lid 1De aftrek wordt toegepast op de belasting over de toegevoegde waarde die door de belastingplichtige verschuldigd is over het tijdvak waarin het recht op aftrek is ontstaan.
lid 2Wanneer tijdens het aangiftetijdvak het af te trekken bedrag meer bedraagt dan dat van de verschuldigde belasting ter zake van de door de belastingplichtige verrichte leveringen en diensten, wordt het overschot waarvoor geen teruggaaf is gevraagd overeenkomstig artikel 76, § 1, ingeschreven op de Provisierekening btw..
lid 3De Koning bepaalt het minimumbedrag dat op de Provisierekening btw kan worden ingeschreven.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
1Rechtspraak
16België
14Hof van CassatieF.15.0101.F09.02.2018
Belastingplichtige gehouden tot het indienen van btw-kwartaalaangiften
Hof van CassatieF.14.0206.N02.09.2016
Recht op aftrek, Historische BTW, Verkrijging van een bedrijfsmiddel
Europese Unie
2Het Hof legt de richtlijn uit die dit artikel omzet.
Hof van JustitieC-286/9418.12.1997
Werkingssfeer, recht op aftrek van BTW
Administratieve doctrine
1228 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.
Opeenvolgende versies
2 versies eerste op 01.01.1971| Van kracht | Wijziging | Bron |
|---|---|---|
| 01.02.2025van kracht | het 2° lid wordt vervangen en het artikel wordt aangevuld met een lid | W 12.03.2023, B.S. 23.03.2023 |
| 01.01.1971 | het artikel werd ingevoerd | W 03.07.1969 |