Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 02.03.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer
zitting : 2 maart 2012
eindvonnis
Rol nr. : 09/2730/A
Inzake :
C. V. O. (C.0.I.), met maatschappelijke zetel te …, ….
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door meester V. R., advocaat te …, ….
tegen :
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van inspecteur van het BTW-controlekantoor te 3000 Leuven, Philipssite 3A bus 1
verweerder,
ter zitting vertegenwoordigd door meester C., advocaat te …, ….
I. Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van :
- het verzoekschrift op tegenspraak op 28 december 2009 ter griffie neergelegd;
- de neergelegde conclusies en stukken;
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 2 december 2012 en daarna in beraad genomen.
II. De feiten
Eiseres is BTW-belastingplichtige.
Op 11 juni 2008 werd door M.-J. O., fiscaal deskundige verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Leuven, tweede ambtsgebied, proces-verbaal opgesteld. Hierin staat te lezen dat bij een controle is gebleken dat zich onder de aankoopfacturen van eiseres een factuur van NV KBC S. bevond, voor diensten geleverd in het kader van het dossier "A.". De BTW ten bedrage van 25.770,18 euro werd door eiseres volledig in aftrek gebracht.
Uit bijkomende inlichtingen door de fiscale ambtenaar ingewonnen blijkt dat de diensten van KBC S. betrekking hadden op "de begeleiding tot verkoop van A. NV (zoeken van een koper, afronding van gesprekken...)".
De administratie is van oordeel dat deze BTW ten onrechte in aftrek werd gebracht. Er is verschuldigd 25.770,18 euro (BTW), 2.570,00 euro (geldboete), meer intresten.
De schuld werd ondertussen volledig voldaan ingevolge toerekening van een BTWtegoed en een spontane betaling.
III. De vorderingen
Eiseres vraagt verweerder te veroordelen tot teruggaaf van de ten onrechte betaalde en of ingehouden BTW van 25.770,18 euro in hoofdsom met aanhorigheden en de administratieve boete van 2.570,00 euro, dit alles te vermeerderen met de moratoriumintrest.
In ondergeschikte orde vraagt zij een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
IV. Beoordeling
1. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.
2. Verweerder is van oordeel dat er geen recht op aftrek is omdat de ontvangen dienst niet bestemd was voor het verrichten van belastbare handelingen. Krachtens artikel 45, § 1, BTW-Wetboek wordt de aftrek in principe maar toegestaan voor uitgaven welke gebruikt worden voor belaste handelingen.
De verkoop van de aandelen is geen economische activiteit en valt buiten de werkingssfeer van de BTW. Indien deze verkoop toch als een economische activiteit moet beschouwd worden, en binnen de werkingssfeer van de BTW valt, is het een overeenkomstig artikel 44, § 3, 10° BTW-Wetboek vrijgestelde handeling, waarvoor geen recht op aftrek bestaat.
3. Eiseres voert in eerste instantie aan dat de overdracht van de aandelen heeft geleid tot de overdracht van een algemeenheid van goederen en daarom onder de toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, BTW-Wetboek valt en niet onder de toepassing van artikel 44.
Eiseres verwijst naar de rechtsoverwegingen 35 tot en met 41 in de SKF zaak 1 •
4. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 2 december 20112 in een gelijkaardige zaak de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie :
1. Kan de overdracht van 30 percent van de aandelen in een vennootschap - voor welke degene die deze aandelen overdraagt aan de BTW onderworpen diensten verricht - worden gelijkgesteld met de overgang van (een gedeelte van) een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 5, lid 8, en/of van diensten in de zin van artikel 6, lid 5, van de Zesde richtlijn ?
2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kan dan de in die vraag bedoelde overdracht worden gelijkgesteld met de overgang van (een gedeelte van) een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 5, lid 8, en/of van diensten in de zin van artikel 6, lid 5, van de Zesde richtlijn, indien de overige aandeelhouders, die ook aan de BTW onderworpen diensten verrichten jegens de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen, (nagenoeg) tegelijkertijd aan dezelfde persoon alle andere aandelen van die vennootschap overdragen ?
3. Indien ook de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, kan dan de in vraag 1 bedoelde overdracht worden beschouwd als de overgang van (een gedeelte van) de onderneming in de zin van artikel 5, lid 8, en/of artikel 6, lid 5, van de Zesde richtlijn, in aanmerking genomen dat deze overdracht nauw samenhangt met verrichte managementwerkzaamheden voor die deelneming ?
5. Vooraleer dit middel van eiseres te onderzoeken is het aangewezen het antwoord van het Hof van Justitie op deze prejudiciële vragen afte wachten.
6. Eiseres voert tevens aan dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de factuur van KBC S. en de prijs van de verkochte aandelen. De kosten van KBC S. zijn niet opgenomen in de prijs van de verkochte aandelen. Deze kosten vinden hun exclusieve oorsprong in de economische activiteiten van eiseres die een recht op aftrek doen ontstaan.
7. Het Hof van Justitie oordeelde in de zaak SKF3
54. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het recht op aftrek van voorbelasting over diensten die zijn gebruikt ten behoeve van een aandelenoverdracht, krachtens artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, in der versie die voortvloeit uit artikel 28septies, lid 1, daarvan, en artikel 168 van richtlijn 2006/112 ontstaat op grond dat de kosten van deze diensten deel uitmaken van de algemene kosten van de belastingplichtige.
[...]
73. Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat het recht op aftrek van voorbelasting over diensten die zijn gebruikt ten behoeve van een aandelenoverdracht krachtens artikel 17, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn, in de versie die voortvloeit uit artikel 28septies, lid 1, daarvan, en artikel 168 van richtlijn 2006/112 ontstaat wanneer tussen de uitgaven voor de diensten in een eerder stadium en de economische activiteiten van de belastingplichtige in hun geheel een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Het staat aan de verwijzende rechter om met inachtneming van alle omstandigheden waarin de handelingen in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, na te gaan of de gedane uitgaven kunnen worden opgenomen in de prijs van de verkochte aandelen, dan wel of zij uitsluitend deel uitmaken van de bestanddelen van de prijs van handelingen die tot de economische activiteiten van de belastingplichtige behoren.
____
1 Hof van Justitie, 29 oktober 2009, C-29/08, www.curia.europa.eu
2. www.rechtspraak.nl , LJN : B03645; www.curia.europa.eu , zaak C-651/11
3 Zie voetnoot 1
8. Eiseres heeft als maatschappelijk doel het informatiseren van lokale overheden.
Eiseres had samen met enkele andere vzw's de NV COI opgericht om deze vennootschap als een informaticacentrum te laten functioneren. Dit was een strategische belegging om het maatschappelijk doel van eiseres uit te voeren. Het cliënteel van eiseres bestaat uit lokale overheidsinstellingen, de NV COI had vooral VZW's en commerciële bedrijven in haar klantenportefeuille.
De NV COI fusioneerde met O. B en zo ontstond NV A..
Eiseres was samen met CVBA MRBB, NV KBC Groep en VZW VKW S. aandeelhouder van NV A.. Door een partiële splitsing werd het onroerend goed van NV A. ondergebracht in NV A. I. en de operationele activa en passiva en het personeel bij NV N. A.. Na de splitsing werd de naam van NV N. A. gewijzigd in NV A.. Alle aandeelhouders van NV A. verkochten bij overeenkomst van 12 juni 20064, gewijzigd op 31 augustus 2006, al hun aandelen (van de nog op te richten) NV N. A. aan NV C..
Met de gelden die zij voor de verkoop van haar deelneming in NV N. A. ontvangen had kocht eiseres aandelen in NV C., koper van de aandelen NV N. A.. Ook C. is actief in de ICT-sector. Eiseres bekwam zo een vertegenwoordiging in de raad van bestuur van NV C..
9. Tussen de verkoop van de aandelen en de economische activiteiten van eiseres in haar geheel bestaat een rechtstreeks en onmiddellijk verband. Eiseres zou de NV A. nooit opgericht hebben en de aandelen van NV A. nooit verkocht hebben indien zij de economische activiteiten die zij ontplooit, niet zou ontplooid hebben. De oprichting van NV A., de verkoop van de aandelen en de aankoop van de aandelen NV C. zijn allemaal gebeurd om eiseres toe te laten haar economische activiteiten zo goed mogelijk te ontplooien. Het betreft niet zomaar een belegging van gelden in aandelen.
De kostprijs van de diensten verleend door KBC S. is niet opgenomen in de prijs van de verkochte aandelen. Dit blijkt trouwens uit artikel 3.1.2. van de overeenkomst van 12 juni 2006 waarin wordt uiteengezet op basis van welke uitgangspunten de prijs van de aandelen wordt vastgesteld.
____
4. In de conclusie van verweerder staat te lezen dat de verkoopovereenkomst op 31 augustus 2006 werd afgesloten. De verkoopovereenkomst werd afgesloten op 12 juni 2006, op 31 augustus 2006 werd de definitieve prijs vastgesteld op basis van de op deze datum afgesloten rekeningen. Op 31 augustus 2006 werd ook een addendum ondertekend met wijzigingen aan de overeenkomst van 12 juni 2006.
De kostprijs van de diensten verleend door KBC S. maakt deel uit van de algemene kosten van eiseres. Eiseres heeft recht op aftrek van de betaalde BTW.
Beschikkend gedeelte
V. Uitspraak
Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.
De vordering is ontvankelijk en gegrond als volgt.
De BTW, intrest en boete vastgesteld in het proces-verbaal van 11 juni 2008 zijn niet verschuldigd.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintrest.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot de kosten. Deze kosten moeten voor verweerder niet vastgesteld worden omdat zij te zijnen laste blijven en worden voor eiseres vastgesteld op 2.200,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).
Dit vonnis is uitgesproken tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de 12de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 2 maart 2012.
De zetel is als volgt samengesteld :
L. W., ondervoorzitter, alleenzetelend rechter
M. L'E., griffier.
M. L.'E. L. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.