Tekst van de beslissing
ARREST C 00/4
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 13.10.2000
Gemengde belastingplichtige
Is naar recht verantwoord het arrest dat te kennen geeft dat de aan de belastingplichtige verleende diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting en uitgesloten is dat de belastingplichtige in de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van art. 45 WBTW aanspraak op aftrek bestaat, en, op grond van deze feitelijke vaststellingen oordeelt dat de belastingplichtige geen gemengde belastingplichtige is en de toepassing uitsluit van art. 46 WBTW (1).
Noot :
(1) Cass., 20 januari 2000, A.R. C.96.0116.N, nr. 49.
C.98.390.N/1
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van de hoofdcontroleur van het BTW-Controlekantoor, wiens kantoor gevestigd is te 3690 Bree, Grauwe Torenwal 2,
eiser tot cassatie van een arrest, op 18 mei 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen,
vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te … , P.F., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
S.D. - L. P., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te …
verweerster in cassatie,
vertegenwoordigd door mr. T.D., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te … , , alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer W. en op de conclusie van advocaat-generaal G.;
Gelet op het bestreden arrest, op 18 mei 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt
schending van artikel 45, § 1, l ° van de wet van 3 juli 1969 houdende het wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde, zoals van kracht tijdens de jaren 1991 tot einde 1994, derhalve zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 1977 en, vanaf haar inwerkingtreding, de wet van 28 december 1992; van de artikelen 46, 47 en 48, § 1, van hetzelfde wetboek, eveneens in de tekst zoals van kracht tijdens dezelfde periode; in bijkomende orde, schending van de artikelen 1, 12 en 13, telkens zoals van kracht tijdens dezelfde periode en bijgevolg met inachtneming van de koninklijke besluiten van 31 maart 1978 en, vanaf het in werking treden ervan, van 29 december 1992 en 28 november 1994, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde; bovendien schending van artikel 2 van de Eerste Richtlijn van de Raad, van 11 april 1967, betreffende de harmonisatie van de wetgeving van de Lid-Staten inzake omzetbelasting, Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, 14 april 1967, en van de artikelen 17, §2, en 5, alsook 18 tot en met 20 van de Zesde Richtlijn van de Raad, van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde uniforme grondslag, Publicatieblad 13 juni 1977,
doordat, het arrest, op de overwegingen : "dat (eiser) niet betwist dat de deelname aan de wedstrijden plaatsvond als promotie voor de verkoop van paarden; dat deelname aan wedstrijden en het behalen van prijzen inderdaad een wijze is om de paarden bekendheid te doen krijgen en de verkoopwaarde ervan te verhogen; dat het deelnemen aan wedstrijden en het ontvangen van prijzengelden, ongeacht de bedragen, aldus kaderen in en dienen ter bevordering van de uitoefening van de economische activiteit van paardenhandel en dekstation en daar één geheel mee vormt zodat zij voor de totaliteit onderworpen zijn aan de BTW; dat er te dezen dus geen sprake is van twee soorten handelingen waarvan zowel artikel 46 BTW-Wetboek als artikel 17, 5° van de Richtlijn gewag maken, namelijk, enerzijds handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat en, anderzijds andere handelingen";
en op die gronden beslist dat verweerster een volledig recht op aftrek van de voorbelasting heeft, verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster gegrond, veroordeelt eiser om aan verweerster te betalen de som van 2.031.710 BEF, meer de wettelijke interesten, en verleent aan verweerster voorbehoud voor de ondertussen reeds ingehouden bijkomende bedragen,
terwijl naar luid van artikel 45, §1, van het wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde (hierna Wb. BTW), het recht op aftrek enkel bestaat voor de BTW op goederen en diensten geleverd aan een belastingplichtige, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting (benevens andere gevallen, hier niet relevant);
Handelingen onderworpen aan de belasting, in de zin van deze bepaling, handelingen zijn die deel uitmaken van een productie- of distributiecyclus, uitkomende op een aan BTW onderworpen verbruiksuitgave;
Het "systeem" van de BTW, zoals deze belasting werd omschreven in de eerste richtlijn en verder uitgewerkt in de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen, en verder, in toepassing van deze richtlijnen, opgenomen in de Belgische wet van 3 juli 1969, tot bestaansregel en doel heeft, een uniforme belasting te heffen op alle consumptie-uitgaven;
Om dit doel te bereiken alle leveringen van goederen en dienstverrichtingen, gedaan door belastingplichtigen in de zin van deze wetgeving, met deze belasting worden bezwaard, en deze belastingplichtigen bovendien gerechtigd zijn op aftrek van de BTW die zij betaald hebben voor het verkrijgen van goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen;
Volgens dat stelsel de belastingplichtigen de BTW in aftrek mogen nemen, die verrichtingen bezwaart welke zich in het toepassingsveld van de BTW bevinden, en niet de andere, dit toepassingsveld zijnde te omschrijven als het geheel van de leveringen van goederen en dienstverrichtingen, gedaan door een BTW-belastingplichtige om afgewenteld te worden op een eindverbruiker;
Bovendien, voor leveringen van goederen en dienstverrichtingen die aangewend worden voor verrichtingen buiten dit toepassingsveld en daarom als niet belastbaar worden aangemerkt, de belasting blijft drukken op de laatste afnemer;
en terwijl het onderscheid tussen belastbare en andere verrichtingen, in de zin van de artikelen 45 en 46, §1, van het Wetboek van de belasting op de toegevoegde waarde, niet afhankelijk is van de vraag of de onderscheiden verrichtingen van een onderneming tot doel hebben de gezamenlijke winst van deze onderneming op te drijven, maar wel van de vraag of ze allen deel uitmaken van dezelfde productie- of distributiecyclus van goederen of diensten die op een eindconsument kunnen afgewenteld worden;
In dit opzicht de overweging, dat een activiteit die niet aan BTW onderworpen is, zou "kaderen" in een andere wel belastbare activiteit, zou dienen ter bevordering van de uitoefening ervan en daar een geheel mee zou vormen, terzake irrelevant is;
en terwijl, in een onderneming die tot voorwerp heeft paardenfokkerij en verkoop van paarden, de kostprijs voor het fokken en onderhoud van de paarden wel opgenomen wordt in de prijs betaald door de kopers van de paarden, welke prijs dan wel aan BTW ten laste van de afnemers onderworpen is, en voor deze afnemers consumptie-uitgaven uitmaken; de ontvangen prijzengelden integendeel niet aan BTW onderworpen zijn, de daartoe gedragen uitgaven tot geen consumptie leiden, en zich bijgevolg niet in het toepassingsveld van de BTW bevinden; aldus voor de ontvangsten uit prijzengelden geen enkele afwenteling van BTW naar een consument mogelijk is, en de uitgaven gedaan om deze prijzen te verkrijgen niet tot aftrek aanleiding mogen geven;
Er wordt niet betwist dat de prijzen, door verweerster ontvangen als prijzengeld ingevolge haar deelneming aan paardenwedstrijden (cfr. aanvullende conclusies in beroep voor de administratie, blz. 2) niet aan BTW onderworpen waren; de uitgaven m.n. aanwerving van goederen of betaling van diensten, die tot deze ontvangsten hebben geleid, werden dus niet gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen", zoals vereist bij artikel 45, §1, l°, Wb. BTW, en mogen bijgevolg geen recht geven op aftrek van voorbelasting,
zodat het arrest slechts met miskenning van de fundamentele regelen betreffende de belasting over de toegevoegde waarde heeft kunnen beslissen dat de BTW die verweerster gedragen heeft op de uitgaven die verband houden met haar deelname aan paardenwedstrijden of paardenwedrennen door haar in aftrek mogen gebracht worden van de BTW die zij aan de schatkist moest afdragen (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide bepalingen)
Overwegende dat, krachtens artikel 45, §1, l°, BTW-wetboek, het recht op aftrek bestaat voor de belasting over de toegevoegde waarde op goederen en diensten geleverd aan de belastingplichtige, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen;
Dat wanneer de belastingplichtige in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van de BTW-wetboek aanspraak op aftrek bestaat, de recuperatiemogelijkheid evenredig wordt gereduceerd op de wijze bepaald bij artikel 46 van hetzelfde wetboek;
Dat aldus, in beginsel, alleen in aftrek mag worden gebracht de belasting geheven op de aan de betrokkene geleverde goederen en verleende diensten, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting;
Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat
1. verweerster een paardenhandel en dekstation voor paarden uitbaat, en dat de paarden, die als dekhengsten of koopwaar worden gebruikt, ook getraind en uitgebracht worden in wedstrijden en dat er prijzen worden mee gewonnen;
2. deelname aan wedstrijden en het behalen van prijzen een wijze is om de paarden bekendheid te doen krijgen en de verkoopwaarde ervan te verhogen;
Dat het arrest aldus te kennen geeft dat het deelnemen aan wedstrijden en het ontvangen van prijzengelden, ongeacht de bedragen, een onderdeel was van de economische activiteit van paardenhandel of paardenfokkerij, zodoende dat de aan verweerster verleende diensten in verband met de deelname aan paardenwedstrijden gebruikt werden voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting en uitgesloten is dat verweerster in de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 BTW-wetboek aanspraak op aftrek bestaat;
Dat het arrest dat op grond van deze feitelijke vaststellingen oordeelt dat verweerster geen gemengde belastingplichtige is en de toepassing uitsluit van artikel 46 BTW-wetboek, de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet schendt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van zesduizend achthonderd en een frank jegens de eisende partij en op de som van vijfduizend zevenhonderd zevenenzeventig frank jegens de verwerende partij.
Aldus door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend uitgesproken.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.