegd aan het hof dat van aard is
een andere opsplitsing te verantwoorden tussen “inrichting” en “renovatie” dan deze weerhouden door de belastingadministratie. De huurovereenkomst vermeldt enkel dat de belastingplichtige “een winkel (gelijkvloers)” verhuurt zonder meer.
Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat wanneer blijkt dat het voor de voortzetting van de betrokken economische activiteit noodzakelijk is dat de verkrijger dezelfde ruimte gebruikt als waarover de verkoper beschikte, zich in beginsel niets ertegen verzet dat het bezit ervan wordt overgedragen via een huurovereenkomst die de partijen afsluiten (arrest van 10 november 2011, S., C-444/10, EU:C:2011: 724, punt 36). Het verhuurd gebouw (inclusief de verbeterings- en omvormingswerken aan het pand) maakt te dezen geen deel uit van de overdracht, precies omdat het slechts wordt verhuurd.
Noch artikel 11 WBTW, noch artikel 18, §3 WBTW verzet zich tegen een herziening van de oorspronkelijk met betrekking tot het gebouw door de overdrager in aftrek gebrachte btw. Goederen die gebruikt worden in het kader van een economische activiteit, maken een bedrijfsmiddel uit in hoofde van de persoon die er eigenaar van is, dan wel over een zakelijk recht beschikt op het bedrijfsmiddel. Aangezien een huurrecht een persoonlijk gebruiksrecht toekent aan de huurder, blijft het goed een bedrijfsmiddel in hoofde van de verhuurder. De wijziging van de bestemming moet derhalve beoordeeld worden in hoofde van de overdrager.
Het gebouw zal voortaan gebruikt worden voor een op basis van artikel 44, §3, 2° WBTW, vrijgestelde activiteit en aldus aanleiding geven tot herziening van de afgetrokken btw geheven van de verwerving, de oprichting, de omvorming of verbetering van dit gebouw, op voorwaarde dat de bestemmingswijziging plaatsvindt gedurende de herzieningsperiode (zie art. 10 KB nr.3).
Het hof ziet geen redenen om de boete (10 %) kwijt te schelden of te verminderen, noch om enig uitstel toe te kennen. Het betreft hier geenszins een principiële betwisting en de inbreuken liggen ook geenszins buiten de wil van de belastingplichtige.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken
Arrest van 07/02/2023
Rol: 2021/AR/1264
E. Y., RRN 660....72, wonende te ..., q.q. wettelijke erfgenaam van wijlen mevrouw C. C., ON 070...96,
eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. V. B. D., advocaat te ... (ref.: ...)
tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 19 mei 2021, gekend onder rolnummer 20/315/A
tegen
DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM MECHELEN, ON 0308.357.159, met diensten te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22
verweerder in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. B. B., advocaat te ... (ref.: ...)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 19 mei 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 juli 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
Het geschil heeft betrekking op de BTW-vordering, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500...19 en het proces-verbaal van 07/11/2019.
1.2. Feiten en voorgaanden.
C. C. had een detailhandel in schoenen. Zij deed aangifte van stopzetting op 12/03/2018 met als datum van stopzetting 08/03/2018.
Sedert 2002 bezat C. C. een handelshuis in ... .
In de periode van 2016-2017 liet C. C. in dit gebouw verbouwingswerken uitvoeren voor een bedrag van 227.651,26 euro (exclusief BTW). De BTW hierop was aftrekbaar aangezien C. C. dit gebouw bestemde voor haar economische activiteit (uitbating van een kleinhandel in schoenen). De renovatiewerken werden beëindigd op 31/03/2017.
B. S. C. werd opgericht op 27/11/2017 door C. C. .
Op 01/01/2018 droeg C. C. haar handelsfonds (uitbating schoenwinkel) over aan de B. S. C. (toepassing art. 11 en 18§3 WBTW). Het onroerend goed werd niet mee overgedragen. Het onroerend goed werd verhuurd met ingang van 01/01/2018 op basis van een handelshuurovereenkomst aan B. S. C. .
Op 13/06/2018 werd er een controle uitgevoerd door de belastingadministratie.
De belastingadministratie stelde inbreuken vast tegen de verplichting tot herziening van de BTW bij geheel of gedeeltelijk gebruik voor privédoeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen of die recht op aftrek verlenen in een andere verhouding dan die welke als grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek.
Volgens de belastingadministratie diende ingevolge de bestemmingswijziging van het onroerend goed nl. bestemd voor een btw-plichtige activiteit (uitbating schoenwinkel) naar een vrijgestelde bestemming (onroerende verhuur) de uitgeoefende BTW-aftrek te worden herzien.
Op 19/11/2018 werd een correctieopgave opgesteld. De verschuldigde BTW bedroeg 27.601,53 euro. Er werd tevens een boete opgelegd van 10% namelijk 2.760 euro. De nalatigheidsinteresten waren verschuldigd vanaf 21/04/2018.
C. C. ging niet akkoord met voormelde correctieopgave.
Gezien geen akkoord kon worden bekomen werden de vastgestelde inbreuken opgenomen in een proces-verbaal van regularisatie van 07/11/2019 (aangetekend ter kennis gebracht van C. C. op 07/11/2019).
De BTW-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister (opgesteld op 23/12/2019) onder artikel 500...19 en uitvoerbaar verklaard op 06/01/2020.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 15/01/2020 stelde C. C. een vordering in rechte in.
C. C. vorderde:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- dienvolgens:
- 1. het proces-verbaal, opgesteld op 07/11/2019 geheel te horen vernietigen, dan wel van onwaarde te horen verklaren;
- 2. de BTW-vordering, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500...19 geheel te horen vernietigen;
vervolgens opnieuw rechtdoende te horen zeggen voor recht dat zij de middels voormeld proces-verbaal en innings- en invorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder in hoger beroep te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan haar terug te betalen, meer de moratoire interesten; verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding begroot op 2.400 euro RPV en 20 euro griffierechten.
De eerste rechter verklaarde de rechtsvordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde C. C. tot de kosten. De kosten werden in hoofde van verweerder in hoger beroep niet vereffend bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie. De Bijdrage Fonds Wet 19/03/2017 gestort door C. C. was definitief verworven voor het Fonds.
De eerste rechter oordeelde dat de BTW op de verbouwingen terecht werd herzien in hoofde van C. C., zulks in herziening van de door haar onterecht verrichte aftrek van voorbelasting.
Tegen dit vonnis heeft C. C. bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 20/07/2021, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
C. C. overleed op 26 maart 2022.
Op 15/12/2022 werd een akte tot vrijwillige gedinghervatting neergelegd door Y.E., wettelijke erfgenaam van wijlen mevrouw C. C., waarbij verzocht werd akte te verlenen van de hervatting van het geding van deze fiscale procedure door de heer E. Y. .
Eiser in hoger beroep vordert:
het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
- dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, minstens te hervormen; de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens:
- 1. het proces-verbaal, opgesteld op 07/11/2019 geheel te horen vernietigen, dan wel van onwaarde te horen verklaren;
- 2. de BTW-vordering, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500...19 geheel te horen vernietigen;
- vervolgens opnieuw rechtdoende te horen zeggen voor recht dat eiser in hoger beroep de middels voormeld proces-verbaal en innings- en invorderingsbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerder in hoger beroep te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan eiser in hoger beroep terug te betalen, meer de moratoire interesten;
verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding ten bedrage van 5.240 euro, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, bestaande uit 2.400 euro in eerste aanleg en 2.800 euro in hoger beroep, evenals tweemaal griffierechten (te lezen als bijdrage begrotingsfonds) van 20 euro.
Ter zitting van 20/12/2022 verzocht eiser in hoger beroep de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding voor de procedure hoger beroep toe te passen, zijnde 3.000 euro.
De Belgische Staat besluit tot ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op 3.000 euro RPV hoger beroep.
2. Bespreking
Het hof merkt vooreerst en voor zoveel als nodig op dat op basis van de aan het hof door de belastingadministratie voorgelegde stukken blijkt dat het innings- en invorderingsbericht werd verstuurd door de belastingadministratie. De belastingplichtige werd op rechtsgeldige wijze in kennis gesteld van een uittreksel van het innings- en invorderingsregister en de opname van het schuldartikel 500...19 in het innings- en invorderingsregister. Er is te dezen geen sprake van een schending van de rechten van verdediging van de belastingplichtige.
2.1 Art. 11 WBTW en herziening van de aftrek van de BTW in hoofde van de overdrager
De betwisting handelt over de herziening van de aftrek van de BTW met betrekking tot de winkel in hoofde van de overdrager.
Volgens eiser in hoger beroep dient de aftrek van de BTW met betrekking tot de bedrijfsmiddelen niet te worden herzien in casu in toepassing van artikel 11 en 18 §3 WBTW.
C. C. heeft op 08/03/2018 haar BTW-activiteit (verkoop van schoenen) stopgezet.
Op 27/11/2017 werd B. S. C. opgericht met als activiteit, detailhandel in schoeisel.
Mevrouw C. C. droeg de activa, met inbegrip van de inrichting, meubilair, installaties, machines en uitrusting, voorraad en goodwill, die toebehoorden aan de eenmanszaak "S. C." over aan de B. S. C. onder toepassing art. 11 en 18 §3 WBTW.
Met betrekking tot het bedrijfsgebouw (de winkel, gelegen te …) werd er op 27/12/2017 een handelshuurovereenkomst afgesloten met de overnemer. De winkel werd verhuurd vanaf 01/01/2018 voor onbepaalde duur.
Het is dan ook duidelijk dat het gebouw eigendom is gebleven van C. C. .
Het hof stelt vast dat er een bezoek ter plaatse werd uitgevoerd door de belastingadministratie teneinde na te gaan welke investeringen konden aangemerkt worden als winkelinrichting dan wel als omvormings- en verbeteringswerken aan het gebouw. Uit nazicht ter plaatse bleek dat een bedrag van 86.215,43 euro aan werken betrekking had op meubilair en inrichting van de winkel en niet konden aangemerkt worden als levering van roerende goederen die als zodanig werden aangebracht aan het onroerend goed dat deze onroerend uit hun aard waren geworden. De overige werken voor een bedrag van 141.435,83 euro betroffen verbeterings- en omvormingswerken aan het onroerend goed.
Wat betreft de winkelinrichting en meubilair werd er door de belastingadministratie geen herziening van de BTW toegepast omdat de winkelinrichting deel uitmaakte van het overgedragen actief aan de overnemer in toepassing van artikel 11 en 18 §3 WBTW.
De aanvoering van eiser in hoger beroep dat ook de voormelde omvormings- en verbeteringswerking deel uitmaken van het overdragen actief wordt geenszins ondersteund door enig objectief gegeven. Er wordt geen enkel stuk voorgelegd aan het hof dat van aard is een andere opsplitsing te verantwoorden tussen "inrichting" en "renovatie" dan deze weerhouden door de belastingadministratie (zoals hoger weergegeven) naar aanleiding van het bezoek ter plaatse.
De huurovereenkomst vermeldt enkel dat C. C. "een winkel (gelijkvloers)" verhuurt zonder meer.
Uit het verslag van de bedrijfsrevisor blijkt dat de vermogensbestanddelen die het voorwerp van de cessie uitmaakten enkel volgende elementen bevatten:
1. inrichting winkel en meubilair
2. installatie, machines en uitrusting
3. voorraad
4. schulden op lange termijn
5. goodwill.
In het verslag van de bedrijfsrevisor is er geen detail terug te vinden van wat moet verstaan worden onder inrichting winkel en meubilair. De cessiewaarde voor de inrichting van de winkel en het meubilair werd bepaald op 230.000 euro. Er wordt ter bepaling van de waarde zeer algemeen verwezen naar architectenkosten en renovatiewerken, zonder dat er door de bedrijfsrevisor in concreto wordt nagegaan of deze kosten wel effectief betrekking hebben op "inrichting en meubilair" zijnde het voorwerp van de cessie. Ook bijlage 1 van de overeenkomst tot overdracht van het handelsfonds vermeldt onder de lijst van de lichamelijke roerende goederen begrepen in de overdracht zoals vermeld in artikel 1.1 van de overeenkomst enkel "inrichting winkel+ meubilair 2016-2017 verbouwing 230.000".
Het hof is dan ook van oordeel dat uit de voorgelegde stukken niet blijkt dat de renovatie- en verbeteringswerken mee werden overgedragen. Het blijkt geenszins dat er meer werd overgedragen dan "meubilair en inrichting" van de winkel zoals aanvaard werd door de belastingadministratie.
De belastingadministratie ging dan ook terecht in hoofde van C. C. over tot herziening van de oorspronkelijk afgetrokken BTW met betrekking tot de winkel meer bepaald de omvormings- en verbeteringswerken onroerend goed, wegens 'bestemmingswijziging' (zie hierna verder).
Volgens de belastingadministratie maakt de verhuur van de winkel in hoofde van C. C. een economische activiteit uit die van BTW is vrijgesteld bij art. 44 §3, 2° WBTW en bijgevolg geen recht op aftrek van BTW toelaat.
Artikel 19 van de btw-richtlijn luidt als volgt: “De lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om verstoringen van de mededinging te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan, niet volledig belastingplichtig is. Zij kunnen ook alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en-ontwijking met gebruikmaking van dit artikel te voorkomen." Artikel 29 van deze richtlijn bepaalt: "Artikel 19 is op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten."
Art. 11 WBTW bepaalt:
“Als levering wordt niet beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten."
Art. 18 §3 WBTW bepaalt:
“Als diensten worden niet beschouwd de in § 1 bedoelde handelingen die, bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, onder de voorwaarden van artikel 11 worden verricht."
Zodra aan de toepassingsvoorwaarden van voornoemde artikelen voldaan is, zal er dus niet langer sprake zijn van een levering van goederen of een dienst. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager verder te zetten.
De bedoeling van de regeling is de overdrachten van ondernemingen te vergemakkelijken, door ze te vereenvoudigen, en te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een zware fiscale druk komt te staan, nu hij deze belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de voorbelasting.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat er slechts sprake is van een overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel indien het geheel van de overgedragen onderdelen volstaat om een autonome economische activiteit te kunnen voortzetten, en dat de vraag of dit geheel zowel roerende als onroerende goederen moet bevatten, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de aard van de betrokken economische activiteit (zie in die zin arrest van 10 november 2011, S., C-444/10, EU:C:2011:724, punten 25 en26).
Zo kan er zelfs zonder een overdracht van het eigendomsrecht op een onroerend goed sprake zijn van een overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn, indien de uitoefening van een economische activiteit niet het gebruik vereist van een speciale ruimte of een ruimte die is uitgerust met voor de voortzetting van de economische activiteit noodzakelijke vaste installaties (zie in die zin arrest van 10 november 2011, S., C-444/10, EU:C:2011: 724, punt 27).
Om de voortzetting van bepaalde overgedragen economische activiteiten te waarborgen, hoeft de eigenaar van de handelszaak niet eveneens de eigenaar te zijn van het onroerend goed waarin deze zaak is gevestigd, ook al is voor de uitoefening van de betrokken economische activiteit een commerciële ruimte noodzakelijk (zie in die zin arrest van 10 november 2011, S., C-444/10, EU:C:2011: 724, punt 34). Zo heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat wanneer blijkt dat het voor de voortzetting van de betrokken economische activiteit noodzakelijk is dat de verkrijger dezelfde ruimte gebruikt als waarover de verkoper beschikte, zich in beginsel niets ertegen verzet dat het bezit ervan wordt overgedragen via een huurovereenkomst die de partijen afsluiten (arrest van 10 november 2011, S., C- 444/10, EU:C:2011: 724, punt 36).
Voormeld arrest ging alleen over de vraag naar het toepassingsgebied van art. 11 WBTW en de eventuele belasting die ingevolge de overdracht verschuldigd zou zijn door de overnemer, maar hieruit kan geen conclusie worden getrokken over de vraag of de overdrager de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW op het gebouw (dat hij ondertussen verhuurt aan de overnemer) moet herzien.
Het hof van Justitie oordeelde bovendien in een arrest van 19 december 2018, zaak C-17/18 dat het begrip "overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen" in de zin van art. 19 van de BTW-Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het niet ziet op de transactie waarbij een onroerend goed dat voor commerciële exploitatie werd gebruikt samen met alle vaste activa en de inboedel die voor deze exploitatie noodzakelijke zijn wordt verhuurd, ook al zet de huurder de activiteit van de verhuurder onder dezelfde naam voort.
Het verhuurd gebouw (inclusief de verbeterings- en omvormingswerken aan het pand) maakt te dezen geen deel uit van de overdracht, precies omdat het slechts wordt verhuurd.
Uit de artikelen 9, 10 §1, 11, 18 §1 en art. 18 §3 WBTW volgt niet dat de wettelijke fictie van voortzetting door de overnemer, van de persoon van de overdrager zich uitstrekt tot de goederen/diensten die niet begrepen zijn in de overdracht van de algemeenheid van goederen/diensten of in de aldus overgedragen bedrijfsafdeling (vgl. Cass. AR C. 14. 2578. F, 24 november 2017, www.cass.be en Luik nr. 2012/RG/284, 2012/RG329, 6 mei 2020, www. monkey.be).
In casu verzet noch artikel 11 WBTW, noch artikel 18 §3 WBTW zich tegen een herziening van de oorspronkelijk met betrekking tot het gebouw door de overdrager in aftrek gebrachte BTW.
Goederen die gebruikt worden in het kader van een economische activiteit, maken een bedrijfsmiddel uit in hoofde van de persoon die er eigenaar van is, dan wel over een zakelijk recht beschikt op het bedrijfsmiddel. Aangezien een huurrecht een persoonlijk gebruiksrecht toekent aan de huurder, blijft het goed een bedrijfsmiddel in hoofde van de verhuurder. De wijziging van de bestemming moet derhalve beoordeeld worden in hoofde van de overdrager. Door zich de eigendom voor te behouden van het gebouw waarin de overdrager zijn activiteit uitoefende en het te verhuren aan de overnemer van de algemeenheid of de bedrijfstak, gebruikt de overdrager het goed niet langer voor zijn activiteit, en dus voor het verrichten van belaste handelingen, maar wel voor een verhuuractiviteit die is vrijgesteld krachtens artikel 44 §3, 2° W BTW.
Wanneer aldus in het kader van een overdracht van een algemeenheid van goederen bedoeld in artikel 11 WBTW, de overdrager het eigendomsrecht van het gebouw waarin de overgedragen activiteit geëxploiteerd werd behoudt, en hij met betrekking tot het gebouw een huurovereenkomst afsluit met de overnemer, dan ondergaat het gebouw een wijziging van gebruik door de eigenaar ervan, een bestemmingswijziging (zie in dezelfde zin Mons 19 juni 2020, FJF 2021, 25-26 en Circulaire nr. 46/2009 en ET 110.663, 30 september 2009, punt 2.1). Het gebouw zal voortaan gebruikt worden voor een op basis van artikel 44 §3, 2° WBTW, vrijgestelde activiteit en aldus aanleiding geven tot herziening van de afgetrokken belasting geheven van de verwerving, de oprichting, de omvorming of verbetering van dit gebouw, op voorwaarde dat de bestemmingswijziging plaatsvindt gedurende de herzieningsperiode (zie art. 10 KB nr.3).
Wanneer zoals te dezen de overdrager het onroerend goed in kwestie verhuurt waarvoor de overdrager eerder het recht op aftrek van voorbelasting heeft genoten, dan wijzigt de bestemming, zodat de in aftrek gebrachte voorbelasting terecht door de belastingadministratie in hoofde van de overdrager werd herzien.
Het hof is van oordeel dat er door de belastingadministratie klaarblijkelijk ook geen onverantwoord onderscheid gemaakt wordt tussen persoonlijke rechten en zakelijke rechten. Te dezen wordt het eigendomsrecht op het onroerend goed behouden door de overdrager en het onroerend goed (winkel) wordt enkel verhuurd aan de overnemer.
Rekening houdende met de specifieke regelgeving betreffende zakelijke rechten op gebouwen betreft dit geen vergelijkbare categorie met een overdrager (van een algemeenheid van goederen) die het eigendomsrecht van of het zakelijk recht op het onroerend goed mee overdraagt aan of vestigt ten voordele van de overnemer.
De "vroegere tolerantie" (Oud BTW-Handleiding nr. 403) waarnaar eiser in hoger beroep verwijst in conclusies is niet meer terug te vinden in de huidige BTW-commentaar (vanaf 01/01/2018) en handelt bovendien over andere feitelijke omstandigheden dan diegene die thans ter beoordeling voorliggen. Bovendien is deze tolerantie zoals geïnterpreteerd door eiser in hoger beroep in strijd met hoger vermelde draagwijdte van de art. 9, 10 §1, 11, 18
§1 en art. 18 §3 WBTW. Het gaat hier geenszins over een feitelijke kwestie. Het blijkt bovendien niet dat er bij de belastingplichtige een door de administratie gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen geschonden werd.
In tegenstelling tot hetgeen eiser in hoger beroep beweert, is het standpunt ingenomen door de belastingadministratie in de personenbelasting niet in strijd met de houding die de belastingadministratie in onderhavige BTW-zaak heeft aangenomen. De opdeling van de aard van de werken (inrichting versus omvormings- en verbeteringswerken) werd bij de controle inzake de personenbelasting niet beoordeeld.
Ook het antwoord op de parlementaire vraag nr. 421 van dhr. Fournaux d.d. 13/05/1996 is op zich niet in strijd met de houding die de belastingadministratie in onderhavig dossier heeft aangenomen.
Er is hier geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel of rechtszekerheidsbeginsel door de belastingadministratie.
De verwijzing naar rechtspraak en voorafgaande beslissingen gewezen in andere zaken, waarvan de feitelijke omstandigheden niet gelijkaardig zijn als in onderhavige zaak, is irrelevant.
Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
De vordering van eiser in hoger beroep is derhalve ongegrond.
2.2 De administratieve geldboete?
Eiser in hoger beroep is van oordeel dat er geen boete kan worden opgelegd omdat het een principiële betwisting betreft.
Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboete wettelijk, voldoende gemotiveerd is en in redelijk verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.
Het hof ziet geen redenen om de boete (10 %) kwijt te schelden of te verminderen, noch om enig uitstel toe te kennen. Het betreft hier geenszins een principiële betwisting en de inbreuken liggen ook geenszins buiten de wil van de belastingplichtige.
2.3 De rechtspleginqsverqoeding
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep gewezen te worden.
De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 3.000 euro zoals gevorderd door verweerder in hoger beroep kan gelet op de waarde van de vordering toegekend worden.
Het hof laat de bijdrage betaald aan het Begrotingsfonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) in hoger beroep, vereffend op 20 euro, ten laste van eiser in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Beschikkend gedeelte
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verleent akte van de hervatting van het geding aan Y.E., in zijn hoedanigheid van erfgenaam van wijlen mevrouw C. C., overleden te 2220 Heist-op-den-Berg op 26.03.2022, in de zaak zoals ingeleid door wijlen C. C. en gekend onder rolnummer 2021/AR/1264.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.
Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 3.000 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Het hof laat de bijdrage betaald aan het Begrotingsfonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) in hoger beroep ten laste van eiser in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 7 februari 2023
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4
Vonnis van 19/05/2021
Rol: 20/315/A
Inzake:
C. C.
wonende te ..., RRN: 670...48
eisende partij
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. V. B. D. te ...,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, Directeur van het KMO-Centrum Mechelen, te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 17, KBO: 0308.357.159
verwerende partij
- vertegenwoordigd door mevr. X, inspecteur, en door dhr. X, attaché.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;
Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen In gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 21 april 2021.
Het geschil behelst BTW in hoofde van eiseres (BTW 070...96 vanaf 1 juli 1995).
Zij dreef detailhandel in schoeisel, deed stopzettingsaangifte op 12 maart 2018 per 8 maart 2018.
Een bevoegd ambtenaar verrichtte op 28 juli 2018 controlehandelingen in het kader van de afsluiting van de BTW rekening-courant met een tegoed, zulks in het bijzijn van de externe boekhouder.
Hij acteerde dat eiseres tot het derde kwartaal 2017 gewone activiteit voerde en daarna slechts door art.44 Wetboek BTW vrijgestelde handelingen verrichtte zonder recht op aftrek, wat aldus leidde tot herziening van de initieel afgetrokken aftrek voor x/5 voor de roerende goederen naast x/15 voor de onroerende goederen in nieuwbouw.
Concreet leidde de herziening, al naargelang, tot·4/5 over 2016 naast 5/5 over 2017. Daarnaast een herleide boete van 10% dan wel 5%, al naargelang.
Een en ander geformuleerd in een correctieopgave (naheffingsopgave). Eiseres ging niet in op deze correctieopgave.
Dit leidde dan tot een proces-verbaal "van regularisatie" (stukken 97-116 verweerder).
De hierop gebaseerde fiscale navordering werd uitgedrukt in Innings- en Invorderingsbericht van 6 januari 2020.
Een raadsman legde op 15 januari 2020 verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie, waarbij het betalingsverzoek der navordering wordt betwist.
Verweerder betwist niet de ontvankelijkheid der rechtsvordering.
Ten gronde
1. Het pand waarin handel wordt gedreven vormt eigendom van eiseres.
Renovatiewerken geschiedden in 2016 en 2017, waarvoor facturen door B. B. e. Z. die in de overeenkomstige periodieke aangiftes werden opgenomen in rooster 55 (verlegging).
Met ingang van 1 oktober 2017 werden geen uitgaande verrichtingen meer gedaan, wijzend op reeds stopzetting per 30 september 2017.
Op 27 november 2017 werd B. S. C. opgericht (BE 068...52) met als activiteit een detailhandel in schoeisel.
2. Met datum 27 december 2017 werd een overeenkomst tot overdracht van handelsfonds gesloten (st. 5 eiseres) tussen eiseres en B. S. C. .
Daarbij behield zij het eigendomsrecht op het gebouw zelf.
Ze sloot op 27 december 2017 een (niet geregistreerd) huurcontract, van overigens onbepaalde duur af met de BVBA (st.4 eiseres), ingaand per 1 januari 2018.
De verhuring geschiedt " 'om te worden gebruikt voor de beroepsactiviteit van DJ, artiest, componist en grafisch ontwerper ' ".
Van een kleinhandel is daarbij alvast geen sprake (goederenomzet in winkelruimte).
De overdracht van het handelsfonds houdt verbouwing 230.000,00 EUR in (zonder enig detail), naast een muziekinstallatie (zonder enig detail) verder betaalterminal, kassasysteem, nog kassasysteem en luchtbevochtiger en 'rekken'.
Van overdracht van een handelsfonds is alzo al evenmin sprake.
3. Een onroerend goed kan geen onderdeel vormen van een handelsfonds (waarbij, te dezen, de op de verbouwingen door eiseres verlegde BTW overigens reeds in aftrek was gezet),
Er werd immers gewoonweg geen handelsfonds overgedragen hoe dan ook.
Per slotsom kan slechts worden vastgesteld dat hier op onbeschaamde wijze werd geklungeld.
Een goodwill-klantenbestand van een schoenwinkel overdragen aan een DJ - artist, daarbij gesteund door overigens een 'verslag' van een revisor, tart al evenzeer elke verbeelding.
4. De overnemer zette de activiteit van eiseres niet voort, vatte een (vrijgestelde) activiteit onder art.44 Wetboek BTW aan.
Terecht werd dan ook de BTW op de verbouwingen herzien in hoofde van eiseres, zulks in herziening van de door haar onterecht verrichte aftrek van voorbelasting.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
recht doende op tegenspraak,
verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, maar ongegrond. Veroordeelt eiseres tot de kosten,
Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet, dit bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.
Bijdrage Fonds wet 19/03/2017 gestort door eiseres, is definitief verworven voor het Fonds.
Dit vonnis werd uitgesproken op negentien mei tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.