Controlebevoegdheid, inzage rechtsdossier, recht op toegang, dwangbevel, geldboete, neutraliteitsbeginsel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 15/338/A 21 maart 2016

Zoeken

Controlebevoegdheid, inzage rechtsdossier, recht op toegang, dwangbevel, geldboete, neutraliteitsbeginsel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/controlebevoegdheid-inzage-rechtsdossier-recht-toegang-rechtbank-brugge-2016-03-21-a076

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Rolnummer
15/338/A
Datum
21 maart 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

98 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 21.03.2016 (15/338/A)

WF 708-15-14/028242

Belasting over de toegevoegde waarde - controlebevoegdheid - inzage rechtsdossier - recht op toegang - dwangbevel - geldboete - neutraliteitsbeginsel

Wettelijke bepalingen

art. 60, 63 en art. 70, § 1 WBTW, art. 93quaterdecies § 1 WBTW

art. 47sexies § 1 Sv

Samenvatting

De belastingplichtige is ingeschreven als btw-belastingplichtige voor de activiteit van café-uitbating. Het café werd bevoorraad door een drankencentrale waartegen een gerechtelijk onderzoek geopend werd. Op 01 september 2010 werd aan de BBl toelating verleend tot inzage van het strafdossier. Na controle werden de overtredingen en vaststellingen voor de periode van 23 april 2008 (aanvang van de activiteit) tot 31 december 2009 is opgenomen in een proces-verbaal. Volgens de administratie heeft de drankencentrale haar leveringen van drank aan het café slechts gedeeltelijk gefactureerd. Op basis van dit proces-verbaal werd een dwangbevel uitgevaardigd.

De rechter oordeelt dat de belastingplichtige ten onrechte meent dat de observaties in strijd zijn met art. 47sexies § 1 Sv. Het fiscaal onderzoek kan niet worden vereenzelvigd met het strafonderzoek, onder meer omdat de finaliteit van beide onderzoeken wezenlijk verschillend is. De vaststellingen van de administratie gebeurden op basis van art. 63 WBTW. Het betwiste dwangbevel is trouwens niet gebaseerd op deze observaties. Er werd ook geen wettelijke bepaling overtreden bij de inzage en kopiename van het strafdossier.

Op basis van bekende feiten is rechtsgeldig het bewijs geleverd dat belastingplichtige meer leveringen heeft ontvangen dan geboekt. Er is geen sprake van willekeur of opeenstapeling van vermoedens.

De caféhouder meent dat het neutraliteitsbeginsel geschonden is omdat de drankencentrale reeds btw heeft betaald op de leveringen. Ten onrechte, stelt de rechter, het betreft niet dezelfde btw. Enerzijds is btw verschuldigd op de leveringen van de drankencentrale en anderzijds is btw verschuldigd op de diensten van het café aan zijn klanten. Door het fraudesysteem, opgezet door de drankencentrale, werd de keten van inning en afdragen van btw doorbroken.

Uit de omstandigheden blijkt dat de caféhouder gehandeld heeft met het oogmerk te schaden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een onevenredige geldboete van 200%. Deze boete heeft een bestraffend karakter. Er is dan ook geen sprake van schending van art. 1 van het Eerste aanvullend protocol van het EVRM.

(gunstig voor de administratie)

Standpunt tegenpartij

Voorziening in hoger beroep

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge

dd. 21.03.2016

(15/338/A)

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid H.B., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer … eiseres, hebbende als raadsman meester M.M, advocaat, met kantoor te …,

tegen

De BELGISCHE STAAT Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van Fiscaliteit, Ondernemingen- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, en in de persoon van de ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, ter zitting vertegenwoordigd door de heer. L.V., adjunct fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de Fiscaliteit, KMO Brugge Expertise, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, en de heer D.L., attaché bij een fiscaal bestuur.

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift de dato 05 februari 2015.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 29 februari

2016.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de activiteit van café-uitbating. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres bevoorraadt zich bij de drankenhandel nv C.D., met maatschappelijke zetel te…. Lastens deze drankenhandel (e.a.) werd een gerechtelijk onderzoek geopend. Op 01 september 2010 werd aan de BBI Brugge toelating verleend tot inzage van het strafdossier.

Na een controle bij eiseres worden door R.R., fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW en ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit controlecentrum Brugge, op 23 december 2013 de overtredingen en vaststellingen voor de periode van 23 april 2008 (aanvang van de activiteit) tot 31 december 2009 in hoofde van eiseres opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW. Volgens de administratie heeft de drankencentrale nv C.D.haar leveringen van drank aan eiseres slechts gedeeltelijk gefactureerd op naam van eiseres. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 5.025,00 EUR, als geldboete 10.050,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2010.

Op 17 maart 2014 wordt op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel wordt op 19 maart 2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M.T., adviseur-gewestelijk directeur a.i. Dit dwangbevel wordt betekend aan eiseres op 21 mei 2014.

Op 05 juni 2014 wordt door eiseres bezwaar ingediend. Dit bezwaar wordt afgewezen bij beslissing de dato 14 november 2014.

Tegen het dwangbevel wordt fiscaal verhaal aangetekend door eiseres met een verzoekschrift de dato 05 februari 2015.

2. Eiseres vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- het dwangbevel de dato 17 maart 2014 nietig wordt verklaard;

- minstens verweerder bij toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek wordt bevolen alle stukken in verband met de fiscale controle en het onderzoek bij nv C.D. in het geding te brengen;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen die werden geïnd, te verhogen met de moratoriumintresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.210,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Regelmatigheid van het onderzoek

Het betwiste dwangbevel is mede gesteund op een onderzoek dat werd gevoerd bij nv C.D. Verweerder ontkent niet dat in het kader van het onderzoek bij nv C.D. ‘observaties' zijn gebeurd bij klanten van nv C.D.

Ten onrechte stelt eiseres dat de observaties gebeurd zijn in strijd met artikel 47sexies §1 Sv. Het fiscaalonderzoek kan niet worden vereenzelvigd met het strafonderzoek, onder meer omdat de finaliteit van beide onderzoeken in wezen verschillend is. De vraag van eiseres om alle stukken in verband met het onderzoek bij nv C.D. voor te leggen, gaat uit van de verkeerde premisse dat deze vaststellingen observaties zijn in de zin van de artikelen 47sexies en volgende Sv. De door de opsporingsdiensten gedane vaststellingen gebeurden in het onderzoek ter attentie van nv C.D. en met toepassing van artikel 63 W.BTW. Door de opsporingsdienst werden dergelijke vaststellingen niet gemaakt ter attentie van eiseres. Het betwiste dwangbevel is trouwens niet gebaseerd op deze observaties.

Er is geen enkele reden om verweerder te bevelen om stukken betreffende de observaties neer te leggen. De observaties zijn niet gebeurd ten aanzien van eiseres. Evenmin is er reden om de akkoordverklaring met nv C.D. neer te leggen.

2. Kennisname van het strafdossier

Vast staat dat de administratie van de BBI op 01 september 2010 van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, na een officiële aanvraag van 25 augustus 2010, toelating verkregen heeft tot inzage en kopiename van het strafdossier. De toelating zelf werd door verweerder bij zijn stukken gevoegd (stuk 18 van verweerder).

Hoe de administratie juist kennis heeft gekregen van het bestaan van het strafdossier blijkt niet uit de toelating tot inzage, maar uit de besluiten van eiseres zelf blijkt dat vóór 25 augustus 2010 in de media er reeds berichten verschenen waren over het strafdossier. Uit niets blijkt dat de administratie inzage heeft gehad in de stukken van het strafdossier vóór de toelating van 01 september 2010. Het feit dat de gewestelijk directeur op 25 augustus 2010 mogelijk het notitienummer van het strafdossier kende, bewijst niet dat hij op die datum reeds inzage zou gehad hebben in de stukken van het strafdossier. Artikel 327 § 1, tweede lid WIB 1992 heeft enkel betrekking op de inzage van de stukken en niet op de mededeling vanwege de betrokken diensten dat er dergelijke stukken bestaan (zie ook Cass. 23 april1998, Arr. Cass. 1988,457; Cass. 17 november 2006, F.J.F. 2008/73). Hetzelfde geldt voor artikel 93quaterdecies §1, derde lid W.BTW. Van belang voor de toepassing van artikel 327 WIB 1992 en van artikel 93quaterdecies W.BTW is dat de administratie alleen inzage mag krijgen in de stukken van het strafdossier nadat daartoe een toelating is verleend door de procureur-generaal, wat in casu het geval is. Het feit dat uit het dossier niet blijkt hoe de administratie juist kennis heeft gekregen van het bestaan van het strafdossier, schendt de 0rechten van verdediging van eiseres niet. Verweerder is evenmin verplicht om het verzoek tot toelating bij zijn stukken te voegen.

De toelating van de procureur-generaal wordt gegeven aan de door de gewestelijk directeur van de BBI, directie Gent, aan te duiden ambtenaren van de bevoegde administraties. Er bestaat geen bepaling dat de toelating door de procureur-generaal moet verleend worden aan een welbepaalde ambtenaar. Welke ambtenaar juist werd gemachtigd door de gewestelijk directeur blijkt niet uit de stukken die door verweerder werden voorgelegd. Uit niets blijkt evenwel dat inzage van het strafdossier zou genomen zijn door een niet bevoegde ambtenaar. Er is dan ook geen bewijs dat de rechten van verdediging van eiseres zouden geschonden zijn.

Er werd dan ook geen wettelijke bepaling overtreden bij de inzage en kopiename van het strafdossier en het gebruik van de bekomen gegevens uit het strafdossier.

3. Rechten van verdediging

In het proces-verbaal de dato 23 december 2013 worden vermeld de vaststellingen gedaan in het gerechtelijk dossier van nvC.D., de vermelding in het eindverslag van cvba I-Force (gerechtsdeskundige) en wordt de niet-aangegeven omzet voor de gecontroleerde periode gedetailleerd berekend. Verder wordt verwezen naar de boekhouding van eiseres zelf. Als bijlagen zijn (onder andere) toegevoegd een kopie van alle leveringsbonnen en een gedetailleerde berekening van de meeromzet.

Verweerder is niet verplicht om elk stuk dat in het proces-verbaal wordt vermeld als bijlage te voegen. Verweerder heeft de vaststellingen gedetailleerd beschreven en de niet aangegeven omzet gedetailleerd berekend.

Tijdens de gerechtelijke procedure heeft verweerder neergelegd onder andere het proces-verbaal de dato 14juli 2008 en het deskundigenverslag van cvba I-force.

De rechtbank merkt ook op dat eiseres zich tegen de inbreuken die haar ten laste worden gelegd, had kunnen verdedigen door zelf de nodige stukken voor te leggen, in bijzonder de leverings-bonnen die zij heeft ontvangen. Overeenkomstig artikel 60 W.BTW is eiseres verplicht deze leveringsbonnen bij te houden en voor te leggen. Bovendien werden de originele papieren versies van de bestelbonnen ook niet bewaard door nv C.D..

De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder alle stukken die nodig zijn en die hij moest neer-leggen voor het beoordelen van het geschil, heeft neergelegd. De rechten van verdediging van eiseres zijn dan ook geenszins geschonden.

4. Bewijs meeromzet

Een mogelijk bewijsmiddel zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW).

Voor vermoedens stelt artikel 1349 Burgerlijk Wetboek: "Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit". Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

Bekende feiten zijn dat eiseres in de betreffende periode klant is bij nv C.D., er een strafdossier bestaat tegen nv C.D., de elektronische gegevens op de computers van nv C.D., het feit dat er een analyse van de gegevens is gebeurd door firma I-force, de verschillen tussen de leveringsbonnen en de op naam van eiseres gefactureerde goederen, de vergelijking tussen het aangerekende leeggoed en het teruggenomen leeggoed (er wordt meer teruggenomen dan aangerekend) en eiseres geen leveringsbonnen voorlegt.

Al deze materiële vaststellingen zijn opgenomen in het proces-verbaal van 23 december 2013. Deze vaststellingen hebben een bijzondere bewijswaarde. Deze materiële vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel (artikel 59 §1 W.BTW).

Uit het dossier blijkt dat de meeromzet is gebaseerd op de vaststellingen dat er verschillen zijn tussen de leveringsbonnen op naam van eiseres en de door eiseres geboekte facturen.

De taxatie is dus niet enkel gebeurd op basis van de boekhouding van nv C.D.

Verweerder geeft zeer gedetailleerd de verschillen weer en berekend zeer gedetailleerd de meeromzet. Op de niet in de boekhouding opgenomen aangekochte hoeveelheden wordt de toepasselijke verkoopprijs van de gecontroleerde jaren toegepast.

De rechtbank stelt vast dat op de facturen en de leveringsbonnen telkens de naam van eiseres is vermeld, maar dat de leveringsdatum die is vermeld op de factuur niet overeenstemt met de leveringsdatum op de corresponderende leveringsbon (niet originele papierenversie). Uit het verslag van I-force blijkt dat, gezien het gebruikte boekhoudpakket, het niet mogelijk is de originele data van de leveringsbonnen te achterhalen. De deskundigen stellen vast dat de systeemdatum 1 dag vooruitloopt op de werkelijke datum en dit komt doordat op de leverdatum de datum van de computer wordt overgenomen. Omdat door nv C.D. de leveringsbonnen steeds de dag vóór de levering werden afgedrukt werd de systeemklok 1 dag verschoven. Verder blijkt uit. het verslag dat de leveringsbonnen door de deskundigen werden aangeleverd op 10 juni 2010, 18 juni 2010 en 12 oktober 2010. Later werden nog leveringsbonnen op CD gezet op 06 oktober 2011 door de bevoegde ambtenaar van de 5de BBI te Brugge bij nv C.D.. Om deze aanneembare reden komt de datum op de leveringsbon niet overeen met de datum op de corresponderende factuur. Via de leveringsdatum op de leveringsbon (niet originele papieren versie) kan dus geen link gelegd worden naar een factuur. De rechtbank neemt er ook nota van dat door nv C.D. de originele papieren versies van de leveringsbonnen (met de correcte leveringsdatum) niet werden bewaard.

Uit de stukken blijkt dat nv C.D.voor de leveringsbonnen en de facturen telkens een oplopende nummering gebruikte. Het is blijkbaar wel zo dat verschillende leveringen werden gegroepeerd in 1 factuur voor sommige klanten. Verder blijkt dat voor de eerste factuur op naam van eiseres een leveringsbon op naam van eiseres met het laagste bonnummer overeenkomt, dat voor de tweede factuur op naam van eiseres een leveringsbon met het tweede laagste bonnummer overeenkomt, en zo verder. Voor de laatste factuur op naam van eiseres kom de leveringsbon met het hoogste bonnummer overeen. Wanneer de goederen op deze respectievelijke leveringsbonnen en facturen worden vergeleken, blijken de soort geleverde goederen overeen te komen.

Uit een aantal leveringsbonnen blijkt dat de goederen geleverd werden bij café H.D., zijnde de café gelegen naast de café die door eiseres wordt uitgebaat. Reeds uit de vermelding 'leveren in H.D.' op een leveringsbon op naam van eiseres blijkt op zich dat de goederen niet bestemd zijn voor café H.D. maar wel voor eiseres.

Uit het dossier blijkt ook dat de verschillen tussen levering en facturatie zeer gedetailleerd werd bij gehouden door nv C.D.. De leverancier heeft geen enkel belang bij deze detaillering (die veel werk meebrengt) op naam van eiseres als de niet gefactureerde leveringen op naam van eiseres niet correct zouden zijn.

Op basis van bekende feiten is derhalve rechtsgeldig het bewijs geleverd door een vermoeden dat eiseres in de periode van 23 april 2008 tot 31 december 2009 meer leveringen heeft ontvangen van nv Creve Drinks dan werd gefactureerd op naam van eiseres en geboekt door eiseres. De brutowinst die door eiseres niet werd aangegeven, is berekend op basis van de niet gefactureerde leveringen die blijken uit de vergelijkingen en met toepassing van de toepasselijke verkoopprijs in de periode. Er is geen sprake van willekeur en/of opeenstapeling van vermoedens.

5. Neutraliteitsbeginsel

Eiseres stelt dat het neutraliteitsbeginsel is geschonden doordat nv C.D. reeds BTW heeft betaald op de betreffende leveringen.

Het betreft evenwel niet dezelfde BTW. Enerzijds is er BTW verschuldigd op de leveringen die door nv C.D. gebeurd zijn aan eiseres en anderzijds is er BTW verschuldigd op de leveringen door eiseres aan haar klanten. Door het fraudesysteem opgezet door nv C.D. en eiseres werd de keten van inning en afdragen van BTW doorbroken.

6. Geldboete

Een administratieve boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit het proces-verbaal de dato 23 december 2013 blijkt dat tijdens de gecontroleerde periode eiseres talloze malen meer goederen heeft ontvangen van nv C.D. dan werden gefactureerd op haar naam. Eiseres heeft hierbij actief meegewerkt aan het fraudesysteem dat werd opgezet door nv C.D.. Uit de omstandigheden en uit de omvang van de vastgestelde overtredingen, blijkt dat eiseres gehandeld heeft met het oogmerk de BTW te ontduiken.

De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 200% is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.

De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.

Eiseres vraagt een geldboete met uitstel. Zelfs indien de rechtbank in de mogelijkheid zou zijn om dit uitstel te verlenen, geeft eiseres geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Eiseres heeft gedurende een periode goederen geleverd gekregen zonder dat deze werden gefactureerd op haar naam.

Eiseres heeft voldoende mogelijkheden gehad om een tegenbewijs te leveren en de opgelegde geldboete te betwisten en dit ook vóór het inleiden van de gerechtelijke procedure. Eiseres heeft ook de mogelijkheid gehad en gebruikt om het dwangbevel te betwisten bij de rechtbank. Niet bewezen wordt dat verweerder het betwiste dwangbevel reeds definitief heeft ingevorderd of dat eiseres door bewarende beslagen onherstelbaar nadeel heeft geleden.

De geldboete werd opgelegd bij toepassing van de artikelen 70 §1 en 84, derde lid W.BTW, zijnde grondwetsconforme bepalingen die door de Belgische Staat overeenkomstig zijn soevereine belastingbevoegdheid werd uitgevaardigd. De bepalingen zijn onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, berusten op uitzonderlijke omstandigheden en beantwoorden aan dwingende motieven van algemeen belang. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen sprake is van een onevenredige geldboete. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol van het E.V.R.M.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1°lid Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op nul euro (€ 0,00).

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op éénentwintig maart tweeduizend zestien.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 631 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8