Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 23 juni 2010

Zoeken

Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-kleine-onderneming-bewijs-rechtbank-brugge-2010-06-23-f0be

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
23 juni 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

94 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 23.06.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 02/1318/A Rep. nr. 2010/8691

de heer L. K., wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester B. D. (balie …) loco Meester A. G., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met kantoren gevestigd te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het geding inleidend dagvaardingsexploot de dato 29 april 2002.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 26 mei 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiser was tot 1 juni 2001 als BTW-belastingplichtige ingeschreven onder het BTW-registratienummer BE … voor de economische activiteit van kleinhandel in vis. Hij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 26 oktober 2001 werd een controle van de boekhouding verricht door R. S., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum Oostende en dit over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.

Op 13 maart 2002 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal opgesteld door de voormelde ambtenaar.

Op 20 maart 2002 werd op basis van dit proces-verbaal door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor in Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 22 maart 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door A. D. R., directeur daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge.

Op 27 maart 2002 werd het dwangbevel per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van eiser.

Tegen de uitvoering van voormeld dwangbevel tekende eiser op 29 april 2002 middels exploot van gerechtsdeurwaarder L. H. met standplaats te …, verzet aan met dagvaarding van de Belgische Staat voor deze rechtbank.

2.2. Eiser vraagt dat de verdere behandeling der zaak opgeschort wordt tot de strafklacht wegens valsheid, die eiser tegen de vennootschap naar Nederlands recht BV R. v. Y. heeft neergelegd, definitief is afgehandeld, dat verweerder bij toepassing van artikel 877 Ger.W. veroordeeld wordt tot mededeling der vrachtbrieven betreffende de beweerde leveringen door het transportbedrijf d. K. van de leveringen vermeld op de vervoerlijst die zij als stuk 15 meedeelt en dat in ieder geval het verzet ingewilligd wordt als toelaatbaar, gegrond en bewezen.

2.3. Verweerder vraagt dat: het verzet afgewezen wordt als ongegrond en eiser veroordeeld wordt tot de rechtsplegingsvergoeding ad ….

III. BEOORDELING

3.1. nopens de opschorting der procedure

3.1.1. Eiser verzoekt om opschorting der procedure omwille van het feit dat hij een strafklacht heeft neergelegd lastens de Nederlandse Vennootschap R. v. Y., die volgens eiser zijn naam zou misbruikt hebben om bepaalde verkopen weg te boeken.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de FIOD op 22 januari 2009 liet weten dat er een beslissing tot niet vervolging genomen was door het Openbaar Ministerie. Luidens het FOID werden er lastens de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. geen strafbare feiten vastgesteld. Er was geen bewijs van het feit dat de leveringen ten onrechte op naam van eiser zouden geboekt geweest zijn (stuk 9 - eiser).

Eiser stelt tegen de beslissing tot niet vervolging genomen door het Openbaar Ministerie bezwaar ingediend te hebben bij het Gerechtshof 's Gravenhage alwaar het geschil behandeld zou zijn op de terechtzitting van 18 november 2009.

Eiser geeft ter terechtzitting aan geen kennis te hebben van enige tussengekomen rechterlijke uitspraak.

Gelet op het feit dat uit de brief de dato 23 maart 2004 van FIOD blijkt dat de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. geen enkel belang had bij dergelijke voorgehouden foutieve boekingen en overwegende dat blijkens de stukken evenmin bewijzen van fictieve facturatie werd gevonden mist het verzoek tot opschorting der procedure grondslag.

3.2. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.3. nopens de mededeling der stukken

Eiser vordert mededeling van de CMR-vrachtbrief die de lading mosselen verzegelde.

Verweerder stelt over geen andere stukken te beschikken dan deze die voorgelegd werden.

De rechtbank is van oordeel dat het neerleggen van de CMR-vrachtbrief, al dan niet in het bezit van verweerder, niet nodig is. De administratie heeft op 26 oktober 2001 een controle van de boekhouding uitgevoerd over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 en heeft vastgesteld dat verschillende aankoopfacturen uitgewerkt door R. v. Y. niet in de boekhouding opgenomen waren en dat bepaalde aankoopfacturen voor een foutief bedrag geboekt waren.

In het proces-verbaal van 13 maart 2002 wordt geen melding gemaakt van de CMR-vrachtbrief. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder alle stukken, die nodig zijn en die hij moest neerleggen voor de beoordeling van het geschil, heeft neergelegd.

3.4. nopens de grond

a.Eiser stelt dat de kwestieuze verdoken leveringen aan hem niet bewezen zijn omdat zij uitsluitend terug te vinden zijn in de valse en in elk geval slordige en onregelmatige boekhouding van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. en door geen ander feit of document worden bevestigd.

b.De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerster aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens (art. 59 W.BTW). Overeenkomstig artikel 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in artikel 1353 RW.

Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van verdoken leveringen waarop de belasting verschuldigd is.

Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

c.Een reeks feitelijke vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal geredigeerd door D. L. en T. de dato 14 juni 2002, de verklaring van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. en de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal geredigeerd door S. de dato 13 maart 2002 bewijzen dat er bij de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. een systeem bestond waarbij één klant twee klanten nummers had en dat voor één van de klantnummers niet het normale systeem van de vrijgestelde intracommunautaire leveringen toegepast werd, maar dat de leveringen die eronder verricht werden als interne Nederlandse leveringen beschouwd en aangegeven werden.

Daarbij komt nog de vaststelling dat bij het nazicht van de boekhouding van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. gebleken is dat op naam van eiser twee klantennummers bestonden en dat voor het nummer … het stelsel van de intracommunautaire leveringen toegepast werd en dat voor het nummer … het stelsel van de Nederlandse leveringen toegepast werd.

Uit de facturen gekozen uit de boekhouding van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. blijkt dat voor elk van beide systemen de facturen uitgereikt werden op naam van "V. L. B." L. K., …, …, België (bijlage 4 - proces-verbaal d.d. 13.03.2002 - stuk 1 - verweerder).

Beide soorten facturen werden aangetroffen in de boekhouding van eiser, wat bevestigt dat de leveringen verricht op klantennummer … ook voor eiser bestemd waren.

Ook is gebleken dat eiser een regelmatig afnemer is van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y..

d.De bewering van eiser dat de boekhouding van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. onbetrouwbaar is, kan gelet op het feit dat er door de Nederlandse belastingdienst geen bewijzen van onbetrouwbaarheid of valsheid gevonden werden - wat ook blijkt uit de verklaringen van FIOD - niet aangenomen worden (stukken 9 en 13 - eiser).

Evenmin kan eiser gevolgd worden waar hij voorhoudt dat verschillende facturen die in zijn boekhouding werden opgenomen, niet voorkomen in de boekhouding van de·. Nederlandse Vennootschap R. v. Y.. De kwestieuze factuur … komt voor in de boekhouding van R. v. Y. blijkens bijlage 2 bij het proces-verbaal van 14 juni 2002 en de facturen …, …, …, … en … zijn gericht aan het klantennummer … opgenomen in het proces-verbaal de dato 13 maart 2002 en komen voor in de boekhouding van de Nederlandse Vennootschap R. v. Y.. Factuur … de dato 8 augustus 1997 betreft een materiële vergissing en dient inderdaad een bedrag van … NLG te betreffen (bijlage 2 - proces-verbaal de dato 14 juni 2001).

De bewering van eiser, dat de Nederlandse Vennootschap R. v. Y. plots en in één keer de zes facturen met klantennummer … verstuurde op zijn aandringen en dat de facturen per vergissing werden toegestuurd in plaats van de gebruikelijke facturen onder klantennummer …, kan niet gevolgd worden.

De bedragen van de volgens eiser ontvangen facturen op klantennummer … zijn niet dezelfde als deze van de ontbrekende facturen op klantennummer … en de leveringsdata zijn verschillend. Gelet op het feit dat de kwestieuze taxatie niet steunt op een gegeven van het transportbedrijf D. K., zodat de vrachtbrief eveneens relevantie mist, mist het verweer van eiser desaangaande grondslag.

In tegenstelling tot wat eiser voorhoudt, maken de door verweerder gedane vaststellingen een bewijskrachtig geheel uit van gewichtige bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, zoals bepaald in artikel 59 W.BTW, die de effectieve leveringen van de goederen aan eiser bewijzen, waardoor tot verschuldigdheid van de belasting kan worden besloten.

e.Volgens eiser is zijn boekhouding bewijskrachtig.

f.Artikel 14, § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 bepaalt het volgende : "De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren".

Artikel 15, § 2 van datzelfde KB stelt dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naar gelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.

Voor iedere boeking in de boekhouding moet dus een verantwoordingsstuk bestaan. De wetgever laat de belastingplichtige echter vrij in het bepalen van de vorm en soort van de verantwoordingsstukken en laat haar zelf bepalen hoe zij de stukken aan haar beroepsactiviteit zal aanpassen.

De boekhouding moet een geheel vormen van samenhangende, nauwkeurige en controleerbare gegevens. De boekhouding die niet de nodige verantwoordingsstukken bevat om een precieze, objectieve en controleerbare boekhouding te zijn, heeft zodoende geen enkele bewijskracht.

g.Met betrekking tot de boekhouding van eiser is vastgesteld dat er geen inventaris van goederen in voorraad wordt gehouden, de ontvangsten vermeld in het dagboek van ontvangsten niet gesteund zijn op verantwoordingsstukken, er geen financieel dagboek wordt voorgelegd, er tijdens de uitgevoerde controle geen kasrollen werden voorgelegd en dertien facturen uitgereikt door de SA C. M. de D. ingeboekt werden in Franse frank in plaats van in Belgische frank, wat tot een verschil in geboekte aankopen leidde van … BEF.

De rechtbank kan derhalve alleen maar besluiten dat de boekhouding niet bewijskrachtig is.

h.Gezien het gebrek aan bewijskracht van de boekhouding van eiser, heeft de administratie aan de hand van de forfaitaire winstcoëfficiënten de omzet van eiser herberekend. De stelling van eiser dat de toegepaste forfaitaire winstcoëfficiënt alleen van toepassing is voor kleinhandel, kan niet gevolgd worden. Inzake de BTW kan de forfaitaire regeling voor kleinhandelaars voorzien in artikel 56, § 1 W.BTW gebruikt worden als feitelijke vermoedens (Antwerpen, 19 maart 2002 - stuk 24 verweerder).

Het feit dat groothandelaars uitgesloten zijn van de forfaitaire regeling, belet niet dat de daar vastgestelde winstmarges bij een herberekening van de omzet toegepast kunnen worden voor de verkoper in het klein.

Eiser toont tenslotte niet aan dat de exploitatieomstandigheden gewijzigd waren tussen 1996 en 1997, daar de omzet volgens de aangegeven cijfers nog steeds hoofdzakelijk gerealiseerd worden door winkelverkoop, zodat verweerder terecht dezelfde winstmarges heeft toegepast als deze voor het tijdvak 1995-1996.

Het middel mist grondslag.

3.5. nopens de boete

Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding aan de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Het bedrag van de proportionele fiscale boeten wordt, krachtens artikel 84 W.BTW bepaald binnen de door de wet gestelde grenzen volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr.41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van het genoemde artikel 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoekbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht houdt in dat het aan de rechter toelaat na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het· bestuur naar redelijkheid kan overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag de rechter inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk in hoofde van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij hierbij acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in boeten kan kwijtschelden of verminderen.

In casu blijkt uit het administratief dossier dat eiser bewust beroep gedaan heeft op een fraudesysteem, om een gedeelte van zijn inkomsten niet aan te geven en zo de BTW die zijn klanten betaalden en die hij diende door te storten aan de Schatkist voor zich te houden en tevens inkomstenbelasting te ontduiken.

De door verweerder gevorderde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten, ondanks het voor eiser zwaarwegende bedrag ervan bij uitrekening in absolute cijfers.

De voormelde boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar ook een beteugelend karakter en een afschrikwekkend oogmerk.

De krachtens de wet opgelegde proportionele boete van 200 % van de op de handeling verschuldigde BTW is niet onevenredig met de doelstelling van EG-recht en de ernst van de vastgestelde overtreding.

3.6. nopens de kosten

Eiser wordt hl het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. dient hij de gerechtskosten te dragen. De gerechtskosten belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde … EUR, zoals gevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag drieëntwintig juni tweeduizend en tien.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

H. N., gedelegeerd-griffier.

N. H. A. H.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 1 art. 141 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8