Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 2 december 2008

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-brussel-2008-12-02-1cd7

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
2 december 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

122 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 02.12.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, 33ste KAMER

AR 2006/12928/A

- Fiscale zaken : BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

BVBA F. E. in faillissement, failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 13/02/2007, met zetel te …, …, met KBO nr. …, vertegenwoordigd door haar curator, Mr. I. V. D. M.,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. J. C. loco Mr. T. A. advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën vertegenwoordigd door de Gewestelijk Directeur BBI Brussel, voor wie optreedt de heer J. V. D., e.a. Inspecteur-diensthoofd en mevrouw F. B. Inspecteur, met kantoren 1030 Brussel; Koning Albert II laan nr. 33 (“North Galaxy – Toren A").

verwerende partij,

vertegenwoordigd door de heer J. V. D., e.a. inspecteur-diensthoofd en mevrouw F. B., inspecteur, BBI Brussel

In deze zaak, in beraad genomen op 31/10/2008, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 02/11/2006;

- gelet op de beschikking 747, § 2 d.d. 18/12/2006;

- de conclusies voor verweerder neergelegd ter griffie op 5/02/2007;

- de conclusies voor eiseres neergelegd ter griffie op 20/07/2007;

- de syntheseconclusies voor verweerder neergelegd ter griffie op 14/09/2007;

- het bundel met stukken van verweerder neergelegd ter griffie op 5/02/2007 en 14/09/2007;

- het stuk (afschrift vonnis beslagrechter Brussel inzake AR 06/13162/A) door verweerder neergelegd ter zitting op 31/10/2008;

Gehoord de raadsman van eisende partij en de aangestelden van verweerder ter openbare zitting van 30/10/2008, waarna de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.

Eiseres is BTW-plichtige.

N.a.v. een BTW-controle bij eiseres op 30/08/2005 meent de Fiscale Administratie vast te stellen dat de boekhouding m.b.t. uitgaande handelingen gebreken vertoont.

De diensten van verweerster leren bij die gelegenheid van de externe boekhouder van eiseres, mevrouw F. D. M., dat bij elke levering van dranken er manueel een verzendingsnota in drie exemplaren wordt opgesteld, waarvan er een door de klant ondertekend terugkomt.

Op verzoek van verweerster deze documenten (die in toepassing van art. 60, § 1 W.BTW bewaard dienen te blijven) voor te leggen (in toepassing van art. 61, § 1 W.BTW) blijft eiseres evenwel in gebreke dit te doen wegens ... vernietiging van deze documenten door haar bij het opmaken van de factuur.

Verweerster stelde wat dit betreft een proces-verbaal op op 2 mei 2006.

Ter gelegenheid van een tweede BTW-controle op 22/02/2006 wordt een klantenlijst gevraagd door verweerster aan eiseres voor de periode 1/09/2005 - 22/02/2006. De gedane vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal d.d. 22/02/2006.

Na onderzoek van de gedane vaststellingen en meegenomen documenten stelt verweerster op 13/09/2006 een proces-verbaal op waarin melding gemaakt wordt van diverse inbreuken waarna twee geldboetes worden opgelegd.

Vervolgens werd, steunend op voormelde processen-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd dat op 20/10/2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd en op 23 oktober 2006 betekend werd aan eiseres en waarin een proportionele geldboete van 2.705.872,56 € op grond van art. 70, § 2 W.BTW werd gevorderd en een niet-proportionele geldboete van 5.000 € op grond van art. 70, § 4 W.BTW, beiden meer moratoire interesten in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 2/11/2006 tekende eiseres verzet aan tegen dit dwangbevel.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

Eiseres vordert de nietigverklaring van het dwangbevel d.d. 20/10/2006, aan haar betekend op 23/10/2006, evenals de erin lastens haar vastgestelde BTW-boete.

Ondergeschikt vordert ze te horen zeggen voor recht dat de gevorderde BTW-boete in totale wanverhouding staat tot de begane overtredingen en vordert ze de·kwijtschelding of de vermindering van de boete tot 100 %.

Nog meer ondergeschikt vordert eiseres te horen zeggen voor recht dat de BTW-boete het voorwerp uitmaakt van een materiële berekeningsfout waardoor eiseres, slechts een boete t.b.v. 2.710.858,26 € verschuldigd zou zijn aan verweerder.

Daarnaast beoogt zij de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

De vordering van eiseres werd ingesteld bij verzoekschrift (art. 1385decies en undecies Ger. W) neergelegd ter griffie op 18/10/2005.

Nu verweerder de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres niet betwist en er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid op te werpen zijn·is de vordering van eiseres ontvankelijk.

De vordering van eiseres dient bijgevolg ontvankelijk verklaard.

3.2. Gegrondheid

De fiscale vordering inzake bestaat uit geldboetes, met name een boete op grond van art. 70, § 2 W.BTW wegens het ontbreken van bepaalde vermeldingen op een aantal facturen en een boete op grond van art. 70, § 2 en art. 1, laatste lid KB nr. 41 wegens geen juiste identificatie van de afnemer op bepaalde facturen.

Eiseres voert aan dat :

- het bewijs van het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking mogelijk te maken niet geleverd zou zijn door de Fiscale Administratie omdat o.m. de verklaringen en vaststellingen van derden niet controleerbaar zouden zijn en niet als bewijs van de feiten zouden kunnen dienen;

- de eiseres al haar BTW-verplichtingen regelmatig zou hebben nageleefd en verweerder geen bijkomende BTW vestigt en ook geen verschuldigde maar onbetaalde BTW vaststelt;

- de geldboeten onbetwistbaar onevenredig zouden zijn en buiten elke verhouding zouden zijn met de door verweerder geleden schade die door de overtredingen van eiseres zouden zijn ontstaan.

M.b.t. het argument dat de Fiscale Administratie niet afdoende zou bewijzen dat de inbreuk aangaande de onjuiste vermeldingen op de facturen gedaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Art. 70, § 2 W.BTW dient samen met art. 84, 3° lid W.BTW gelezen te worden. Hierover bestaat geen betwisting.

Eiseres is niet akkoord met de redenering van verweerder dat “eiseres in casu heeft deelgenomen aan een georganiseerde fraude minstens haar medewerking heeft verleend, en dat de kwade trouw bewezen is. In de omstandigheden van voorliggend dossier komen de opgelegde boeten dan ook als gepast voor" en argumenteert evenwel dat zij nooit de bedoeling had belasting te ontduiken of de ontduiking ervan door derden mogelijk te maken.

Eisers kan gevolgd worden waar zij stelt dat het aan de Fiscale Administratie is om aan te tonen dat de belastingplichtige de aan de orde zijnde overtredingen beging met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan door derden mogelijk te maken.

Kwade trouw wordt immers niet vermoed (zie o.m. Gent 22 november 1990, F.J.F., 2001/145).

Uit het dossier blijkt dat eiseres niet het bestaan van de inbreuken op art. 70, § 2 W.BTW betwist maar wel het feit dat deze inbreuken door haar begaan zouden geweest zijn met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan door derden mogelijk te maken.

Verweerder argumenteert dat aan de hand van de diverse vaststellingen in de verschillende processen-verbaal genoegzaam bewezen zou zijn dat eiseres haar medewerking verleende aan een mechanisme dat erop gericht was fraude te organiseren.

Daarbij, aldus verweerder, geldt het proces-verbaal van vaststelling tot het bewijs van het tegendeel dat inzake niet wordt geleverd.

Verweerder laat evenwel na dit in conclusies te verduidelijken; zij verwijst wel naar materiële feiten maar verduidelijkt ze niet in conclusies.

Na onderzoek van het proces-verbaal en het dwangbevel blijkt dat de Fiscale Administratie de kwade trouw als volgt bewijst :

- de verzendingsnota's opgemaakt bij de leveringen kunnen niet worden voorgelegd omdat ze systematisch worden vernietigd na het opmaken van een factuur;

- in de periode 2003 - 2005 factureert eiseres een reeks leveringen aan N. O..

N. verklaart noch eiseres noch haar zaakvoerder te kennen en stelt nooit facturen van eiseres ontvangen te hebben. Hij stelt voorts nooit goederen bij eiseres gekocht of afgehaald te hebben.

- Ondanks daartoe aangemaand te zijn bewaart eiseres geen verzendingsnota's voor leveringen aan N..

- in de periode 2003 - 2006 factureert eiseres een reeks leveringen aan SPRL E. S. niettegenstaande het faillissement van deze laatste op 20/06/2005;

- in de periode 2004 -·29/12/2005 factureerde eiseres aan SA F. terwijl het BTW-nr. van deze vennootschap op 2/02/2005 ambtshalve werd doorgehaald en de vennootschap failliet verklaard werd op 27/06/2005 en de curator verklaart nooit enig contact gehad te hebben in met eiseres;

- in de periode 10/0112006 - 15/02/2006 factureerde eiseres een aantal verkopen aan BVBA M. w., vennootschap die niet geïdentificeerd is als BTW-belastingplichtige;

- ondanks de aanmaning n.a.v. het plaats bezoek d.d. 30/08/2005 om verzendingsnota's bij te houden doet eiseres dit niet, zo blijkt uit vaststellingen n.a.v. een plaatsbezoek d.d. 22/02/2006;

- de vastgestelde intensiteit en omvang van de facturaties : de niet-bestaande klanten vertegenwoordigen 2/3de van de omzet, van eiseres.

Uit het dossier blijkt voorts dat verweerder bovendien niet buiten het gegeven kon dat de zaakvoerder van eiseres reeds eerder strafrechtelijk veroordeeld werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel (Rb. Brussel, 52° kamer, 29 september 2006 - AR). voor gelijkaardige feiten.

Daarbij werd de onmiddellijke aanhouding van de zaakvoerder van eiseres bevolen.

Verweerder steunt zich zodoende op vaststellingen gedaan in de processen-verbaal.

Volgens eiseres geldt de bewijswaarde van een proces-verbaal enkel voor werkelijke materiële vaststellingen en niet voor deducties uit die vaststellingen.

Verweerder antwoordt in zijn conclusies niet op dit argument.

Eiseres argumenteert dat zodoende niet bewezen is dat de inhoud van de verklaringen van N. waarachtig zouden zijn; en dat de inhoud van de verklaringen van de curatoren van E. S. en van NV F. evenmin als vaststellingen kunnen worden aangenomen en dat op grond van dit alles niet bewezen is dat eiseres te kwader trouw is.

Een proces-verbaal van vaststelling geldt tot bewijs van het tegendeel (art. 59, § 1, 2° W.BTW). Inzake toont eiseres geen tegendeel aan maar beperkt zich enkel tot het in vraag stellen van de bewijswaarde van de PV's van eiseres.

De feitenrechter oordeelt soeverein aan de hand van de hem voorgelegde stukken.

Inzake meent de rechtbank dat er alleen en enkel alleen al aan de hand van de vaststellingen dat eiseres verzendingsnota's vernietigde, er door de Fiscale Administratie werd op gewezen dat dergelijke nota's bijgehouden dienden te worden en vervolgens nog verderging met het vernietigen van de nota's en zodoende nog steeds geen verzendingsnota's kon voorleggen aangetoond is dat eiseres te kwader trouw is. Het moedwillig niet bijhouden en/of vernietigen van door de wet voorgeschreven boeken of stukken getuigt volgens de rechtbank van het bedrieglijk inzicht elk toezicht en/of controle onmogelijk te maken.

Het geheel van de door verweerder gedane materiële vaststellingen vormt voor de rechtbank een afdoende bewijs om de kwade trouw van eiseres aan te tonen.

In het bijzonder overtuigen volgende vaststellingen de rechtbank dat eiseres met kwade trouw een bepaald mechanisme creëert en in stand houdt :

- moedwillig verzendingsnota's vernietigen en zodoende elke controle onmogelijk maken;

- voor·2/3 van de totale omzet en tegelijk voor zeer grote bedragen factureren aan niet-bestaande klanten (o.a. zelfs na faillissement) uitreiken.

Dit middel van eiseres is bijgevolg ongegrond.

M.b.t. het argument dat de opgelegde boetes nietig zouden zijn wegens disproportionaliteit

Krachtens artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens, een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag ,van de proportionele fiscale geldboeten, zijnde schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelfgebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cassatie 16 februari 2007, arr. nr. RC 072 G5 1.).

Art. 1 in fine van het KB nr. 41 d.d. 30/01/1987 bepaalt dat geen vermindering van de opgelegde boete kan worden toegepast in geval van opzettelijke fraude.

In geval van overtredingen begaan met het oogmerk belastingen te ontduiken of de ontduiking ervan, mogelijk te maken is herleiding van de administratieve geldboeten wettelijk onmogelijk. De rechter mag tegen de wet in, om loutere redenen van opportuniteit, geen boeten kwijtschelden op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige (Cassatie 21 januari 2005, inzake B.S/N.V.C.).

Inzake is de rechtbank van oordeel dat de sanctie wettelijk is.

M.b.t. de verzendingsnota’s - artikel 70, § 4 W.BTW

Eiseres, argumenteert dat er geen wettelijke verplichting voorhanden zou zijn op grond waarvan zij de verzendingsnota's zou dienen bij te houden. Nog steeds aldus eiseres, maken zij geen deel uit van de boekhouding.

Terecht stelt verweerder dat de bewaring van verzendingsnota's wel degelijk verplicht is overeenkomstig art. 61, § 1 W.BTW nu men niet kan voorbijgaan aan het feit dat het niet - bewaren van de verzendingsnota’s een controlemiddel ontneemt aan de administratie dat haar zou moeten toelaten de ware identiteit van de klant te achterhalen, en de echtheid en de hoeveelheid van de geleverde goederen.

M.b.t. de totaal opgelegde boete

Uiterst ondergeschikt meent eiseres dat de opgelegde boetes niet correct werden berekend.

Zij stelt dat op blz. 8 van het dwangbevel de totale boete opgelegd op grond van art. 70, § 2 W.BTW berekend werd op 2.705.858,26 € terwijl op blz. 9 van het dwangbevel in de samenvatting van de verschuldigde sommen het bedrag verschuldigd op grond van art. 70, § 2 W.BTW wordt hernomen als 2.705.872,56. Na samentelling met de boete opgelegd op grond van art. 70, § 4 W.BTW geeft dit een totaal van 2.710.872,56 € terwijl dit totaalbedrag 2.710.858,26 € zou dienen te zijn aldus eiseres.

Eiseres vordert dan ook de nietigverklaring van het dwangbevel voor wat betreft hetgeen meer dan dit bedrag wordt gevorderd.

Verweerder merkt terecht op dat het verschil van 13,04 € niet het gevolg is van een vergissing, maar dat er een correcte toepassing werd gemaakt van art. 70, § 2 W.BTW.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGlNGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van haar.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil € 2.705.872,56 (zonder interesten) bedraagt;

De waarde van de vordering (met interesten) situeert zich derhalve boven € 1.000.000.

Partijen verklaren in conclusies dat zij het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vorderen.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 15 000,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juli 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet·ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres in toepassing van art. 1022 Ger. W. en van de artikelen 1 en 2 van het KB d.d. 26 oktober 2007 tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € 15.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 2 december 2008.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. L.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 41 art. 13 voorkomens
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8