Fiscale geldboeten, Belastingverhoging, rechtsbeginsel non bis in idem · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 13 februari 2018

Zoeken

Fiscale geldboeten, Belastingverhoging, rechtsbeginsel non bis in idem

https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-belastingverhoging-rechtsbeginsel-non-rechtbank-brussel-2018-02-13-b06c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
13 februari 2018

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

87 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 13.02.2018

WF 702-15-09/027116

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – fiscale geldboeten – Inkomstenbelastingen – Belastingverhoging – rechtsbeginsel non bis in idem

Wetgeving

Btw-Wetboek: artikel 70, § 1

WIB 1992: artikel 444

International verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten: artikel 14.7

Aanvullend protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden: artikel 4.1

Algemeen rechtsbeginsel non bis in idem

Samenvatting

Voorafgaande feiten en procedure

Belastingplichtige was het voorwerp van een gezamenlijke controle inzake directe belastingen en btw. De inkomsten aangegeven door belastingplichtige inzake personenbelasting, werden gewijzigd voor de aanslagjaren 1994 tot 1996. De omzetcijfers die in aanmerking genomen werden door de diensten van de directe belastingen werden vergeleken met de omzetcijfers die belastingplichtige had opgenomen in zijn periodieke btw-aangiften voor de kalenderjaren 1993 tot 1995. De verhoging van de omzetcijfers inzake btw werd opgenomen in een proces-verbaal. Er werd een proportionele geldboete opgelegd ten belope van 20% van de ontdoken btw die werd geëist.

Inzake inkomstenbelasting werd geen belastingverhoging toegepast voor het aanslagjaar 1994 en die voor het aanslagjaar 1995 werd door een directoriale beslissing verminderd. Het aanslagjaar 1996 werd bestraft met een belastingverhoging van 50%, maar ook deze verhoging werd verminderd door de directoriale beslissing van 7 maart 2001. Bovendien heeft de rechtbank te Brussel in het vonnis van 16 april 2008, RG/6982/A deze belastingverhoging vernietigt omdat ze in strijd is met artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houden fiscale bepalingen. Het bericht van wijziging bevat immers geen motivatie inzake de intentie om de belasting te ontwijken.

Belastingplichtige vroeg de rechtbank om overeenkomstig non bis in idem-beginsel de geldboete inzake btw te vernietigen.

Vonnis

1.Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem – dat ook gewaarborgd wordt door artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politiek rechten, mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak reeds is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken .

Volgens rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens waarnaar de rechter verwijst, wordt het beginsel van non bis in idem geschonden wanneer eenzelfde persoon, nadat hij reeds werd veroordeeld of vrijgesproken voor bepaalde handelingen, opnieuw wordt vervolgd voor dezelfde handelingen voor inbreuken die gestoeld zijn op dezelfde essentiële elementen. Dit is niet het geval wanneer het doorslaggevend element van de twee strafbaarstellingen verschillend is.

2.In onderhavig geval moet belastingplichtige niet enkel aantonen dat eenzelfde handeling, met name het ontbreken van aangiften van belastbare inkomsten, waarvoor hij reeds werd vervolgd, het voorwerp uitmaken van nieuwe vervolgingen, maar bovendien moet hij aantonen dat de essentiële elementen van de inbreuken die hem worden verweten identiek zijn.

Dit bewijs wordt niet geleverd voor de eerste twee aanslagen omdat de inbreuk op het WIB 92 niet werd gesanctioneerd.

De rechter analyseert vervolgens de aanslag voor het jaar 1996. Op basis van de rechtspraak van respectievelijk, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof, is hij van oordeel dat het gedrag van belastingplichtige het onderwerp was van twee vervolgingen met een strafrechtelijk karakter. De eerste voor inbreuken op de bepalingen van het WIB 92, de tweede voor inbreuken op de bepalingen van het btw-wetboek.

In onderhavig geval stelt de rechtbank vast dat de essentiële elementen van de inbreuken die belastingplichtige worden verweten niet dezelfde zijn.

De toepassing van een belastingverhoging van 50% veronderstelt het bestaan van een specifieke intentie, met name een intentie om te frauderen of een oogmerk om te schaden. De strafbepaling voorzien in artikel 70, § 1 van het btw-wetboek vereist daarentegen geen specifiek moreel aspect . De eenvoudige nalatigheid, zelfs ter goeder trouw, is voldoende voor om deze strafbepaling toe te passen.

Derhalve kon in deze omstandigheden het non bis in idem- beginsel niet worden geschonden.

Opmerkingen

1.Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen (BS, 20 augustus 1986, p. 11.408; btw-revue, september 1986, nr. 73, p. 254 bepaalt dat: “Telkens wanneer een belastingsadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en geeft de motieven op die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen”.

Deze bepaling is van toepassing voor de belastingverhogingen voorzien in artikel 444 WIB 92 (Arbitragehof, nr. 48/2001, 18 april 2001).

2.De Brusselse rechter citeert artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dat bepaalt dat niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Artikel 4.1 van het aanvullend Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden bepaalt dat niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.

Deze twee verdragen zijn door de Belgische wet goedgekeurd.

In haar arrest van 17 februari 2015, P.14.1509.N (www.juridat.be) geeft het Hof van Cassatie aan dat het algemene rechtsbeginsel non bis in idem dezelfde draagwijdte heeft dan de verdragsbepalingen.

3.Merk evenwel op dat het Hof van Cassatie in haar voornoemd arrest van 17 februari 2015 van mening is dat uit deze bepalingen en dit algemene rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon. Volgens dit arrest moet onder identieke of substantieel dezelfde feiten worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. De rechter oordeelt onafhankelijk of de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen identiek of substantieel dezelfde zijn.

4.Het vonnis van de rechtbank te Brussel is in kracht van gewijsde gegaan.

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance francophone de Bruxelles du 13 février 2018

Rôle : 2002/4193/A

EN CAUSE DE:

Monsieur A. G., domicilié à …, …, demandeur, représenté par M C. S . dont le cabinet est sis à …, …,

CONTRE:

L'ETAT BELGE, Service Public Fédéral Finances, poursuites et diligences de Monsieur le Conseiller-Général, Directeur du Centre PME de Bruxelles 2, dont les bureaux sont établis à 1000 Bruxelles, boulevard du Jardin Botanique, 50, bte 3408, défendeur, comparaissant personnellement en les personnes de Mr A. B. I., attaché,

En cette cause, tenue en délibéré le 15 janvier 2018, le tribunal rend le jugement suivant.

Vu les pièces de la procédure et notamment :

- la requête contradictoire et ses annexes, déposées le 11 avril 2002, pour M. G.;

- l'ordonnance prononcée, le 13 septembre 2016, sur le fondement de l'article 747 § 1 du Code judiciaire;

- les conclusions déposées pour M. G.;

- les conclusions de synthèse déposées par l'Etat belge;

Entendu les conseils des parties en leurs dires et moyens à l'audience publique du 15 janvier 2018;

I. OBJET DU LITIGE

L'opposition à contrainte, introduite par requête contradictoire du 11 avril 2002, telle que modifiée par voie de conclusion, tend à l'annulation de l'amende proportionnelle de 20 % d'un montant de … € mise à charge de M. G. par le receveur a.i. du bureau de recette TVA de Bruxelles I le 20 février 2002, visée et rendue exécutoire le 28 février 2002 et signifiée le 26 mars 2002, à augmenter des intérêts de retard depuis le 27 mars 2002 et des frais de recouvrement.

M . G. sollicite également la condamnation de l'Etat belge aux dépens, en ce compris le montant de l'indemnité de procédure non liquidée.

L'Etat belge conclut à l'absence de fondement de l'opposition à contrainte.

L'opposition à contrainte, régulière en la forme, est recevable.

Il. DISCUSSION

1. Les revenus déclarés par M. G. à l'impôt des personnes physiques ont été rectifiées pour les exercices d'imposition 1994 à 1996 (années 1993 à 1995).

Consécutivement à ces rectifications, l'administration de la TVA a régularisé la situation de M. G. en cette matière et lui a réclamée un montant de TVA non déclaré de … €.

Le procès-verbal de régularisation du 3 octobre 2001 met également à charge de M. G. une amende proportionnelle de … € correspondant à 20 % de la TVA éludée.

2. Au stade actuel de la procédure, M. G. ne conteste plus le montant de TVA qui lui est réclamé. Il demande au tribunal de bien vouloir annuler l'amende mise à sa charge dès lors que celle-ci constituerait la sanction d'un comportement pour lequel il a déjà été condamné. L'amende serait donc contraire au principe non bis in idem.

En l'espèce, M. G. affirme que l'administration de l'impôt sur le revenu a déjà appliqué des accroissements (même si ces derniers ont été annulés) de sorte que l'administration de la TVA ne pourrait pas le sanctionner une nouvelle fois pour les mêmes faits.

3. L'Etat belge précise, sans être contredit, qu'aucun accroissement d'impôt n'a été appliqué pour les exercices d'imposition 1994 et 1995. L'amende TVA ne peut donc pas constituer une seconde sanction d'un même comportement délictueux.

En ce qui concerne l'exercice d'imposition 1996, l'administration avait bien appliqué un accroissement d'impôt de 50 % lequel a été annulé au stade de la procédure judiciaire dès lors que la preuve de l'intention frauduleuse n'était pas rapportée.

Selon l'Etat belge, dès lors que les infractions au C.I.R. 1992 et au code TVA n'ont pas la même base légale, le principe non bis in idem ne pourrait pas être appliqué.

4. En vertu du principe général de droit non bis in idem, garanti également par l'article 14.7 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques, nul ne peut être poursuivi ou puni une deuxième fois en raison d'une infraction pour laquelle il a déjà été acquitté ou condamné par un jugement définitif « conformément à la loi et à la procédure pénale de chaque pays ».

Le principe non bis in idem est violé lorsqu'une même personne, après avoir été déjà condamnée ou acquittée en raison d'un comportement, est à nouveau poursuivie, en raison du même comportement, pour des infractions dont les éléments essentiels sont identiques (CEDH, 29 mai 2001, Franz Fischer c. Autriche, §§ 25-27; CEDH, 7 décembre 2006, Hauser-Sporn c. Autriche, §§ 42-46).

En revanche, le principe non bis in idem n'est pas violé lorsque les éléments essentiels des deux infractions ne sont pas identiques. Il en est ainsi lorsque l'élément moral des deux incriminations diffère (CEDH (décision), Ponsetti et Chesnel c. France, du 14 septembre 1999; CEDH (décision), Rosenquist c. Suède, du 14 septembre 2004).

Pour se prévaloir du principe non bis in idem, M. G. doit démontrer qu'un même comportement, en l'espèce l'absence de déclaration de revenus imposables, pour lequel il a déjà été poursuivi fait l'objet de nouvelles poursuites. Il doit également démontrer que les éléments essentiels des infractions qui lui sont reprochées sont identiques.

5. Cette preuve n'est pas rapportée en ce qui concerne les exercices d'imposition 1994 et 1995 puisque l'infraction au C.I.R. 1992 n'a pas fait l'objet d'une sanction. L'administration de la TVA pouvait donc sanctionner ce même comportement par une amende proportionnelle fondée sur l'article 70 § 1er du Code de la TVA, réduite conformément à l'A.R. n° 41 du 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée.

6. Par contre, en ce qui concerne l'exercice d'imposition 1996 (soit l'année de revenu 1995), M. G. a été sanctionné par un accroissement d'impôt de 50 %.

En vertu de la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l'homme, l'amende proportionnelle visée à l'article 70 § 1er du Code de la TVA et l'accroissement d'impôt visé à l'article 444 du C.I.R. 1992 pourraient être considérés comme une sanction pénale visée à l'article 6.1 de la Convention européenne des droits de l'homme si elle a un caractère pénal selon la qualification en droit interne ou s'il ressort de la nature de l'infraction, à savoir sa portée générale et le caractère préventif et répressif de la sanction, qu'il s'agit d'une sanction pénale ou encore s'il ressort de la nature et de la sévérité de la sanction subie par l'intéressé qu'elle a un caractère punitif et donc dissuasif (CEDH (grande chambre), 23 novembre 2006, Jussila c. Finlande).

Selon la jurisprudence de la Cour de Cassation, tel est le cas lorsque l'amende administrative « -1) concerne sans distinction tous les contribuables et non uniquement un groupe déterminé doté d'un statut particulier, -2) prescrit un comportement déterminé et prévoit une sanction en vue de son respect, -3) ne concerne pas seulement une réparation pécuniaire d'un préjudice mais tend essentiellement à sanctionner afin d'éviter la réitération d'agissements similaires, -4) se fonde sur une norme à caractère général dont le but est à la fois préventif et répressif, -5) est très sévère eu égard à son montant» (V. Sepulchre, « Les droits de l'homme et les droits fondamentaux .. ", R.G.C.F, 2009/6, p. 559; Voyez également: M. M. et C. S., « Le contrôle judiciaire des sanctions fiscales, R.G.C.F., 2008/3, p. 240 et svtes).

La Cour Constitutionnelle a jugé que « Les amendes fiscales prévues à l'article 70, § 1er, alinéa 1er, du Code de la TVA ont pour objet de prévenir et de sanctionner les infractions commises par tous les redevables, sans distinction aucune, qui ne respectent pas les obligations imposées par ce Code. Elles ont donc un caractère répressif et sont de nature pénale au sens de l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme » (C. Const, 6 novembre 2008, arrêt n° 157/2008). Elle a précisé, le 27 mars 2014, que le même raisonnement valait vis-à-vis des accroissements d'impôt (arrêt n° 55/2014).

Le comportement de M. G. a donc fait l'objet de deux poursuites à caractères pénales, la première pour infraction aux dispositions du C.I.R. 1992, la seconde pour infraction aux dispositions du code de la TVA

7. En l'espèce, le tribunal constate que les éléments essentiels des infractions reprochées à M. G. ne sont pas identiques.

En effet, l'application d'un accroissement d'impôt de 50 % suppose l'existence d'un dol spécial consistant en une intention frauduleuse ou un dessein de nuire alors que la sanction prévue par l'article 70 § 1er du Code de la TVA ne requiert pas d'élément moral particulier (la simple négligence, même de bonne foi, justifie l'application de la sanction).

Dans ces conditions, le principe non bis in idem ne peut pas être violé.

8. La demande n'est pas fondée.

9. Dans la mesure où il succombe, M. G. doit être condamné à supporter les dépens de l'instance.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

Le tribunal,

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935, sur l'emploi des langues en matière judiciaire,

Statuant contradictoirement;

Déclare la demande recevable mais non fondé;

En conséquence,

En déboute M. G.;

Condamne le demandeur aux dépens de l'instance et constate l'absence de dépens à liquider dans le chef de l'Etat belge.

Ainsi jugé et prononcé par la 36ème chambre du tribunal de première instance francophone de Bruxelles composée de M. R. L., juge, avec l'assistance de Mme C., greffier délégué, à l'audience publique du 13 février 2018.

Signatures

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 705 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8