Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 17.03.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 05/796/A Rep. nr. 2010/3898
mevrouw M. M.-C., café-uitbaatster, wonende te …, …,
eiseres,
voor wie is opgetreden Meester M. Z. (balie Gent) loco Meester M. M., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,
Verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 15 maart 2005.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 17 februari 2010.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is als café-uitbaatster gekend onder het BTW-nr. BE …. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 9 september 2004 werd door W. S., verificateur bij de administratie van de BTW; Registratie en Domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te Oostende, afdeling Knokke-Heist, een controle uitgevoerd van de boekhouding van eiseres.
Op 2 december 2004 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar.
Op 3 december 2004 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 8 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. L., waarnemend gewestelijke directeur van de BTW te Brugge.
Op 20 januari 2005 werd het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal betekend aan eiseres.
Op 15 maart 2005 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie neer.
2.2. Eiseres vraagt dat : de voorziening ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dat dienvolgens gezegd wordt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en derhalve onterecht op naam van eiseres werd gevestigd en geen rechtsgevolgen kan ressorteren, dat voor zover als nodig een getuigenverhoor bevolen wordt, minstens een prejudiciële vraag gesteld wordt aan het Grondwettelijk Hof en dat de kosten lastens verweerder worden gelegd.
2.3. Verweerder vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de mededeling van het dossier door verweerder
a. Het onderzoek gevoerd op 9 september 2004 door de BTW-administratie naar de BTW-situatie van eiseres dat aanleiding heeft gegeven tot het proces-verbaal de dato 2 december 2004 was het gevolg van een proces-verbaal opgesteld op 4 mei 2004 na een uitgevoerd toezicht bij de BVBA B. F. O. waar onder meer door de BTW-administratie werd vastgesteld dat op de door de BVBA B. F. O. voorgelegde facturen op naam van FC S. met betrekking tot de leveringen onder de benaming "Feesten I" tot "Feesten 20" werd gesteld dat deze leveringen bestemd waren voor eiseres.
Het betrof leveringen van 41 vaten Hoegaarden van 50 liter en 306 vaten Stella van 50 liter. Het onderzoek gevoerd bij eiseres had tot doel na te gaan of deze voormelde leveringen boekhoudkundig bij eiseres waren verwerkt.
Naar aanleiding van het gevoerde onderzoek bij eiseres stelt de administratie onder meer dat eiseres in strijd met haar contractuele verplichtingen bij I. zwarte aankopen zou hebben verricht bij de BVBA B. F. O..
De administratie stelt dat de factuur van de BVBA B. F. O. op naam van de vereniging FC S. steeds de aankopen van vatbier van de merken Stella en Hoegaarden bevatten, d.w.z. dezelfde merken als deze die door eiseres aangekocht werden bij de NV I..
Daarnaast stelt de BTW-administratie dat het café van eiseres de laatste drie jaren eenzelfde omzet zou vertoond hebben en dat na het onderzoek bij de BVBA B. F. O. de drankenaankoop bij de NV I. spectaculair zou gestegen zijn.
De BTW-administratie stelt dat eiseres voor het jaar 2001 een totaal bedrag van 2.317.372 BEF te weinig omzet zou hebben aangegeven.
b. Eiseres laat gelden dat zij in de gelegenheid moet gesteld worden om aan te tonen dat de kwestieuze verkopen ten onrechte aan haar werden toegewezen zodat ze moet gerechtigd worden tot inzage van het ganse dossier dat de BTW-administratie lastens BVBA B. F. O. heeft geredigeerd.
Volgens eiseres schendt de weigering van de administratie tot voorlegging van het ganse dossier opgesteld lastens BVBA B. F. O. haar rechten van verdediging evenals de Wet Openbaarheid van Bestuur.
c. De rechtbank stelt vast dat eiseres kennis heeft gekregen van de stukken uit het dossier opgesteld lastens BVBA B. F. O., die op eiseres betrekking hebben en waarop de administratie zich gesteund heeft om de meeromzet in hoofde van eiseres te bepalen (stukken 31, 32, 33 en 34 - verweerder).
De afgelegde verklaring van F. O. werd op blz.2 en 3 van het proces-verbaal d.d. 4 mei 2004, dat de bijlage vormt bij het proces-verbaal van 2 december 2004 dat samen met het dwangbevel aan eiseres werd betekend, integraal weergegeven zodat eiseres er eveneens kennis heeft kunnen van nemen.
Het is duidelijk dat de rechten van verdediging van eiseres geenszins geschonden zijn.
d. De rechtbank stelt vast dat de BTW-administratie terecht eiseres inzage heeft geweigerd van het volledige dossier geredigeerd lastens de BVBA B. F. O., meer bepaald van de stukken die betrekking hebben op derden.
Artikel 6, § 2 van de Wet op de Openbaarheid van Bestuur van 11 april 1994 stelt dat de administratieve overheid de inzage mag afwijzen wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer tenzij de betrokken persoon met de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift heeft ingestemd.
In casu kan verweerder gevolg worden waar hij stelt dat het dossier betreffende de BVBA B. F. O. gegevens van derden bevat die geen toelating tot inzage gegeven hebben zodat het volledige administratief dossier conform artikel 6, § 2, 1° van de Wet op de Openbaarheid van Bestuur niet aan eiseres kan overlegd worden.
e. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder alle stukken die nodig zijn en die hij moest neerleggen voor de beoordeling van het geschil heeft neergelegd.
3.2.2. nopens de bewijskracht van het proces-verbaal
Artikel 59, § 1, laatste alinea bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.
Door de bevoegde ambtenaar werd in het proces-verbaal d.d. 4 mei 2004 vastgesteld dat :
- één klantnummer in principe vast verbonden was aan één welbepaalde klant;
- een aantal klantnummers als omschrijving "Feesten 1" tot Feesten 20" hadden. Deze waren niet verbonden aan één bepaalde klant, maar werden voor diverse verenigingen/particulieren gebruikt;
- de facturen met de omschrijving "Feesten 1" tot "Feesten 20" gericht waren aan een particulier of een vereniging. Op de factuur altijd de werkelijke leveringsplaats werd vermeld, zijnde het adres van de uitbating;
- indien de goederen door de BVBA B. F. O. werden vervoerd naar een caféhouder, er een leveringsdocument werd opgemaakt;
- op de leveringsbons manueel het aantal teruggenomen vaten genoteerd werd;
- nadien de factuur opgesteld werd, waarop het aantal teruggenomen vaten vermeld werd;
- vóór of na de factuur met een omschrijving "Feesten 1" tot "Feesten 20" meestal een factuur opgemaakt werd met het vaste klantnummer van de caféhouder, wiens uitbatingsadres voorkwam op de facturen met omschrijving "Feesten 1" tot "Feesten 20";
- de heer F. O., zaakvoerder van de vennootschap, schriftelijk verklaard heeft dat de vaten bier altijd werden geleverd op het vermelde leveringsadres;
- mevrouw M. als klant gekend was bij de BVBA B. F. O. onder het vaste klantnummer …;
- mevrouw M. het café "C. S." gelegen …, …, uitbaat;
- in de boekhouding van de BVBA B. F. O. verschillende facturen met een variabel klantnummer met de omschrijving "Feesten 1" tot "Feesten 20" gevonden werden, die gericht waren aan FC S. en waarop het leveringsadres …, … voorkomt.
Door de bevoegde ambtenaar werd in hef proces-verbaal van 2 december 2004 vastgesteld dat :
- eiseres geopteerd heeft voor de forfaitaire regeling inzake BTW, zoals bedoeld in artikel 56, § 1 van het BTW-wetboek, en geen volledig bewijskrachtige boekhouding bijhoudt. Ze houdt geen kas-, bank- of enig ander financieel dagboek bij;
- eiseres voor de aankopen van CO2 klant is bij de BVBA B. F. O.; na 29 juni 2001 ze op eigen naam bij geen enkele leverancier nog CO2 aankoopt hoewel ze bier blijft tappen;
- op eigen naam ze geen dranken aankoopt bij de BVBA B. F. O.;
- eiseres ontkent de dranken opgenomen op de facturen met een omschrijving "Feesten 1" tot "Feesten 20" ontvangen te hebben;
- de betreffende facturen niet opgenomen werden in haar aankoopdagboek;
- diverse van de facturen en leveringsbons, met omschrijving "Feesten 1" tot "Feesten 20" ondertekend werden met de naam "M.";
- op de leveringsbon en de factuur (die opgemaakt werd op de dag van de levering zelf, of de dag erna) een verrekening van het leeggoed gebeurde. M.a.w. nog vóór de aan de particulier of vereniging geleverde goederen verbruikt werken, gaven deze al lege vaten terug. Deze werkwijze duidt aan dat de dranken bestemd waren voor een regelmatige afnemer;
- het betreft uitsluitend vaten bier, terwijl op feesten ook nog andere dranken verbruikt worden;
- eiseres niet beschikt over een feestzaal in haar zaak; ze heeft geen afzonderlijke tapinstallatie die door derden gebruikt zou kunnen worden,
Al deze materiële vaststellingen gelden tot het bewijs van het tegendeel. Dit geldt inzonderheid voor de vaststellingen gedaan door de verbalisant in de kwestieuze proces-verbalen aan de hand van de hem voorgelegde stukken,
Er is dan ook geen schending van artikel 59 W.BTW.
3.2.3. nopens het bewijs van de meeromzet in hoofde van eiseres
a. De verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete kan door verweerder aangetoond worden via het bewijs van feitelijke vermoedens (art. 59 W.BTW).
Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.
Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt, al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.
In de rechtspraak wordt algemeen aanvaard dat gegevens uit geschriften en verklaringen uitgaande van derden een geheel van vermoedens kunnen vormen die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmen en bijgevolg voldoen aan de bewijsvoering door feitelijke vermoedens zoals bepaald in artikel 1353 B.W.
Door verweerder wordt in casu beroep gedaan op een reeks van feitelijke gegevens die een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens moeten vormen ten bewijze van de zwarte leveringen.
Bij de beoordeling van deze feitelijke gegevens dient gesteld dat deze samen in overweging moeten genomen worden teneinde te kunnen oordelen of er al dan niet sprake is van een geheel van bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.
b. Een reeks gelijkluidende verklaringen van de betrokken werknemers en ex- werknemer van de BVBA B. F. O. die allen bevestigen dat de kwestieuze leveringen voor eiseres bestemd waren alsmede de materiële vaststellingen gedaan door de controleagenten van verweerder waaruit komt vast te staan dat :
- BVBA B. F. O. aan FC S. uitsluitend dezelfde goederen leverde als degene die eiseres bij NV I. aankocht;
- Eiseres in eigen naam alleen C02 aankoopt bij de BVBA B. F. O. en nooit bij de NV I.. Na 29 juni kocht eiseres in eigen naam geen C02 meer aan hoewel ze nog 104 vaten bier aankocht bij de NV I.;
- telkens een factuur uitgereikt werd aan eiseres volgde een factuur aan NV S. en de kwestieuze leveringsdocumenten geven blijk van hetzelfde handschrift en vermeldingen;
- na de aanvang der controle bij de NV B. F. O. stegen de aankopen van eiseres bij de NV I.;
- de aangekochte hoeveelheden C02 stemmen niet overeen met de aankopen van vaten bier bij de NV I.;
bewijzen afdoende dat de kwestieuze aankopen gefactureerd op naam van FC S. in werkelijkheid bestemd waren voor eiseres.
3.2.4. nopens de meeromzet
a. Bij de bepaling van de meeromzet steunt verweerder zich terecht op de toepassing van artikel 64 W.BTW.
Aangaande de berekening der meeromzet past verweerder artikel 56, § 1 W.BTW toe.
b. Eiseres stelt dat artikel 56, § 1 W.BTW de artikelen 170 en 172 Ger.W. schendt en verzoekt desaangaande tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
De rechtbank acht het stellen van een prejudiciële vraag in casu niet opportuun gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof de dato 17 oktober 2007 (zaak 131/2007) waarin gestatueerd werd dat de artikelen 170 en 172 Ger.W. de wetgever er niet toe verplichten elk aspect van een belasting of een vrijstelling zelf te regelen. Het Grondwettelijk Hof besliste meer bepaald :
"Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.
Artikel 56, § 1 van het BTW-wetboek maakt het mogelijk te voorzien in vereenvoudigde voorwaarden inzake belastingheffing en -inning voor de ondernemingen die, wegens hun omvang, niet beschikken over een toereikende boekhoudkundige organisatie om de algemene BTW-regeling te kunnen toepassen ... en die derhalve mogen opteren voor de forfaitaire aanslagregeling die op grond van de in het geding zijnde bepaling is vastgelegd. De verscheidenheid van de situaties waarin die ondernemingen zich bevinden, volstaat om te verantwoorden dat de wetgever ervan afziet alle op die ondernemingen toepasselijke belastingregels zelf vast te stellen.
Ermee rekening houdend dat het beginsel van de forfaitaire belasting zelf in de wet heeft opgenomen en dat een forfait per hypothese situaties beoogt die moeilijk kunnen worden geregeld door middel van algemene bepalingen die het voorwerp van een wet uitmaken, vermocht de wetgever, in een materie waar er een verscheidenheid aan situaties heerst en waar het in B ..4 geciteerde artikel 24, lid 1 van de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 zelf voorziet in de mogelijkheid van een forfaitaire regeling, zonder schending van het beginsel van de wettigheid van de belasting, aan de Koning de bevoegdheid toe te wijzen om de modaliteiten te bepalen volgens welke de administratie de grondslag van aanslag vaststelt in overeenstemming met het in de wet vervatte beginsel van het forfait."
c. Aangaande de berekening der meeromzet stelt de rechtbank vast dat eiseres zelf de forfaitaire regeling voor caféhouders bepaald in artikel 56, § 1 W.BTW en gehanteerd door verweerder toepaste : nl. de toegepaste prijzen werden overgenomen uit de berekeningsbladen die eiseres voor die periode zelf bij haar periodieke BTW-aangiften voegde en de berekening van de omzet gebeurde aan de hand van forfaitaire berekeningen die ook door eiseres werden toegepast. De berekening der omzet werd derhalve door de administratie niet willekeurig bepaald.
d. De rechtbank kan akkoord gaan met eiseres dat documenten van derde (boekhoudkundige stukken en verklaringen van bestuurders van de BVBA B. F. O.) in principe niet tegen de belastingplichtige (eiseres) kunnen ingeroepen worden indien deze de juistheid ervan betwist.
Zij kunnen echter wel tegen haar gebruikt worden aangezien het in casu om stukken gaat die dergelijke aanwijzingen bevatten omtrent veelvuldige en herhaalde handelsverrichtingen zodat er geen reden meer is om aan de ernst en de waarachtigheid te twijfelen.
In casu blijkt zo : dat het ziekteverlof van eiseres geen invloed had op de aanzienlijke omzetstijging vanaf de jaren 2003-2004 gelet op het feit dat het café tijdens de ziekte van eiseres (jaren 2000-2001) steeds open gebleven is wat blijkt uit de aankoopfrequentie bij de NV I.; ook de werknemers en ex-werknemer van BVBA B. F. O. verklaarden dat de leveringen bleven doorlopen tijdens de ziekte van eiseres; eiseres kocht in 2001 op haar naam vijf keer C02 aan en een laatste maal op 29 juni 2001; de door de BTW-administratie gemaakte vergelijking tussen de officiële aankopen vaten bier (NV I.) met de officiële aankopen CO2 (BVBA O.) toont aan dat eiseres na 29 juni 2001 nog 104 vaten bier getapt moet hebben met een laatste fles CO2 wat aantoont dat eiseres CO2 aankocht zonder dat daarvoor een factuur op haar naam werd uitgereikt; eiseres kocht bij de NV I. praktisch ongewijzigd elke week vier vaten bier aan, wat een onrealistisch aankoopbeleid is; de bewering van eiseres dat BVBA B. F. O. leveringen voor haar eigen cafés zou gefactureerd hebben op haar eigen adres wordt niet bewezen en bovendien droegen de leveringsdocumenten en de daaropvolgende verkoopfacturen steeds het adres van het café van eiseres aak in de jaren 2000-2001 terwijl de fraude pas in juli 2003 werd vastgesteld; de daar de administratie berekende omzet is niet onmogelijk gelet op het feit dat eiseres, zoals de werknemers van BVBA B. F. O. verklaarden een erg goed draaiend café uitbaatte en rekening houdende met het feit dat na de start van het onderzoek gedurende de eerste zes maanden van het onderzoek, onder dezelfde uitbatingsvoorwaarden en in dezelfde infrastructuur evenwel officiële aankopen gedaan werden door eiseres als in het volledige jaar 2001; in het geseponeerde strafdossier opgesteld naar aanleiding van een klacht van eiseres kwam de onderzoeksrechter tot het besluit dat de kwestieuze goederen inderdaad aan eiseres geleverd waren.
Gelet op het feit dat de rechtbank voldoende is ingelicht door de voorhanden zijnde stukken dringt het bevelen van een getuigenverhoor zich niet op.
In casu kan derhalve tot verschuldigdheid van de belasting, zoals berekend door verweerder besloten worden.
3.2.5. nopens de administratieve geldboete
Door verweerder wordt een boete opgelegd van 200 %. Een boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag voor een totaal bedrag van 24.120 EUR heeft een repressief karakter.
De kwestieuze geldboete, bepaald bij artikel 70, § 1 W.BTW, wordt van rechtswege opgelopen door het enkele feit van de overtreding en is een gevolg van de gebonden bevoegdheid voor de administratie.
Alvorens de geldboete op te leggen dient de BTW-administratie niet de tussenkomst van een rechter af te wachten.
Artikel 6 EVRM werd niet geschonden.
3.2.6. nopens de schending van de rechten van verdediging
Zoals reeds onder punt 3.2.1., c. van huidig vonnis werd gestipuleerd en waarnaar de rechtbank verwijst en het als volledig herhaald beschouwd, werden de rechten van verdediging in casu door de BTW-administratie niet geschonden.
3.2.7. nopens het non bis in idem principe
Eiseres stelt ten onrechte dat het non bis in idem principe werd geschonden daar de administratie zowel in het bestreden dwangbevel als in de aanvullende aanslag in de inkomstenbelasting voor dezelfde feiten aan eiseres een proportionele fiscale sanctie heeft opgelegd.
De regel non bis in idem belet niet dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk (Cass. 5 februari 1999, Pas.1999, 67).
Het non bis in idem principe werd niet geschonden.
3.2.8. nopens de redelijke termijn
De stelling van eiseres dat in casu de redelijke termijn zou geschonden zijn, kan niet bijgetreden worden.
Voor de kwestieuze handelingen betreffende het jaar 2001 werd de navordering lastens eiseres door de administratie ingesteld in het jaar 2004, wat gelet op de complexiteit van het dossier niet onredelijk lang is.
De rechtbank stelt vast dat onderhavig geschil ingeleid is geworden bij verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 15 maart 2005, verweerder conclusies heeft neergelegd op 18 mei 2005, eiseres vervolgens op 20 december 2005 en verweerder tweede besluiten heeft neergelegd op 27 februari 2006, waarna eiseres zich niet benaarstigd heeft om de procedure verder te zetten.
Verweerder heeft op 16 februari 2009 om toepassing verzocht van artikel 747, § 2 Ger.W..
De redelijke termijn werd niet geschonden.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. dient zij de gerechtskosten te dragen.
De gerechtskosten belopen het basisbedrag der basisrechtsplegingsvergoeding, zijnde 2.500,00 EUR zoals gevorderd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag zeventien maart tweeduizend en tien.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. A. H.
N.LHOEST
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.