Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 11 december 1989

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-leuven-1989-12-11-9b62

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
11 december 1989

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

87 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 11.12.1989

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

BVBA S. H. S., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, …, ingeschreven in het HR te Leuven onder nr. … en met BTW-nummer …

eiseres op verzet,

ter zitting vertegenwoordigd door mr. J. S., loco mr. R. T., advokaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, wiens kantoren gevestigd zijn te 3000 Leuven, Vaartstraat 4-6;

verweerder op verzet,

ter zitting vertegenwoordigd door mr. E. d. N., advocaat te …, ….

De rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak, die ter zitting van 13 november 1989 in beraad werd genomen;

Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Gehoord partijen, bij monde van hun raadslieden, ter zitting van 23 oktober 1989, en gelet op hun conclusies en stukken.

Overwegende dat het verzet, ingeleid bij geboekt exploot van dagvaarding d.d. 19 februari 1988 van plv. gerechtsdeurwaarder P. V. V., in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. D. G. te Leuven, ertoe strekt het dwangbevel, uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-kantoor te Leuven op 15/12/1987 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor van het 2de gebied te Leuven - aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen – d.d. 15/12/1987 en haar betekend door gerechtsdeurwaarder A. D. te Leuven op 17/12/1987, te horen nietig verklaren en kwijtschelding - minstens vermindering - voor de toegepaste boeten te horen toestaan;

dat het verzet tijdig en regelmatig naar de vorm werd ingesteld en ontvankelijk is.

IN FEITE

Overwegende dat de heren A. en C., ambtenaren van de administratie van douanen en accijnzen, op 13/3/1986 een vrachtwagen van eiseres controleerden en de zich in de cabine bevindende documenten ter inzage aan dhr. H. - beambte van de BTW – hebben gegeven;

dat zij naar uit hun PV van 24/4/1986 blijkt - deze vrachtwagen na hun controle zijn blijven volgen tot bij het cliënteel;

dat op 13/3/1986 eveneens door de diensten van de BTW een controle in de zetel van eiseres op verzet werd gehouden;

dat n.a.v. de gedane vaststellingen processen-verbaal werden opgesteld;

dat het dwangbevel de invordering beoogt van :

1) 8.757.000 fr. hoofdens geldboete ingevolge art. 70, § 2 BTW-wetboek

2) 414.500 fr. hoofdens geldboete ingevolge art. 60 en 70, § 4 BTW-wetboek

3) p.m. intresten en kosten

IN RECHTE

Overwegende dat eiseres op verzet de nietigheid van de processen-verbaal opwerpt, op grond van machtsafwending en machtsoverschrijding.

Overwegende dat de douanebeambten verweten wordt een onderzoek te hebben aangevat uitsluitend met het oog op de vaststelling van inbreuken op de BTW-wetgeving, hierbij gebruik makend van hun visitatierecht, waarover de diensten van de BTW niet beschikken;

dat het probleem nopens het recht van een ambtenaar om zijn onderzoeksmacht aan te wenden voor het verzamelen van inlichtingen m.b.t. andere belastingen, die niet onder de bevoegdheid van zijn administratie vallen, opgelost werd door de wet van 20/8/1947, dat een 3de alinea aan het art. 1 van de wet van 18/1/1938 heeft toegevoegd;

dat hieruit volgt dat een ambtenaar, belast met de controle op de heffing van de BTW, thans alle inlichtingen betreffende andere inkomsten zal kunnen inzamelen, zelfs ingeval de belastingwet de door de ambtenaar aangewende onderzoeksbevoegdheid niet voorziet en er niet dient nagegaan te worden of de ambtenaar op eigen initiatief dan wel op vraag van een andere administratie om deze gegevens verzocht;

dat het recht der aanwending van de onderzoeksmachten in het belang van diverse fiscale besturen nochtans één beperking kent, nl. dat de navorsingsmiddelen slechts gebruikt kunnen worden om na te gaan of de fysische of rechtspersoon, bij wie de controle plaatsvindt, zich heeft gekweten van alle door hem verschuldigde belastingen;

dat tevens kan vermeld worden dat dit “beperkt” recht van optreden der ambtenaren het recht van toegang tot het gemeenschappelijk fiscaal patrimonium, waarover elke ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur beschikt - ingericht om alle door belastingwetten verschuldigde sommen op te sporen bij de wetten van 1938 en 1947 - onaangetast laat (H. Geinger, "De rechten van onderzoek van de fiscus terzake BTW"- Postuniversitaire cyclus, W. Delva, Actuele problemen van fiscaal recht, U.I.A., 1989).

Overwegende dat art. 62 BTW-wetboek het vervoer van goederen over de weg, alsmede de controle erop, regelt;

dat art. 62, § 1 BTW-wetboek het opstellen van een vervoersdocument verplichtend maakt;

dat § 2 stipuleert dat aan de BTW de mogelijkheid wordt gegeven om na te gaan of kwestige bescheiden zich tijdens het vervoer der goederen wel aan boord van het voertuig bevinden;

dat bijgevolg aan de hand van de boekhouding van de opsteller of van de bestemmeling kan worden nagegaan of voor de vervoerde goederen een factuur werd opgesteld (Geinger H., op. cit., pag. 19 e.v.);

dat terzake is gebleken dat de boordbescheiden niet in orde waren;

dat zo bijvoorbeeld werd vastgesteld dat niet voor alle goederen vervoerdocumenten voorhanden waren, terwijl er voor de rest op het vervoerdocument werd vermeld in handschrift “stocklijst” en als plaats van afgifte “onbekend”;

dat er derhalve duidelijk het vermoeden bestond dat er zonder facturen werd geleverd en de verbalisanten zeker niet kan verweten worden de vrachtwagen te hebben “gevolgd”, temeer daar zij de bestuurder hiervan nog voorafgaandelijk in kennis hebben gesteld;

dat het in deze omstandigheden volgen van de vrachtwagen van eiseres op verzet om de levering bij de bestemmelingen te controleren geen daad van machtsoverschrijding is, en evenmin kan gesteld worden dat door deze handelswijze de bewijsvoering vanuit ethisch-juridisch oogpunt als onaanvaardbaar zou dienen afgewezen te worden.

Overwegende dat eiseres op verzet ten onrechte stelt dat de kwestige processen-verbaal nietig zouden zijn op grond van art. 109 van de wet van 4/8/1986, daar de feiten die de overtreding inhouden evenals de verwijzing naar de toegepaste wetteksten duidelijk in het P.V. d.d. 3/6/1987 van adjunct-verificateur G. werden vermeld;

dat zulks trouwens onbetwistbaar blijkt bij de lectuur van kwestig PV.

Overwegende dat derhalve is gebleken dat door de diensten van verweerder op verzet geen onregelmatigheden werden begaan, noch voor wat de vaststellingen betreft, noch wat het opstellen van het dwangbevel betreft, zodat aan de kwestige processen-verbaal de normale bewijskracht kan toegekend worden.


Overwegende dat het dwangbevel de invordering van 3 boeten beoogt, nl. op grond van :

1) art. 70, § 2 BTW-wetboek :

Overwegende dat ten gevolge van de in 1986 gedane vaststellingen betreffende de vervoersdocumenten, alsmede van de vaststellingen en verklaringen van na de gecontroleerde periode, is gebleken dat, vergeleken de omzet van de jaren 1983 en 1984 met het bedrag van de BTW-plichtige listingklanten, slechts a rato van 1/3 werd gefactureerd;

dat dhr. V. R., in antwoord op de vraag waarom 2/3 niet gefactureerd werd, toegaf dat hij ... moeilijk kan getuigen dat 2/3 van zijn omzet verkoop aan particulieren zou omvatten en dat het in zijn handelssector gebruikelijk is dat de klanten leveringen zonder ffactuur verlangen en eraan toevoegde dat hij zijn zaak evengoed zou kunnen sluiten wanneer hij hieraan niet zou meedoen;

dat hij verder verklaarde dat hij voor de niet-gefactureerde leveringen wekelijks een "globale" factuur opmaakte wegens “kontante verkopen”, dewelke geboekt werd als zijnde “private verkopen”;

dat er echter - behoudens deze globale factuur - geen enkel stuk wordt bijgebracht waaruit blijkt dat er effectief goederen aan particulieren - waarvoor geen factuur vereist wordt - werden verkocht;

dat uit de beschrijving die de verbalisanten van de handelsruimte van eiseres op verzet geven, kan afgeleid worden dat zij niet ingericht is voor verkoop aan particulieren;

dat zulks blijkt uit het PV van adjunct-verificateur G. d.d. 3 juni 1987, waar hij vaststelde dat het bedrijfslokaal bestond uit een stapelplaats waarin goederen worden gelost en geladen en opgeslagen in kartonnen dozen, andere grootverpakkingen of op paletten;

dat een nadere beschrijving werd gegeven in het PV van de heren I., G. en R. d.d. 19/11/1986 en waaruit blijkt dat de beroepslokalen, benevens de stapelplaats en een kleine en grote diepvriesruimte - waarin diepvrieswaren in grootverpakking - nog een administratief bureel voor het uitvoeren van boekhoudkundige taken door bedienden en een bureeltje voor het opnemen van bestellingen en het opmaken van vervoersdocumenten en facturen voorhanden zijn;

dat er geen speciale plaats voorhanden blijkt te zijn waar cliënteel wordt ontvangen om de waren te keuren en te bestellen, terwijl de waren in grootverpakking zijn opgeslagen;

dat bijgevolg eveneens kan aanvaard worden dat de waren niet voor levering aan particulieren, doch wel voor handels- of beroepsgebruik bestemd zijn;

dat eiseres op verzet derhalve niet op grond van art. 8, lid 1 en lid 2 vrijgesteld was van het afleveren van facturen;

dat eiseres op verzet niet aan haar factureringsverplichting voldeed door het opstellen van de voormelde "globale facturen", daar deze geen effectieve controle toelaten;

dat de boete derhalve principieel verschuldigd is.

Overwegende dat eiseres op verzet aanvoert dat bij Ministeriële beslissing d.d. 8/11/1988 de boete van 60 % op 20 % werd gebracht, of 1.946.000 frank;

dat zulks trouwens niet betwist wordt, zodat de boete op dit bedrag dient behouden te blijven;

dat echter niet kan aanvaard worden dat de boete, ingeval van betekening van een dwangbevel op grond van art. 2 KB nr. 41 d.d. 30/1/1987, met 50 % dient verhoogd te worden, nu dit tot gevolg heeft dat de belastingplichtige gesanctioneerd wordt ingeval hij niet akkoord gaat met het standpunt van de administratie;

dat eenieder het recht dient te hebben zich tot de rechtbank te wenden zonder enige dwang of dreiging met een sanctie (cfr. art. 6, 1°, EVRM).

2) Art. 70, § 4 BTW-wetboek :

Overwegende dat eiseres op verzet in feite niet betwist dat zij verzuimde de juiste omzet mede te delen, doch voorhoudt dat de wettelijke verplichting - nl. 1 correcte listing per jaar - slechts driemaal zou geschonden zijn;

dat de sanctie vervat ligt in art. 70, § 4 BTW-wetboek en een geldboete van 1.000 frank tot 10.000 frank per overtreding bedraagt dat verweerder op verzet terecht stelt dat art. 50, § 1, 5° BTW-wetboek van toepassing is voor iedere belastingplichtige waaraan goederen worden geleverd en er een overtreding begaan wordt telkens wanneer voor een belastingplichtige het totale bedrag der leveringen onjuist is;

dat de boete van 8.770.000 fr., zoals bepaald in de brief van hoofdcontroleur B., gehecht aan het PV d.d. 3/6/1987, in de begeleidingsbrief verminderd werd tot 263.100 frank en dit bedrag dan ook dient aangehouden te worden;

dat ook hier - om dezelfde argumentatie zoals uiteengezet bij de boete geheven op grond van art. 70, § 2 BTW-wetboek - de verhoging met 50 % krachtens art. 2 van het KB nr. 41 d.d. 30/1/1987 niet kan toegekend worden;

4) Art. 60 BTW-wetboek :

Overwegende dat, nu de in dit artikel opgelegde bewaarplicht ruim dient geïnterpreteerd te worden met het oog op een doeltreffende controle (cfr. H. Geinger, op. Cit. pag. 21, niet kan aangenomen worden dat "interne" stukken, zoals de magazijnnota's en orderbriefjes buiten deze bewaarplicht zouden blijven;

dat, nu juist geen facturen voor bepaalde leveringen werden opgesteld deze stukken de enig voorhanden zijnde bescheiden vormen waardoor een minimale controle zou kunnen plaatsvinden;

dat de boete wettelijk~ bepaald wordt op 10.000 frank.


Overwegende dat het dwangbevel derhalve gegrond is voor :

1) 1.946.000 fr. hoofdens art. 70, § 2 BTW-wetboek

2) 263.100 fr. hoofdens art. 10, § 4 BTW-wetboek

3) 10.000 fr. hoofdens art. 60 BTW-wetboek

4) p.m. intresten en kosten.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Beslissende op tegenspraak;

Gehoord in openbare zitting d.d. 13 november 1989, mevrouw H. V., substituut-procureur des Konings, in voorlezing van haar grotendeels eensluidend schriftelijk advies;

Verklaart het verzet ontvankelijk en deels gegrond;

Zegt voor recht dat het dwangbevel, uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-kantoor Leuven op 15/12/1987 en op dezelfde datum geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor van het 2de gebied Leuven, en betekend op 17/12/1987 bij akte van gerechtsdeurwaarder A. D. te …, alleen uitvoerbaar is voor wat de boete van 1.946.000 frank - hoofdens art. 70, § 2 BTW-wetboek -, de boete van 263.100 frank - hoofdens art. 70, § 4 BTW-wetboek, en de boete van 10.000 frank - hoofdens art. 60 BTW-wetboek -, alsmede de erin vermelde kosten en intresten betreft;

Veroordeelt elke partij tot de helft der gerechtskosten, in deze procedure begroot in hoofde van eiseres op verzet op 3.777 fr. dagvaarding + rolzetting en 10.200 fr. rechtsplegingsvergoeding, en in hoofde van verweerder op verzet op 16.772 fr. kosten betekening dwangbevel en 10.200 fr. rechtsplegingsvergoeding.

ALDUS GEVONNIST EN UITGESPROKEN in de openbare terechtzitting van de tweede kamer der rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zitting houdende op maandag 11 december 1989, waar zetelden :

de heer T. M., alleenzetelend rechter,

mevrouw H. V., substituut-procureur des Konings, en

de heer P. S., griffier.

Goedgekeurd, de doorhaling van 1 woord.

P. S. T. M.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 709 voorkomens
WBTW art. 604 voorkomens
KB nr. 41 art. 22 voorkomens
WBTW art. 622 voorkomens
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 501 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8