Bijzondere regeling tabaksfabricaten, strafrechtelijke veroordeling, strafrechtelijk karakter btw-geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 28 mei 2019

Zoeken

Bijzondere regeling tabaksfabricaten, strafrechtelijke veroordeling, strafrechtelijk karakter btw-geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-tabaksfabricaten-strafrechtelijke-hof-van-beroep-antwerpen-2019-05-28-51b6

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
28 mei 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

188 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 28.05.2019

[Gunstig voor de Belgische Staat]

WF 711-15-09/057989

Belasting over de toegevoegde waarde – bijzondere regeling tabaksfabricaten – strafrechtelijke veroordeling – strafrechtelijk karakter btw-geldboete – ‘non bis in idem’ -beginsel – incidenteel beroep

Wettelijke bepalingen

W.Btw : Art. 58, § 1 en art. 70, § 1

Art. 4 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM en art. 50 Handvest Grondrechten EU

Samenvatting

1)Voorafgaande feiten en procedure voor de strafrechter

Ambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen stelden na controle en proces-verbaal van 18 februari 2003 bij belastingplichtige het onwettige bezit en vervoer vast, van sigaretten die niet met Belgische fiscale bandjes waren bekleed.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt werd belastingplichtige voor dit feit, samen met anderen schuldig bevonden als dader of mededader. Hij werd veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijns. Strafrechtelijk werd hem opschorting van de uitspraak van veroordeling gedurende een termijn van drie jaar toegekend.

In pv van 9 september 2004 stelde de btw-administratie op basis van het pv van 2003 (supra) vast dat, aangezien accijns opeisbaar was geworden, eveneens bewezen was dat btw verschuldigd en opeisbaar was geworden. Tegen het daaropvolgend dwangbevel werd door belastingplichtige (eiser in eerste aanleg en hoger beroep) een vordering in rechte gesteld voor de rechtbank te Hasselt.

2)Procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

In het kader van deze procedure werd aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld in verband met de grondwettelijkheid van de bijzondere regeling voor tabaksfabricaten, volgens art. 58, § 1 WBTW). (zie samenvatting Fisconet, arrest van 3 maart 2016, arrest nr. 37/2016).

Het Hof oordeelde dat de wet zelf de essentiële elementen van de belasting bepaalt en dat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg bestaanbaar is met art. 170 van de Grondwet.

In het eindvonnis oordeelde de eerste rechter dat, aangezien de accijns verschuldigd was wegens onwettig bezit en verkoop van sigaretten zonder Belgische fiscale bandjes, de btw, zoals berekend in het pv van 9 september 2004 verschuldigd was.

Voor wat de boete betreft en de toepassing van het ‘non bis in idem’ -beginsel, oordeelde de rechter dat de btw-boete inderdaad een strafrechtelijk karakter had en dat de feiten waarvoor eiser strafrechtelijk werd veroordeeld substantieel dezelfde feiten betreffen. Het ‘non bis in idem’ -beginsel was geschonden zodat de geldboete in toepassing van art. 70, § 1 WBTW niet verschuldigd was. De Belgische Staat werd veroordeeld tot terugbetaling van de boete.

3)Procedure voor het hof van beroep te Antwerpen

In hoger beroep vordert eiser de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die op grond van het dwangbevel werden geïnd en om de Belgische Staat te veroordelen tot alle gerechtskosten.

De Belgische Staat vordert bij incidenteel beroep het vonnis te hervormen in de mate dat werd beslist dat de geldboete bij toepassing van art. 70, § 1 WBTW niet verschuldigd is.

a)'Non bis in idem’ -beginsel

In casu bestaat er tussen partijen geen betwisting over het feit dat de geldboete van 200% inzake btw een strafrechtelijk karakter heeft. Anderzijds is er een definitieve uitspraak bij vonnis van de correctionele rechtbank. Dat hierbij geen straf werd opgelegd omwille van de verleende opschorting doet hierbij geen afbreuk aan het feit dat er op strafrechtelijk vlak ten aanzien van eiser, sprake is van een definitieve uitspraak, waarbij de eiser schuldig bevonden werd aan de ten laste gelegde feiten. Het ‘non bis in idem’ -beginsel is in casu principieel van toepassing. Dit algemeen rechtsbeginsel bepaalt dat een tweede strafrechtelijke berechting uitgesloten is na een eerste definitieve berechting met strafrechtelijk karakter (art. 50 Handvest Grondrechten EU).

Er is sprake van dezelfde of substantieel dezelfde feiten wanneer die een geheel van concrete feitelijke omstandigheden vormen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd, ruimte en voorwerp. Het hof stelt vast dat dezelfde feiten, het onwettig bezit van sigaretten, hebben geleid tot het desbetreffend misdrijf inzake accijnzen en het opleggen van de btw-boete.

Het beginsel ‘non bis in idem’ is in casu dan ook principieel van toepassing. Of er echter sprake is van een schending van dit beginsel, dient beoordeeld te worden in het licht van het” arrest A en B versus Noorwegen van het EHRM van 15 november 2015 (nr. 24130/11 en 29758/11)”

b) Het arrest A en B v. Noorwegen

Het EHRM oordeelde dat twee bestraffingen wel zijn toegestaan indien ze onderdelen vormen van een geïntegreerd sanctiestelsel, wanneer beide procedures en bestraffingen een coherent geheel vormen. Hiertoe dient cumulatief aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:

- het moet gaan om parallelle procedures en bestraffingen die deel uit maken van een geïntegreerd systeem (1),

- waarmee verschillende aspecten van sociaal wangedrag (2) op een voorzienbare (3) en

proportionele wijze (4) worden aangepakt.

(punt 132 van het arrest A en B v. Noorwegen: zie opmerking infra)

Daarbij moet rekening worden gehouden met de 'substantiële en temporele samenhang' van beide procedures, te beoordelen aan de hand van materiële en niet materiële elementen.

Het hof stelt vast dat de vervolging inzake accijnzen en deze inzake btw complementair zijn en elk de bestraffing van een verschillend aspect van fiscale fraude viseren, zijnde het bezit en handel van sigaretten zonder dat de vereiste accijnzen en btw werden betaald.

De dubbele vervolging was ook voorzienbaar. Er kon immers worden vastgesteld dat de sigaretten niet voorzien waren van fiscale bandjes. Uit afgelegde verklaringen bleek bovendien duidelijk dat eiser wist waarmee hij bezig was.

Aangezien het hof gerechtigd is om een administratieve sanctie met een strafkarakter te toetsen aan, onder meer, het evenredigheidsbeginsel en derhalve kan nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, waarbij ook rekening mag worden gehouden met de hoogte van reeds opgelegde sancties, is ook voldaan aan de vierde voorwaarde om te kunnen spreken van twee procedures met een substantiële samenhang.

Er bestaat ook voldoende temporele samenhang tussen beide procedures. De vaststellingen die aanleiding hebben gegeven tot de strafrechtelijke veroordeling gebeurden op 26 oktober 2001 en in de periode die daarop volgde. Op 18 februari 2003 en 5 juni 2003 werden processen-verbaal opgesteld inzake de inbreuken op de accijnswetgeving en op 9 september 2004 werd een proces-verbaal opgemaakt inzake BTW. gevolgd door een dwangbevel.

Het hof is dan ook van oordeel dat in casu sprake is van twee procedures die een coherent geheel vormen, zoals bedoeld door het EHRM in haar arrest A en B.

Er is derhalve geen sprake van een dubbele berechting door het opleggen van een geldboete inzake BTW, na de eerdere definitieve veroordeling door de correctionele rechtbank.

Er is geen reden om over te gaan tot een vermindering van de geldboete van 200% inzake btw.

Het hof hervormt het bestreden vonnis in de mate dat werd beslist dat de geldboete van art. 70, § 1 WBTW niet verschuldigd is en veroordeelt eiser tot alle gerechtskosten.

Opmerking

Punt 132 van het arrest A en B v. Noorwegen:

132. Opdat er sprake is van een coherent geheel van administratieve en strafrechtelijke procedures moet deze zowel substantieel als temporeel nauw met elkaar verbonden zijn. Voor de beoordeling kunnen de volgende niet-exhaustieve criteria in rekening gebracht worden:

– de parallelle procedures moeten complementaire doelstellingen nastreven die zowel abstract als concreet onderscheiden aspecten van de schadelijke handeling aanpakken of bestraffen;

– de samenloop van de procedures n.a.v. dezelfde schadelijke handeling moet zowel in rechte als in feite, voorzienbaar zijn (idem);

– de procedures moeten zodanig zijn ingericht dat zowel dubbele bewijsgaring als dubbele beoordeling van hetzelfde bewijsmateriaal vermeden wordt door een adequate interactie

tussen de verschillende bevoegde overheden zodat de vaststelling van feiten in de ene procedure ook in de andere procedure wordt gebruikt;1) Les faits antécédents et la procédure devant le juge pénal

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer B6, burgerlijke zaken van 28.05.2019

Rolnummer: 2017/AR/2135

V. D.. RRN …, wonende te …, … eiser in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. H. V., advocaat te …, … (referte: …) tegen het vonnis van kamer 11A van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 09 november 2017, aldaar gekend onder rolnummer …

tegen

DE BELGISCHE STAAT. in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Centrumdirecteur KMO Hasselt. met kantoor te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106, verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. S. F. loco mr. F. R., beiden advocaat te …, … (referte: …)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt van 9 november 2017, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 30 november 2017, waarbij een tijdig hoger beroep werd ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting

De betwisting betreft de BTW met bijhorende boete die gevorderd wordt van D. V. d. H. wegens het frauduleus binnenbrengen in België van 2.346.780 sigaretten van het merk Superkings en 422.000 sigaretten van het merk Regal, bestemd voor commerciële doeleinden.

1.2. Aanslag en bezwaar

Blijkens een proces-verbaal van 18 februari 2003 (stuk 1 Belgische Staat) werd door een aantal ambtenaren van de opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Genk op 26 oktober 2001 een grondige observatie verricht van de loods te …, …, … en het magazijn te …, …, ….

Er werd ook een huisvisitatie verricht te …, ….

Er werden vaststellingen gedaan en een aantal aanwezige personen werden verhoord.

Er werd onder meer vastgesteld dat er in de loods en het magazijn sigaretten aanwezig waren zonder Belgische fiscale bandjes, die ter plaatse werden verpakt, onder meer door D. V. d. H..

Er volgde een aanvullend proces-verbaal op 5 juni 2003.

In een proces-verbaal van 9 september 2004 (stuk 1 Belgische Staat) verklaarde B. H. van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controlekantoor van de BTW te Neerpelt dat hij kennis had genomen van voormelde processen-verbaal wegens het onwettig bezit en vervoer van sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes ten laste van D. V. d. H..

Uit deze processen-verbaal bleek volgens de administratie dat de heer V. d. H. zich schuldig had gemaakt aan het frauduleus binnenbrengen in België van 2.346.780 sigaretten van het merk Superkings en 422.000 sigaretten van het merk Regal, bestemd voor commerciële doeleinden.

Aangezien het volgens de ambtenaar bewezen was dat de accijns opeisbaar was geworden, was eveneens bewezen dat de BTW verschuldigd en opeisbaar was geworden.

Aldus waren volgens de administratie verschuldigd:

- Als BTW op grond van de artikelen 1, 58, 59 en 81bis W.BTW en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten: … EUR

- Als boeten op grond van artikel 70, §1 W.BTW: … EUR

- Als interesten op grond van artikel 91, §1 W.BTW: 0,8% per maand te rekenen vanaf 26 oktober 2001 over een bedrag van … EUR

Op 1 oktober 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd voor voormelde bedragen, op dat moment reeds … EUR, inclusief kosten en interesten tot 20 november 2004, bedrag te vermeerderen met de interesten aan 0,8 % per maand vanaf 26 oktober 2004 en met de moratoire interesten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van het dwangbevel en de vervolgingskosten. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 oktober 2004 en betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 22 november 2004 (stuk 2 Belgische Staat).

Bij vonnis van de correctionele rechtbank van het arrondissement Hasselt van 21 juni 2006 (stuk 4 Belgische Staat) werd onder meer D. V. d. H. plichtig bevonden aan het ten laste gelegde misdrijf van het onwettig bezit en vervoer van 496.200 sigaretten merk Superkings en 422.000 sigaretten Regal, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes en het misdrijf van het onwettig bezit van 1.852.580 sigaretten merk Superkings, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes (stuk 4 Belgische Staat). Aan D. V. d. H. werd opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar toegekend.

Hij werd vrijgesproken van de tenlastelegging bendevorming.

Hij werd solidair met een aantal andere gedaagden veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijns op gefabriceerde tabak ten belope van … EUR, de betaling van de ontdoken bijzondere accijns op gefabriceerde tabak ten belope van … EUR en de betaling van de wettelijke nalatigheidsinteresten ten belope van 9,6 % per jaar vanaf 1 maart 2003 tot op de dag van de betaling van voormelde accijns en bijzondere accijns op gefabriceerde tabak.

Hij werd veroordeeld tot een bijdrage van … EUR tot financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

Hij werd veroordeeld tot de kosten, begroot op … EUR en tot een vergoeding van … EUR.

1.3. Procedure voor de eerste rechter

Op 2 december 2004 legde D. V. d. H. een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt. Hij vorderde om zijn beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het dwangbevel van 1 oktober 2004 nietig te verklaren en de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, met veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Bij tussenvonnis van 19 maart 2015 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt de vordering ontvankelijk doch besliste ze om, alvorens uitspraak te doen over de grond van de zaak, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 58, §1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals uitgevoerd door artikel 1 van het Koninklijk besluit nummer 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabrikaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11, 170 en/of 172 van de Grondwet, in zoverre het aan de Koning de bevoegdheid delegeert om te bepalen wie tot de voldoening van de belasting ter zake van tabaksfabrikaten gehouden is ?"

De zaak werd naar de bijzondere rol verzonden en de beslissing over de kosten werd aangehouden.

Het Grondwettelijk Hof heeft deze vraag negatief beantwoord in een arrest van 3 maart 2016 (arrest nr. 37/2016) en heeft dus gezegd voor recht dat er geen schending is van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet. Door in artikel 58, §1, vijfde lid W.BTW de Koning de bevoegdheid te verlenen om het tijdstip te bepalen waarop de BTW op tabaksfabrikaten verschuldigd wordt en te bepalen wie op dat tijdstip tot de voldoening ervan gehouden is, heeft de wetgever de Koning niet gemachtigd om af te wijken van de artikelen 4 tot 8bis van het BTW-Wetboek, die bepalen wie als belastingplichtige in de zin van dat Wetboek kan worden aangemerkt. Het bepalen van het tijdstip waarop de BTW op tabaksfabrikaten verschuldigd wordt, kan volgens het Hof immers niet als een wezenlijk bestanddeel van de betreffende belasting, namelijk de aanwijzing van de belastingplichtige, worden aangemerkt. De wet bepaalt volgens het Hof zelf de essentiële elementen van de belasting, en namelijk de aanwijzing van de belastingplichtige, zodat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg bestaanbaar is met artikel 170 van de Grondwet.

In het eindvonnis van 9 november 2017 oordeelde de eerste rechter, onder verwijzing naar voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof en naar artikel 58, §1 W.BTW en artikel 1 van KB nr.13 dat het bedrag van de overeenkomstig artikel 58, §1 W.BTW berekende belasting door de schuldenaar van de accijns betaald moet worden aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns. De eerste rechter stelde vast dat in de processen-verbaal van 18 februari 2003 en 5 juni 2003 werd vastgesteld dat D. V. d. H. de accijnzen verschuldigd was wegens het onwettig bezit en verkoop van sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes. Derhalve was de BTW, zoals berekend in het proces-verbaal van 9 september 2004 dan ook verschuldigd.

Voor wat de toepassing betreft van het 'non bis in idem'-beginsel, oordeelde de eerste rechter dat de in het dwangbevel opgelegde BTW-boete van … EUR inderdaad een strafrechtelijk karakter had en hij stelde vast dat de feiten waarvoor D. V. d. H. strafrechtelijk werd veroordeeld substantieel dezelfde feiten betreffen. Het 'non bis in idem'- beginsel was volgens de eerste rechter dan ook geschonden, zodat de vordering van de belastingplichtige op dit punt gegrond was.

De vordering van D. V. d. H. werd dan ook gegrond verklaard in de mate dat voor recht werd gezegd dat de geldboete in toepassing van artikel 70, §1 W.BTW ten bedrage van … EUR niet verschuldigd was. De terugbetaling hiervan werd bevolen en de Belgische Staat werd veroordeeld tot de helft van de kosten van het geding, begroot in hoofde van D. V. d. H. op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

D. V. d. H., thans eiser in hoger beroep vordert om zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus teniet te doen en de oorspronkelijke vordering toe te wijzen. Hij vordert om dienvolgens het dwangbevel van 1 oktober 2004 nietig te verklaren en minstens de boete kwijt te schelden op grond van het adagium 'non bis in idem'. Hij vordert om de boete minstens op te leggen met uitstel of te verklaren dat er redenen zijn om een boete met uitstel uit te spreken en dan te beslissen dat de wet ongrondwettelijk is en dus niet meer mag toegepast worden en minstens de boete te herleiden tot een evenredig bedrag.

Hij vordert om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:

"Overschrijdt de Belgische Staat haar bevoegdheden verleend in artikel 395 Richtlijn 2006/112 inzake btw door in artikel 1 KB nr.13 inzake btw te bepalen dat de btw verschuldigd wordt door de schuldenaar van de accijns samen met de accijns en daardoor de btw verschuldigd verklaart door iemand die niet noodzakelijk een btw belastingplichtige is in de zin van artikel 9 en volgende van de Richtlijn 2006/112 ?"

Eiser in hoger beroep vordert verder om de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van … EUR per aanleg.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, om akte te verlenen van het ingestelde incidenteel beroep en om dit incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. De Belgische Staat vordert aldus om het vonnis van 9 november 2017 te hervormen in de mate dat werd beslist dat de geldboete bij toepassing van artikel 70, §1 W.BTW niet verschuldigd is.

De Belgische Staat vordert om te oordelen dat het niet noodzakelijk is een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie en om voor recht te zeggen dat de sommen, opgenomen in het dwangbevel van 1 oktober 2004 verschuldigd zijn en om D. V. d. H. te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR per aanleg.

2. Bespreking

2.1. Verschuldigdheid van de BTW door D. V. d. H.

2.1.1. Argumenten van eiser in hoger beroep

Volgens D. V. d. H. is hij niet gehouden tot betaling van de BTW, vermits hij geen BTW-belastingplichtige is en dus geen handelingen stelde die ressorteren onder de BTW. Hij heeft geen sigaretten gekocht of verkocht, was enkel aanwezig in een loods en fungeerde als helper bij het in- en uitladen van de sigaretten. Artikel 58, §1 W.BTW kan volgens eiser in hoger beroep geen basis vormen voor het vorderen van BTW van D. V. d. H., vermits deze bepaling enkel de basis vormt voor het bepalen van het tijdstip waarop de BTW verschuldigd wordt, maar niet van wie ze kan gevorderd worden.

Eiser in hoger beroep blijft erbij dat de belastingplichtige enkel kan bepaald worden in de wet en niet in een KB. Er is bijgevolg een strijdigheid met de artikelen 170, 172 en 105 van de Grondwet. De eerste rechter heeft volgens hem een verkeerde lezing gegeven aan het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 maart 2016. Bovendien dringt een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie zich op, vermits de vraag kan gesteld worden of de Belgische Staat in artikel 1 van KB nr.13 iemand anders dan de belastingplichtige zelfs mocht aanduiden als BTW-plichtige.

2.1.2. Wettelijke bepalingen

De artikelen 394 en 395 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (P.B., L, 347, 11 december 2006), waarin de regeling van artikel 27 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/7/EG van de Raad van 20 januari 2004 (PB L 27, blz. 44; hierna: ,,Zesde richtlijn") wordt hernomen luiden als volgt:

“Artikel 394

De lidstaten die op 1 januari 1977 bijzondere maatregelen toepasten ter vereenvoudiging van de belastingheffing of ter voorkoming van bepaalde vormen van belastingfraude of - ontwijking, mogen deze handhaven op voorwaarde dat zij de Commissie vóór 1 januari 1978 van deze maatregel in kennis hebben gesteld en onder voorbehoud dat de vereenvoudigingsmaatregelen voldoen aan de in artikel 395, lid 1, tweede alinea, omschreven voorwaarde.

Artikel 395

1.De Raad kan op voorstel van de commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of-ontwijking te voorkomen.

De maatregelen tot vereenvoudiging van de belastinginning mogen geen noemenswaardige invloed hebben op de totale belastingopbrengst van de lidstaat in het stadium van het eindverbruik.

2.(...)”

Artikel 58, §1 W.BTW luidt als volgt:

“Ten aanzien van de in België ingevoerde, in de zin van artikel 25ter verworven of geproduceerde tabaksfabrikaten, wordt de belasting geheven telkens wanneer voor die fabrikaten, overeenkomstig de wets- of verordeningsbepalingen ter zake, Belgische accijns moet worden voldaan. De belasting wordt berekend op de prijs vermeld op het fiscale bandje of indien geen prijs is bepaald, over de maatstaf van heffing van de accijns.

(...)

De Koning regelt de heffing van de belating ter zake van tabaksfabrikaten en bepaalt wie tot de voldoening ervan gehouden is.”

Artikel 1 van het Koninklijk besluit 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabrikaten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S., 31 december 1992) luidt als volgt:

“De belasting over de toegevoegde waarde op tabaksfabrikaten, tabakssurrogaten daaronder begrepen, die in België worden ingevoerd, worden verworven in de zin van artikel 25ter van het Wetboek of worden geproduceerd, is opeisbaar op hetzelfde tijdstip als de accijns.

Het bedrag van de overeenkomstig artikel 58, § 1, van het Wetboek berekende belasting wordt door de schuldenaar van de accijns betaald aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns.

Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in individuele gevallen en onder de voorwaarden door of namens hem te bepalen voor ieder geval, voor de voldoening van de belasting een termijn worden toegestaan die niet langer mag zijn dan de termijn toegestaan voor de voldoening van de accijns.”

2.1.3. D••••• V•• d•• H••••• als schuldenaar van de BTW

Bij vonnis van de correctionele rechtbank van het arrondissement Hasselt van 21 juni 2006 (stuk 4 Belgische Staat) werd geoordeeld dat onder meer D. V. d. H. plichtig was aan het ten laste gelegde misdrijf van het onwettig bezit en vervoer van 496.200 sigaretten merk Superkings en 422.000 sigaretten Regal, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes en het misdrijf van het onwettig bezit van 1.852.580 sigaretten merk Superkings, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes (stuk 4 Belgische Staat). Aan D. V. d. H. werd opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een termijn van drie jaar toegekend.

D. V. d. H. werd in voormeld vonnis solidair met een aantal andere gedaagden veroordeeld tot betaling van de ontdoken accijns op gefabriceerde tabak ten belope van … EUR, de betaling van de ontdoken bijzondere accijns op gefabriceerde tabak ten belope van … EUR en de betaling van de wettelijke nalatigheidsinteresten.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen en dat aldus de accijns definitief verschuldigd is geworden in hoofde van D. V. d. H..

Overeenkomstig artikel 58, §1 W.BTW wordt de belasting geheven telkens wanneer voor de tabaksfabrikaten, overeenkomstig de wets- of verordeningsbepalingen ter zake, Belgische accijns moet worden voldaan. Vermits D. V. d. H. blijkens de veroordeling door voormeld vonnis de accijns diende te voldoen, is in zijnen hoofde overeenkomstig artikel 58, §1 W.BTW ook de BTW verschuldigd geworden, zoals vastgesteld door de fiscale administratie in het dwangbevel van 1 oktober 2004.

Vermits D. V. d. H. overeenkomstig voormeld vonnis schuldenaar is van de accijns, is hij overeenkomstig artikel 1 van KB nr.13 tevens gehouden tot betaling van de BTW aan de ontvanger die bevoegd is voor de heffing van de accijns.

2.1.4. Strijdigheid met de Grondwet?

Zoals reeds blijkt uit wat hierboven werd uiteengezet heeft het Grondwettelijk Hof in voormeld arrest van 3 maart 2016 (arrest nr. 37/2016) gezegd voor recht dat er geen schending is van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet. Door in artikel 58, §1, vijfde lid W.BTW de Koning de bevoegdheid te verlenen om het tijdstip te bepalen waarop de BTW op tabaksfabrikaten verschuldigd wordt en te bepalen wie op dat tijdstip tot de voldoening ervan gehouden is, heeft de wetgever de Koning niet gemachtigd om af te wijken van de artikelen 4 tot 8bis van het BTW-Wetboek, die bepalen wie als belastingplichtige in de zin van dat Wetboek kan worden aangemerkt. De wet bepaalt volgens het Hof zelf de essentiële elementen van de belasting, en namelijk de aanwijzing van de belastingplichtige, zodat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg bestaanbaar is met artikel 170 van de Grondwet.

Het hof oordeelt dat geen verkeerde lezing gegeven wordt aan voormeld arrest van het Grondwettelijk hof door te oordelen dat D••••• V•• d•• H••••• gehouden is tot betaling van de BTW.

2.1.5. Strijdigheid met het Europees recht?

De bijzondere regeling van de BTW op tabaksfabrikaten werd destijds ingevoerd teneinde de controle terzake te vergemakkelijken (Parl.St., Kamer, Bijzondere Zitting 1968, nr.88/1, p.55 en Parl.St., Senaat, 1968-1969, nr. 455, P. 192).

In een arrest van 22 december 1978 (Pas., 1979, 1, 484) kwam het Hof van Cassatie reeds tot de conclusie dat art. 58 W.BTW niet strijdig is met de art. 30, 86 en 90 van het E.E.G.­ verdrag, noch met Richtlijn 72/464 van 19 december 1972.

Het Koninkrijk België heeft overeenkomstig artikel 27, lid 5, van de Zesde richtlijn de bepaling van artikel 58, §1 W.BTW op 19 december 1977 ter kennis gebracht van de Commissie. Deze kennisgeving luidde als volgt (zie ook H.v.J., 27 januari 2011 in de zaak C-489/09, inzake V. NV/Belgische Staat, punt 12):

“B. Voldoening van de belasting in een voorgaande fase.

1. Tabaksfabrikaten.

Teneinde de controle op de heffing van de btw te vergemakkelijken, wordt de btw die verschuldigd is ter zake van de leveringen van tabaksfabrikaten voldaan over de consumentenprijs, samen met de accijns, bij de aanschaffing van de fiscale bandjes door de fabrikant of de invoerder. In de latere fasen wordt geen btw geheven, maar wordt uiteraard ook geen aftrek toegepast. Alle verkopen van tabaksfabrikaten worden inclusief belasting gefactureerd.”

Het Europees Hof van Justitie heeft reeds herhaalde malen opgemerkt dat de sigarettenmarkt zich bij uitstek leent voor de ontwikkeling van illegale handel (H.v.J., 10 december 2002, British American Tobacco (lnvestments) en Imperial Tobacco, C-491/01, Jurispr., p. I-11453, punt 87; H.v.J., 29 april 2004, British American Tobacco, C-222/01, Jurispr., p. 1-4683, punt 72; H.v.J., 27 januari 2011, C-489/09, V. NV/Belgische Staat, punt 44).

Het Europees Hof van Justitie heeft de Belgische regeling terzake reeds niet strijdig bevonden met de in artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn vastgestelde criteria om de heffing van de btw te vereenvoudigen en belastingfraude en -ontwijking met betrekking tot deze producten te voorkomen (H.v.J., 27 januari 2011, C-489/09, V. NV/Belgische Staat, voormeld).

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande dat, de regeling van artikel 58, §1 W.BTW, zoals uitgevoerd door KB nr.13 een afwijking betreft in de zin van de artikelen 394 en 395 van de Richtlijn 2006/112/EG, waarvan de Commissie tijdig in kennis werd gesteld en die voldoet aan de voorwaarde van artikel 395, lid 1, tweede alinea.

Er is aldus geenszins reden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie.

2.2. De geldboete

2.2.1. Non bis in idem

Volgens eiser in hoger beroep werd D. V. d. H. reeds berecht voor dezelfde feiten en aan deze feiten schuldig bevonden. Het feit dat hij opschorting van straf verkreeg doet daaraan geen afbreuk.

De Belgische Staat stelt terzake incidenteel beroep in en wijst erop dat de heer V. d. H. geen strafsanctie opgelegd kreeg in het vonnis van de correctionele rechtbank van Hasselt van 21 juni 2006.

De Belgische Staat houdt verder voor dat de correctionele veroordeling een inbreuk op de douanewetgeving betreft, daar waar onderhavige boete een inbreuk op de BTW-wetgeving betreft. Het gaat volgens de Belgische Staat dan ook niet om wezenlijk dezelfde feiten, zodat het non bis in idem-beginsel niet kan worden toegepast.

In casu bestaat er tussen partijen geen betwisting over het feit dat de geldboete van 200% Inzake BTW, waarvan sprake in het dwangbevel van 1 oktober 2004 een strafrechtelijk karakter heeft. Het staat inmiddels genoegzaam vast dat de administratieve geldboeten, opgelegd in toepassing van artikel 70 W.B.T.W. een overheersend repressief karakter hebben en bijgevolg sancties van strafrechtelijke aard vormen in de zin van artikel 4 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM en van artikel 50 van het Europees Handvest (G.W. Hof 3 april 2014, nr. 61/2014, overweging B.16.1).

Anderzijds is er een definitieve uitspraak in de strafzaak bij vonnis van de correctionele rechtbank van Hasselt van 21 juni 2006. Dat hierbij geen straf werd opgelegd omwille van de verleende opschorting doet hierbij geen afbreuk aan het feit dat er op strafrechtelijk vlak ten aanzien van de heer V. d. H. sprake is van een definitieve uitspraak, waarbij hij plichtig werd bevonden aan de ten laste gelegde feiten. Het beginsel 'non bis in idem' is in casu dan ook principieel van toepassing (cfr. Gent 23 maart 2014, bevestigd door Cass. 10 maart 2015).

Het 'non bis in idem'-beginsel betreft een algemeen rechtsbeginsel, ingevolge waarvan een tweede strafrechtelijke berechting ('bis') is uitgesloten van dezelfde persoon voor dezelfde feiten ('in idem'), na een eerste definitieve berechting met een strafrechtelijk karakter. Het algemeen rechtsbeginsel wordt gewaarborgd door de mensenrechtenverdragen met name door artikel 14.7 van het BUPO-verdrag, artikel 4.1 van het zevende aanvullend protocol bij het EVRM en artikel 50 van het Europees Handvest.

Bij de beoordeling van de identiteit van de feiten ('idem') dient, in het licht van de internationale verdragsbepalingen en de rechtspraak van het EHRM, onder meer het arrest van 10 februari 2009 Z. v. Rusland (EHRM 10 februari 2009, nr. 14939/03, Z. vs. Rusland), niet te worden gekeken naar de toegepaste kwalificaties doch wel naar de onderliggende feiten of de onderliggende materiële gedragingen. De strafbare gedragingen die aan de basis liggen en het voorwerp uitmaken van de kwalificaties, dienen dezelfde of substantieel dezelfde te zijn. Bij de beoordeling van de identiteit van de feiten is de onlosmakelijke verbondenheid tussen de strafbare materiële gedragingen onderling naar tijdstip en plaats een essentieel criterium. Er is sprake van dezelfde of substantieel dezelfde feiten wanneer de materiële feiten die achtereenvolgens aan de rechter worden voorgelegd, een geheel van concrete feitelijke omstandigheden vormen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp.

Het hof stelt vast dat dezelfde feiten, met name het onwettig bezit en vervoer van 496.200 sigaretten merk Superkings en 422.000 sigaretten Regal, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes en het misdrijf van het onwettig bezit van 1.852.580 sigaretten merk Superkings, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes in hoofde van dezelfde persoon, met name D. V. d. H. aanleiding hebben gegeven tot het desbetreffende misdrijf inzake accijnzen en tot het opleggen van de geldboete inzake BTW.

Zoals gezegd betreffen zowel de uitspraak In het correctioneel vonnis van 21 juni 2006 als de opgelegde geldboete inzake BTW twee sancties met een strafrechtelijk karakter, waarvan de eerste definitief is geworden.

Of er echter in casu sprake is van schending van het beginsel 'non bis in idem' dient te worden beoordeeld in het licht van het arrest A en Bv. Noorwegen van het EHRM (EHRM 15 november 2016, nr. 24130/11 en 29758/11, A en Bv. Noorwegen) en van het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 2017 (F.15.0081.N, www.cass.be).

Het EHRM oordeelde in het arrest A en B dat twee vervolgingen en dienvolgens twee bestraffingen wel zijn toegestaan indien ze onderdelen vormen van een geïntegreerd sanctiestelsel, wanneer beide procedures en bestraffingen een coherent geheel vormen. Hiertoe dient cumulatief aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan: het moet gaan om parallelle procedures en bestraffingen die deel uit maken van een geïntegreerd systeem (1), waarmee verschillende aspecten van sociaal wangedrag (2) op een voorzienbare (3) en proportionele wijze (4) worden aangepakt. Daarbij moet rekening worden gehouden met de 'substantiële en temporele samenhang' van beide procedures, te beoordelen aan de hand van materiële en niet materiële elementen.

Ter beoordeling van de materiële samenhang werden de volgende criteria vooropgesteld:

- de procedures moeten complementaire doeleinden dienen en aldus zowel in abstracto als in concreto betrekking hebben op verschillende aspecten van sociaal wangedrag;

- de dubbele vervolging moet voorzienbaar zijn voor de betrokkene in rechte en in de praktijk;

- de dubbele bewijsgaring en dubbele beoordeling van hetzelfde bewijsmateriaal moet vermeden worden door een adequate interactie tussen beide instanties, zodat de vaststelling van een feit in de ene procedure ook bruikbaar is in de andere;

- het is noodzakelijk dat de sanctie die wordt opgelegd in de ene procedure in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de sanctie in de andere procedure.

De temporele samenhang vereist dat het verband tussen de verschillende procedures in tijd voldoende eng moet zijn om de betrokkene te beschermen tegen onzekerheid, uitstel en het gevaar dat procedures zouden worden gerekt.

De principiële toepassing van het 'non bis in idem'-beginsel kan tevens worden afgeleid uit het recente arrest van het Hof van Cassatie dd. 21 september 2017 (Cass. 21 september 2017 F.15.0081.N) waar het Hof oordeelde over de draagwijdte van het 'non bis in idem'­ beginsel bij "onderscheiden administratieve procedures tot oplegging van fiscale sancties".

Deze principes werden eveneens gevolgd door het Europees Hof van Justitie in een arrest van 20 maart 2018, C-524/15, Luca Menci (Fiscoloog, 2018, nr. 1587, p. 1).

Het hof stelt vast dat de vervolging inzake accijnzen en deze inzake B.T.W. complementair zijn en elk de bestraffing van een verschillend aspect van fiscale fraude viseren, zijnde het bezit en de handel van sigaretten zonder dat de vereiste accijnzen en de vereiste BTW werden betaald. De dubbele vervolging was ook voorzienbaar door eiser in hoger beroep. Er kon worden vastgesteld dat de betrokken sigaretten niet voorzien waren van de nodige fiscale bandjes. Dat hij wist waarmee hij bezig was blijkt uit de door hem afgelegde verklaring op 26 oktober 2001 (PV van 18 februari 2003, p.18, bijlage bij stuk 1 Belgische Staat}. Hij verklaarde onder meer dat hij soms een afspraak maakte met ene G. om tot aan de grens te rijden om te kijken of er politie of douane was om controle te doen. Hij verklaarde dat hij dit een viertal keren deed en dat een vrachtwagen hem dan volgde op een paar kilometer. Hij verklaarde eveneens dat hij voor zijn werk in het magazijn … BEF kreeg per dag.

De bewijsgaring en beoordeling van de bewijselementen inzake accijnzen en inzake B.T.W. bouwden voort op de processen-verbaal van vaststellingen en van verhoor die werden opgemaakt in 2003 en 2004.

Aangezien het hof gerechtigd is om een administratieve sanctie met een strafkarakter te toetsen aan, onder meer, het evenredigheidsbeginsel en derhalve kan nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, waarbij ook rekening mag worden gehouden met de hoogte van reeds opgelegde sancties, is ook voldaan aan de vierde voorwaarde om te kunnen spreken van twee procedures met een substantiële samenhang.

Er bestaat ook voldoende temporele samenhang tussen beide procedures. De vaststellingen die aanleiding hebben gegeven tot de strafrechtelijke veroordeling gebeurden op 26 oktober 2001 en in de periode die daarop volgde. Op 18 februari 2003 en 5 juni 2003 werden processen-verbaal opgesteld inzake de inbreuken op de accijnswetgeving en op 9 september 2004 werd een proces-verbaal opgemaakt inzake BTW, op 1 oktober 2004 gevolgd door een dwangbevel.

Het hof is dan ook van oordeel dat in casu sprake is van twee procedures die een coherent geheel vormen, zoals bedoeld door het EHRM in haar arrest A en B. Er is derhalve geen sprake van een dubbele berechting door het opleggen van een geldboete inzake BTW, na de eerdere definitieve veroordeling door de correctionele rechtbank. Er ligt dan ook geen schending voor van het 'non bis in idem'-beginsel voor.

Ook de lezing van het arrest van het Hof van Cassatie van 21 september 2017 {Cass. 21 september 2017 F.15.0081.N) leidt tot de vaststelling dat het 'non bis in idem'-beginsel niet is geschonden. Het hof oordeelde dat artikel 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM niet verhindert "dat onderscheiden administratieve procedures tot oplegging van fiscale sancties, die tegen eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten werden ingesteld alvorens één ervan definitief werd beëindigd, tot hun einde worden voortgezet en, desgevallend, beëindigd worden met een beslissing tot oplegging van een sanctie, op voorwaarde dat vaststaat dat de desbetreffende procedures, zowel substantieel als temporeel, voldoende nauw met elkaar verbonden zijn." Het hof maakt daarbij, zoals blijkt uit de conclusie van advocaat-generaal V. d. F. (nr. 3.3.2), toepassing van de principes uiteengezet in het arrest van het EHRM in de zaak A en B v. Noorwegen om te besluiten dat er geen sprake is van een schending van het 'non bis in idem'-beginsel bij het opleggen van twee fiscale administratieve sancties, eveneens inzake B.T.W. als in de inkomstenbelasting, indien er een voldoende nauwe substantiële en temporele samenhang is. Aan deze voorwaarden is ook in casu voldaan, zoals hiervoor besproken.

Er is te dezen geen schending van het 'non bis in idem'-beginsel.

2.2.2. Evenredigheidstoets

Volgens eiser in hoger beroep is de boete minstens onevenredig en dit ze te worden kwijtgescholden of te worden verminderd.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 13 februari 2009, nr. F.06.0108.N).

Eiser In hoger beroep werd in het correctioneel vonnis van 21 juni 2006 schuldig bevonden aan het onwettig bezit en vervoer van 496.200 sigaretten merk Superkings en 422.000 sigaretten Regal, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes en het misdrijf van het onwettig bezit van 1.852.580 sigaretten merk Superkings, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes.

Aldus staat vast dat hij wist of behoorde te weten dat hij deelachtig was aan het plegen van fraude op het vlak van accijnzen, bijzondere accijnzen en BTW.

Uit geen enkel gegeven blijkt dat bij het bepalen van de strafmaat door de correctionele rechtbank rekening werd gehouden met het feit dat inzake BTW een geldboete werd opgelegd. Er werd opschorting van straf verleend. Inzake de accijnzen en bijzondere accijnzen, tot betaling waarvan de heer V. d. H. solidair met een aantal anderen werd veroordeeld, werden geen geldboetes opgelegd. Het hof oordeelt dan ook dat de opgelegde belastingverhoging inzake BTW voldoende is gemotiveerd en niet in een onredelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Het hof is dan ook van oordeel dat het geheel van de sancties niet in een onredelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken inzake accijnzen en bijzondere accijnzen enerzijds en BTW anderzijds, en met de ernst van de feiten, zodat er geen reden is om over te gaan tot een vermindering van de geldboete van 200 % inzake BTW.

2.2.3. Boete met uitstel?

In uiterst ondergeschikte orde verzoekt de belastingplichtige om de geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel.

In zijn arrest van 21 februari 2013 (arrest nr. 13/2013) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §2, eerste lid W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan overtreders van het W.BTW. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft volgens het Hof echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (overwegingen B.4.2 en B.4.3 van voormeld arrest).

Reeds in een eerder arrest van 6 november 2008 (arrest nr. 157/2008) had het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §1, eerste lid WBTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM schendt, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de in die bepaling voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met een uitstel.

Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen.

In onderhavig geval werd hierboven reeds geoordeeld dat de opgelegde boete wettig werd opgelegd en niet onevenredig is met de gepleegde overtreding. Uit het dossier blijken geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien.

Gelet op het voorgaande kan de betrokken boete zonder uitstel behouden blijven.

2.3. Rechtsplegingsvergoeding

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat D. V. d. H. tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld.

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr. 2010/183, p. 720).

Vermits het bedrag van de betwiste belastingen en boetes zich situeert in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 EUR, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … EUR per aanleg. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken.

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van D. V. d. H. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de Belgische Staat toelaatbaar en gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis van 9 november 2017 in de mate dat werd beslist dat de geldboete bij toepassing van artikel 70, §1 W.BTW niet verschuldigd is.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis voor het overige en wijst het meer en anders gevorderde af.

Het hof verwijst D. V. d. H. in de gedingkosten, vereffend aan de zijde van de Belgische Staat op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR in eerste aanleg en … EUR in hoger beroep en laat de bijzondere bijdrage van … EUR ten laste van D. V. d. H..

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 28 mei 2019 door

Ondertekeningen

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

14

Vergelijkbare beslissingen

8