Factuur, Verhuur onroerend goed, Kwijtschelding huur · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 25 februari 2002

Zoeken

Factuur, Verhuur onroerend goed, Kwijtschelding huur

https://juriel.be/nl/rechtspraak/factuur-verhuur-onroerend-goed-kwijtschelding-rechtbank-brugge-2002-02-25-6888

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
25 februari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

49 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 25.02.2002

Factuur - Verhuur onroerend goed - Kwijtschelding huur

Een BTW-belastingplichtige was huurder van een gebouw. Op een bepaald ogenblik doet zij voor een belangrijk bedrag verbeteringswerken aan dit gebouw. Voor de verbeteringswerken die niet slaan op het door haar gebruikte deel, maakt zij een beperkte factuur (zonder aanrekening van BTW) op aan de verhuurder van het gebouw. Later, wanneer de BTW-belastingplichtige in financiële moeilijkheden verkeerd, krijgt zij van de verhuurder van het gebouw kwijtschelding van huur. De betrokkenen stellen dat dit ingegeven was om de BTW-belastingplichtige van het faillissement te redden. De BTW-administratie en de rechtbank zijn echter van oordeel dat de kwijtschelding van huur een indirecte terugbetaling is van de voormelde verbeteringswerken en dat hiervoor een factuur moet worden uitgereikt. De BTW die hierop verschuldigd is, is in hoofde van de verhuurder niet aftrekbaar, aangezien deze kosten betrekking hebben op de onroerende verhuur, een van BTW vrijgestelde activiteit zonder recht op aftrek.

Vierde kamer

Allenrechtsprekend rechter: Dhr. Haemers Nicolas

E.a. adjunct-griffier: Mevr. Lhoest Nathalie

Partij: NV Stijlmeubelfabriek De Lelie t. De Belgische Staat

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 4 juli 2000.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 28 januari 2002.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1 Eiseres is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 405.123.666, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van meubelfabriek.

Op 15 december 1998 werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 maart 1995 tot 28 februari 1997.

Door de controlerende ambtenaren werd op 17 december 1999 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 4 mei 2000 werd door de eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW., een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 8 mei 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Lucien Van Wassenhove , eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 24 mei 2000 bij deurwaardersexploot betekend aan eiseres.

2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig is en zonder gevolg. In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de rechtbank de opgelegde boete van 175.000,- Bf. nietig en zonder gevolg verklaart.

Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op in totaal 20.255,- Bf., zijnde 7055,- Bf. dagvaardingskosten en 13.200,- Bf. rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 13.200,- Bf. rechtsplegingsvergoeding. Tenslotte stelt verweerder dat eiseres in ieder geval de dagvaardingskosten dient te dragen.

III. BEOORDELING

3.1 Nopens de grond van de zaak

3.1.1. Op 6 april 1989 heeft eiseres een huurovereenkomst gesloten met de NV Fibrinvest met betrekking tot een industrieel complex gelegen te 8210 Zedelgem, Leliestraat, 12, voor de duur van 30 jaar en tegen betaling van een jaarlijkse huurprijs van 1.569.823,- Bf..

Van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995 heeft eiseres met eigen personeel aan bovenvermeld gehuurd goed investeringswerken verricht voor een bedrag van 4.910.486,- Bf.

Eiseres maakte op 18.09.1995 aan zichzelf een stuk op met nummer 47119951318. De verschuldigde BTW ten bedrage van 711.450,- Bf. werd in aftrek gebracht en deze werken werden in de boekhouding uitgedrukt onder de post «materiële en vaste activa, inrichting magazijn».

Het deel van de werken dat geen betrekking had op de inrichting van het magazijn, doch betrekking had op de gebouwen werd doorgefactureerd aan de eigenaar van het gehuurd onroerend goed, de NV Fibrinvest bij factuur de dato 4.12.1995 met nummer 9033/1995/424 en dit voor een bedrag van 754.419,- Bf. zonder BTW. Deze factuur vermeldt als omschrijving: «doorgerekende kosten van onderhoud en herstelling gebouwen».

In 1996 werd door de NV Fibrinvest kwijtschelding van huur verleend aan eiseres voor een bedrag van 4.185.689,- Bf. Dit bedrag werd door eiseres geboekt als «andere uitzonderlijke opbrengsten».

3.1.2. Eiseres stelt dat zij midden de jaren '90 met ernstige financiële moeilijkheden kampte en de NV Fibrinvest een aantal steunmaatregelen had uitgewerkt om eiseres van het faillissement te redden, De voormelde steunmaatregelen bedroegen in totaal in het jaar 1996 4.940.723,- Bf. en in het jaar 1997 18.279.363,- Bf. In 1996 bestond de financiële steun onder meer uit een bedrag van 755.034,- Bf., afkomstig van de NV Megamax en een kwijtschelding van huur door de NV Fibrinvest ten bedrage van 4.185.689,- Bf. In 1997 bestond de steunmaatregel uit diverse terbeschikkingstellingen van gelden of kwijtscheldingen door de verbonden ondernemingen. Eiseres stelt dat zij zonder deze steunmaatregelen hopeloos failliet was gegaan.

Zij stelt verder dat verweerder niet het bewijs levert dat de huur werd kwijtgescholden als tegemoetkoming voor de uitgevoerde inrichtingswerken. De steunmaatregelen die in hun geheel moeten bekeken worden, tonen immers geen enkel verband aan, noch qua bedragen, noch qua tijdstip, noch qua motief met de in 1995 uitgevoerde inrichtingswerken aan het magazijn. De toegekende steunmaatregelen zijn volgens eiseres enkel ingegeven om eiseres van het faillissement te redden.

3.1.3. Verweerder stelt daarentegen dat de kwijtschelding van huur ter waarde van 4.185.689,- Bf. die toegekend is eind 1996, moet beschouwd worden als een indirecte terugbetaling van voormelde inrichtingswerken ad 4.910.486,- Bf.

3.1.4. De rechtbank stelt vast dat de BTW op de investeringswerken aan het kwestieus gebouw aftrekbaar zijn wanneer zij worden verricht door en voor rekening van de huurster (eiseres). Deze BTW is echter niet aftrekbaar wanneer deze werken zijn verricht door of voor rekening van de verhuurster de NV Fibrinvest, aangezien de verhuur van uit hun aard onroerende goederen op grond van artikel 44, § 3, 20 WBTW vrijgesteld is van de belasting en de verhuurster derhalve deze gemaakte kosten gebruikt voor het verrichten van vrijgestelde handelingen.

De beslissing van eiseres om deze belangrijke investeringswerken uit te voeren aan het gehuurde gebouw is, gelet op haar zeer precaire financiële situatie, zeer merkwaardig wanneer zij, zoals zij zelf stelt, er in 1995 nog van uitging dat zij de achterstallige huur van 1994 ten bedrage van 1.046.571,- Bf evenals de latere huur nog ging moeten betalen. Haar initiatief tot deze verbouwing wijst er dan ook op dat er van in het begin een intentie bestond tot kwijtschelding, temeer daar er op geen enkel ogenblik enig initiatief werd genomen of afspraken werden gemaakt met betrekking tot de terugbetaling van de huurachterstallen en met betrekking tot de termijn waarbinnen dit moest gebeuren. Dat de toegekende steunmaatregelen enkel dienden om eiseres van het faillissement te redden is niet geloofwaardig nu eiseres voldoende in haar toekomst geloofde en dienovereenkomstig investeringen verrichtte.

Te dezen dient ook besloten dat de door NV Fibrinvest kwijtgesholden huur, als een terugbetaling van de door de huurster (eiseres) gedane kosten dient te worden aangemerkt. Het is duidelijk dat de huurder (eiseres) de door haar gedane kosten geheel of gedeeltelijk in de een of de andere vorm terugbetaald kreeg door de eigenaar of hoofdhuurder, de NV Fibrinvest. Bijgevolg heeft eiseres, bij toepassing van artikel 20 WBTW, aan de NV Fibrinvest een dienst verstrekt in de mate waarin de gedane werken door deze laatste werden vergoed. Bijgevolg moet de huurder (eiseres) aan de NV Fibrinvest een factuur uitreiken volgens de gewone regels. De maatstaf van heffing is de vergoeding in geld of, bij ontstentenis daarvan, de normale waarde van de tegenprestatie. In casu werd de maatstaf van heffing dan ook terecht bepaald op het bedrag van de door de N.V. Fibrinvest kwijtgescholden huur, zijnde 4.185.689,- Bf.

3.2 Nopens de vermindering of kwijtschelding van de boete

3.2.1. Eiseres stelt ondergeschikt dat de opgelegde boete van 175.000,- Bf. als ongegrond dient verworpen te worden aangezien zij niet in evenredigheid is met de begane overtreding.

3.2.2. Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 WBTW de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

De rechtbank dient deze grondwetsconforme interpretatie toe te passen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd, doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Daarenboven verleent de wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken de dato 23 maart 1999 uitdrukkelijk aan de bevoegde rechtsmachten de bevoegdheid om de opportuniteit van de fiscale geldboeten en verhogingen te beoordelen.

3.2.3. De proportionele fiscale boete werd overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, V van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 bepaald op 20% van het bedrag van de verschuldigde belasting.

De verschuldigde geldboete werd dientengevolge vastgesteld op 20% van 878.995, Bf., zijnde 175.000,- Bf.

3.2.4. De rechtbank stelt vast dat de begane overtreding, nl. het niet opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde aangiften, ernstig is en het algemeen belang schade toebrengt. Eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van een dergelijke fiscale geldboete. Bovendien is de fiscale geldboete evenredig met de gepleegde inbreuken.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 327,22 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtplegingsvergoeding.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 201 voorkomen
WBTW art. 441 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 851 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8