Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.12.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent - 5e kamer
Nr.2005/AR/263 en Nr. 2005/AR/264
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging van de administratie van de invordering, sector BTW, in de persoon van de BTW-ontvanger te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. S. L., advocaat te …, ….
tegen :
GILSON NV,
Met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mevr. T. R. en mr. B. C., beiden advocaat te …, ….
Spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 31 januari 2005 werd door de Belgische Staat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 30 november 2004 (A.R. 03/2185/A) waarbij het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 5 november 1991 door J. D., ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 november 1991 door L. D., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, en ter kennis gebracht op 13 november 1991 bij aangetekend schrijven, werd ingewilligd, dit ter invordering van volgende sommen met betrekking tot het vierde kwartaal 1986 :
- BTW … BEF (… EUR)
- Taks op luxeproducten … BEF (… EUR)
- Wettelijke boete … BEF (… EUR)
- Intresten p.m.
- Kosten p.m.
(zaak nr. 2005/AR/264).
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 31 januari 2005 werd door de Belgische Staat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 30 november 2004 (A.R. 03/2184/A) waarbij het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 6 februari 1992 door J. D., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11 februari 1992 door L. D., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, en ter kennis gebracht op 18 februari 1992 bij aangetekend schrijven, werd ingewilligd, dit ter uitvoering van volgende sommen met betrekking tot de jaren 1987, 1988, 1989, 1990 en 1991 (tot 31 juli 1991) :
- BTW … BEF (… EUR)
- Taks op luxeproducten … BEF (… EUR)
- Wettelijke boete … BEF (… EUR)
- Intresten p.m.
- Kosten p.m.
(zaak nr. 2005/AR/263).
Het hoger beroep van de Belgische Staat strekt er toe de bestreden vonnissen teniet te doen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vorderingen van de NV G. af te wijzen als ontvankelijk en toelaatbaar doch niet gegrond. Tevens als ontvankelijk en toelaatbaar doch niet gegrond. Tevens te zeggen voor recht dat het dwangbevel van 5 november 1991 en 6 februari 1992 uitvoerbaar verklaard op 7 november 1991 en 11 februari 1992, regelmatig en gegrond is en dat de volgens deze dwangbevelen verschuldigde sommen opeisbaar zijn.
De geïntimeerde vordert na samenvoeging van beide zaken, het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en dienvolgens de bestreden vonnissen te bevestigen, minstens de dwangbevelen van 5 november 1991 en van 6 februari 1992 te vernietigen, te zeggen voor recht dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn, terugbetaling te bevelen van alle bedragen die op het dwangbevel werden ingehouden en betaald, te vermeerderen met de moratoriuminteresten en in ondergeschikte orde de opgelegde BTW-boete t.b.v. 200 % te willen kwijtschelden, minstens deze te herleiden, kosten ten laste van de appellant.
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
Feitelijke gegevens
Op 7 augustus 1991 verrichtte de Administratie der Douane en Accijnzen een huisvisitatie bij de NV F. en in de private woning van J. G., dit in aanwezigheid en met technische bijstand van de ambtenaren van de BBI. Tijdens deze huiszoekingen werden een aantal documenten in beslag genomen. De huiszoekingen gebeurden op grond van een melding van de Franse Douanedirectie aan hun Belgische collega’s.
Op 19 december 1991 zou de Administratie der Douane en Accijnzen overeenkomstig artikel 210 van de AWDA aan de Inspectie van de BBI hebben medegedeeld dat uit het nazicht van de in beslag genomen stukken bleek dat vermoedelijk ook inzake de BTW-wetgeving en op het vlak van de inkomstenbelasting overtredingen werden begaan m.b.t. de jaren 1985 t.e.m. 1991.
Op 5 november 1991 werd een eerste dwangbevel uitgevaardigd door J. D., Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 november 1991 door L. D., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, en ter kennis gebracht op 13 november 1991 bij aangetekend schrijven, dit ter invordering van volgende sommen met betrekking tot het vierde kwartaal 1986;
- BTW … BEF (… EUR)
- Taks op luxeproducten … BEF (… EUR)
- Wettelijke boete … BEF (… EUR)
- Intresten p.m.
- Kosten p.m.
Het proces-verbaal met bijlagen werd opgesteld op 22 oktober 1991.
Op 4 februari 1992 werd een tweede proces-verbaal opgemaakt, gevolgd door een dwangbevel uitgevaardigd op 6 februari 1992 door J. D., Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11 februari 1992 door L. D., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, en ter kennis gebracht op 18 februari 1992 bij aangetekend schrijven, dit ter invordering van volgende sommen met betrekking tot de jaren 1987, 1988, 1989, 1990 en 1991 (tot 31 juli 1991) :
- BTW … BEF (… EUR)
- Taks op luxeproducten … BEF (… EUR)
- Wettelijke boete … BEF (… EUR)
- Intresten p.m.
- Kosten p.m.
Daaruit bleek dat door de NV G. extracomptabele agenda’s werden bijgehouden waarin de ontvangsten van de diverse verkooppunten werden genoteerd. Wanneer de cijfers vergeleken worden met de aangegeven omzet in de BTW-aangiften werden belangrijke verschillen vastgesteld.
Naast dit fiscaal onderzoek werd ook nog een strafrechtelijk onderzoek gevoerd ten laste van de NV G. en haar zaakvoerder J. G.. Zowel in eerste aanleg als in graad van beroep werd bevestigd dat het onderzoek door de ambtenaren van de douane met technische bijstand van de BBI-ambtenaren rechtsgeldig gebeurde. Tevens werd geoordeeld dat fraude bewezen was. Het correctioneel arrest van het Hof van Beroep te Gent heeft de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard voor niet nader bepaalde bedragen.
Bij gebrek aan vrijwillige betaling werden de hiervoor vermelde dwangbevelen uitgevaardigd waartegen door de geïntimeerde verzet werd aangetekend. In de verzetsakte werd voorgehouden dat de bewijsvoering niet gebeurde volgens de regels en dat er zowel machtsoverschrijding en machtsafwending was gebeurd door de douaneambtenaren. De eerste rechter volgt de conclusies van de geïntimeerde en doet het dwangbevel dat op 6 februari 1992 werd uitgevaardigd te niet.
In het bestreden vonnis werd geoordeeld dat de vraag tot overlegging van het ganse strafdossier overbodig is dan wel ongegrond omdat het correctioneel arrest een rechtsgeldig bewijsmiddel vormt. De grief met betrekking tot het onwettig bekomen van het bewijsmateriaal en/of schending van artikel 93quaterdecies BTW-Wet werd afgewezen.
De eerste rechter beslist verder dat het gezag van gewijsde in strafzaken alleen geldt voor dat wat zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist. Hij verwijst naar het arrest in strafzaken en bestempelt de periode van 1 oktober 1986 tot 31 juli 1991 als nog nader te bepalen. Volgens de eerste rechter is het niet mogelijk te bepalen welke de exacte bedragen zijn waarvoor in de periode van 1 januari 1987 tot 31 juli 1991 BTW en speciale taks verschuldigd is. Omdat ook het proces-verbaal van 4 februari 1992 niet volstaat om de exacte cijfers van de schuld aan de Belgische Staat vast te stellen weigert de eerste rechter aan dat PV de bijzondere bewijswaarde te verbinden.
In zijn beroepsakte voert de Belgische Staat aan dat door te stellen dat de omvang van de BTW-schuld voor de periode van 1 januari 1987 tot 31 juli 1991 niet bewezen is, de eerste rechter het gezag van gewijsde van het correctioneel attest van het Hof van Beroep van 26 juni 1997 miskent.
De kwijtschelding van de BTW-schuld is flagrant in strijd met de beschikkingen van het correctioneel arrest. Tenslotte schendt de eerste rechter artikel 59, § 1, tweede lid BTW-Wet.
Beoordeling
Nopens de samenvoeging
Deze procedure (2005/AR/263) met betrekking tot het dwangbevel ter navordering voor de jaren 1987, 1988, 1989, 1990 en tot 31 juli 1991 vertoont nauwe samenhang met de procedure m.b.t het uitgevaardigde dwangbevel voor het vierde kwartaal 1986. Daar het een gelijkaardige procedure (2005/AR/264) tussen dezelfde partijen betreft gesteund op dezelfde achterliggende gegevens en met dezelfde grondslag van betwisting lijkt het aangewezen met beide zaken samen te voegen.
Nopens de grond van de zaak
De burgerlijke rechter is slechts gebonden door datgene wat de strafrechter noodzakelijk, zeker en hoofdzakelijk heeft beslist. Uitgaande van de vaststelling dat J. G. en de NV G. onder meer werden vervolgd wegens niet aangifte van ontvangsten inzake BTW moet uit het arrest van 26 juni 1997 worden afgeleid dat de ten laste gelegde feiten bewezen werden verklaard weze het voor niet nader bepaalde bedragen. De taxatiediensten hebben zich gesteund op geschriften die minutieus werden bijgehouden en waaruit een grondige kennis en opvolging blijkt van de dagelijkse gang van zaken.
Het standpunt van de geïntimeerde komt hierop neer dat volgens jaar het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van Beroep van 26 juni 1997 inhoudt dat de navordering vernietigd moet worden gelet op de willekeurige begroting daarvan. Dit arrest van 26 juni 1997 heeft de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard voor een niet nader bepaald bedrag en niet voor het in de dagvaarding weerhouden bedrag, zowel voor wat de BTW-inbreuken aangaat als wat de inbreuken op de vennootschapsbelasting betreft.
Blijkens de motivering van dit arrest kunnen uit de voorliggende stukken de exact verschuldigde bedragen niet worden gedetecteerd. Aldus stelt het arrest van 26 juni 1997 letterlijk :
“De aanslagen zijn arbitrair gevestigd en maken het voorwerp uit van een bezwaar. Het behoort de fiscale rechter de juiste bedragen vast te stellen”.
In ditzelfde arrest wordt ook nog gemotiveerd m.b.t. het bedrieglijk opzet dat dit laatste bewezen voorkwam hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat de omzet en de verkopen in notaboekjes werden opgetekend welke afzonderlijk werden gehouden en niet in officiële controleerbare bestanden werden gehouden. Verder stelt dit arrest dat :
“de aangiften in de inkomstenbelastingen ervan getuigen dat een zeer belangrijk gedeelte van de inkomsten niet werd aangegeven met de kennelijke bedoeling de belasting te ontduiken, nu een belangrijk deel van de omzet niet werd aangegeven terwijl anderzijds geschriften minutieus werden bijgehouden waaruit blijkt een grondige kennis en opvolging blijkt van de dagelijkse gang van zaken”.
Uit voormelde bewoordingen blijkt noodzakelijk dat de geïntimeerde strafrechtelijk werd veroordeeld voor met bedrieglijk opzet gepleegde inbreuken op de BTW-wetgeving en de vennootschapsbelasting en dat het behoort aan de fiscale rechter de juiste bedragen vast te stellen. Het strafrechtelijk gezag van gewijs geldt dus wel t.a.v. de appellant behoudens voor wat de bedragen betreft, waarvan de bepaling van de hoegrootheid overgelaten wordt aan de fiscale rechter. Gelet op de hangende bezwaarschriften is de door de strafrechter gegeven oplossing een techniek die moet verhinderen dat er tegenspraak zou komen te ontstaan tussen de beslissing van de fiscale rechter op burgerlijk vlak en die van de strafrechter. In dit verband is het de appelrechter in strafzaken niet ontgaan dat alles werd opgetekend in notaboekjes buiten de officieel controleerbare bestanden die minutieus werden bijgehouden waaruit een grondige kennis en opvolging blijkt van de dagelijkse gang van zaken. Alleen reeds de gebruikte terminologie (minuticus, grondige kennis en opvolging) geeft een oordeel over de waarde van de agenda’s.
Volgens de geïntimeerde blijft de appellant nog steeds in gebreke het bedrag aan verschuldigde BTW te bewijzen. Algemeen wordt aanvaard dat de bijzondere bewijswaarde die artikel 59, § 1 W.BTW heeft, beperkt is tot de materiële vaststellingen en niet tot de gevolgtrekkingen die uit deze vaststellingen worden getrokken. De werkelijke omzet blijkt uit het verschil tussen de verkopen ingeschreven in de jaarlijkse agenda’s en ontvangsten aangegeven in de periodieke aangiften.
Wat de weerhouden bedragen aangaat, zoals deze door de fiscale rechter moesten worden begroot, zijn deze uiteindelijk tot stand gekomen door vergelijking van de “minutieus bepaalde verrichtingen” opgenomen in de agenda’s en de bedragen opgenomen in de aangiften. Van een schending van het “gezag van gewijsde” van het arrest van 26 juni 1997 is er geen sprake. Immers de beslissing over de bedragen werd overgelaten aan de burgerlijke rechter. De omstandigheid dat de strafrechter de term willekeurig heeft gebruikt heeft enkel betrekking op de betichting B en heeft niet voor gevolg dat de zin “de aanslagen zijn arbitrair gevestigd” gedekt is door het strafrechtelijk gewijsde.
De appelrechter zetelend in correctionele zaken heeft de uitspraak over de te betalen BTW aan de fiscale rechter overgelaten. Welnu door de ambtenaren werd op een grondige wijze een analyse gemaakt van de agenda’s die in beslag werden genomen en die zonder twijfel de omzet van de diverse verkooppunten weergeven. Niets belet het Hof, zetelend in fiscale zaken, zijn oordeel te vormen over de in beslag genomen agenda’s.
De berekening van de ontdoken BTW gebeurde in het PV van 4 februari 1992. Dit PV levert het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat de burgerlijke rechter zetelend in fiscale zaken niet gehouden is door het arrest in correctionele zaken van 26 juni 1997 wat dit aspect betreft. Behoudens dit argument worden de cijfermatige gegevens niet op enige manier weerlegd. De weerhouden cijfers in dit PV moeten bij gebrek aan nadere betwisting worden aanvaard.
De geïntimeerde is van oordeel dat de opgelegde administratieve boete een strafsanctie is in de zin van artikel 6.1 EVRM. Zij verwijst hierbij naar de criteria aangegeven door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 25.5.1999 (Pas. 1999, I, nr. 307 p. 739; vergelijk ook met Cass. 26.6.2000, Pas. 2000, nr. 401, p. 1179 en met Cass. 11.3.2002, Pas. 2002, nr. 174 p. 701). Desbetreffend vraagt de geïntimeerde de kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde boete en verwijst daarop naar het feit dat de heer G. ook reeds als afgevaardigde beheerder van de NV G. werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en … BEF boete. Het Hof van Cassatie oordeelde :
“Overwegende dat een administratieve sanctie inzake belasting een strafsanctie kan zijn in de zin van de artikelen 6 EVRM en 13 IVBRP;
Overwegende dat om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belasting dergelijk karakter heeft moet nagegaan worden of ze 1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft. 2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt. 3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen. 4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is. 5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan; dat, indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, de administratieve sanctie inzake belasting als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen moet worden beschouwd;”
Het Europees Hof van de Rechten van de Mens van zijn kant oordeelt dat, om te bepalen of een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM voorhanden is, rekening moet gehouden worden met drie criteria; de in het nationale recht aan de inbreuk gegeven kwalificatie, de aard van de inbreuk, de aard en de zwaarte van de sanctie die de betrokkene het risico loopt te ondergaan. Het Europees Hof voegt er aan toe dat het gaat om alternatieve en niet om cumulatieve criteria (zie o.m. EVRM dd. 11.1.2007, inzake de Mamidakis tegen Griekenland, cijfer 20, en de aldaar aangehaalde rechtspraak, vind plaats : www.echr.moe.int. Zie ook : Arbitragehof, 157/2002 dd. 6.11.2002 cijfer B.5.2).
Te dezen moet worden vastgesteld dat het nalaten een aangifte te doen in de BTW en de vennootschapsbelasting zwaar bestraft wordt, nl. met een boete gelijk aan 200 % van de BTW, hetzij eens … BEF (… EUR) hetzij eens … BEF (… EUR). Tevens werd de boete niet verminderd daar er een oogmerk was om belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (artikel 1 laatste lid van het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde).
Indien dergelijk zware boete wordt voorzien in het BTW-wetboek en het KB nr. 41 voor dergelijke feiten, dan is het evident zowel om de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen (vergelijk ook met Arbitragehof 24.2.1999, nr. 22/99, cijfer B.9, www.arbitragehof.be ). De vermelde boetes worden opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is en dergelijke feiten begaat.
In deze omstandigheden dient te worden aanvaard dat de opgelegde administratieve boete een strafsanctie is in de zin van artikel 6.1 EVRM. Van een schadevergoedende functie is hierbij geen sprake.
Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van een dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester’s Horeca Service t/ België, cijfer 26, www.echr.coe.int. ). Dit houdt in dat de rechtsmacht de macht heeft om de bestreden beslissing op alle punten te hervormen en bevoegdheid moet hebben om zich te buigen over alle voor het geschil pertinente kwesties in feite en in rechte (zelfde arrest, cijfer 27; EHRM, dd. 18.7.2006, Colson tegen Frankrijk, cijfer 22; EHRM, dd. 13.2.2003, Chevrol tegen Frankrijk, cijfer 77 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, www.echr.coe.int.) .
Het moet evenwel worden opgemerkt dat de Belgische wet noch aan de administratie noch aan de rechter te dezen de mogelijkheid biedt om de boete om redenen van opportuniteit of billijkheid te verminderen of kwijt te schelden.
Wel moet aangenomen worden dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde administratieve boete. Het Hof vermag de boete te toetsen aan de ten opzichte van de wet hogere rechtsnorm, hier het evenredigheidsbeginsel uit het Gemeenschapsrecht (vergelijk met Cass. 24.01.2002, Pas. 2002, nr. 51 p. 226 en met Cass. 21.01.2005, rolnr. C020572N, www.cass.be; vergelijk ook met Cass. 16.2.2006, rolnr. C040094N, www.cass.be; en met Arbitragehof 24.2.1999, nr. 22/99, cijfer B.12, www.arbitragehof.be; en met onder meer EHRM, dd. 11.1.2007, inzake de Mamidakis tegen Griekenland, cijfer 44; EHRM, dd. 5.7.2001, Philips tegen Verenigd Koninkrijk, cijfer 51; EHRM, dd. 26.9.1995, Diennet tegen Frankrijk, cijfer 34; EHRM, 28.10.2003, Stone Court Shipping Company tegen Spanje, cijfer 35; allen met vindplaats : www.chr.coe.int;).
Het is niet in ernst te betwisten dat de geïntimeerde de ontduiking van de belasting heeft mogelijk gemaakt, zodat de herleiding conform de schalen vastgelegd in de bijlagen bij het K.B. nr. 41 niet van toepassing zijn (artikel 1 laatste lid van het K.B. nr. 41) en de verschuldigde boete naar artikel 70, § 2 BTW-Wetboek derhalve 200 % van de BTW bedraagt.
Een geldboete van respectievelijk … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR) is totaal onevenredig met de begane inbreuk. Een dergelijke boete is buitensporig en zou het bestaan van de geïntimeerde wel eens in het gedrang kunnen brengen. Zulke sanctie is niet in redelijkheid te rechtvaardigen ten aanzien van de begane inbreuken.
In acht genomen deze gegevens moeten de dwangbevelen vernietigd worden in de mate waarin dit een redelijke sanctie van … EUR aan boete te boven gaat.
Bovendien moet rekening worden gehouden met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem dat bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden gestraft voor dezelfde feiten. Een samenloop van strafsancties en administratieve sancties met een strafkarakter is principieel mogelijk. Dit belet niet dat de feitenrechter facultatief de vroegere veroordelingen in zijn beoordeling mag betrekken. Te dezen werd de heer G. als gedelegeerd bestuurder van zijn NV veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van … BEF. Bij de begroting van de sanctie op … EUR werd rekening gehouden met voormelde veroordeling.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Voegt de zaken gekend onder de rolnummers 2005/AR/263 en 2005/AR/262 samen en er in één arrest over beslissend.
Ontvangt de hogere beroepen en verklaart deze gedeeltelijk gegrond.
Doet de bestreden vonnissen teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vorderingen van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart.
Verklaart deels gegrond het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 6 februari 1992 door J. D., Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11 februari 1992 door L. D., Inspecteur van de BTW te Brugge, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, en ter kennis gebracht op 18 februari 1992 bij aangetekend schrijven. Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 5 november 1991 eveneens gedeeltelijk gegrond.
Vernietigt dit dwangbevel enkel wat de administratieve geldboete betreft in de mate waarin de beide dwangbevelen samen een hoger bedrag van … EUR aan boeten vaststelt.
Beveelt de terugbetaling aan de geïntimeerde van het eventueel krachtens het dwangbevel teveel betaalde of ingehoudene, meer de moratoire intrest en de gerechtelijke moratoire intrest overeenkomstig artikel 91, § 3 BTW-Wetboek.
Zegt dat elke partij haar eigen kosten in beide aanleggen zal dragen.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op DRIEËNTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT.
Aanwezig de Heren :
A.D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T., Raadsheer,
J. G., Plaatsvervangend Raadsheer,
M. V., Griffier.
M. V. J. G. G. T. A. D. M.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.