Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 5 mei 2003

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-antwerpen-2003-05-fe69

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
5 mei 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 05.05.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijf mei tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 99/1011/A

NV A. D., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester E. G., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Antwerpen 2, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester G. V. R. loco meester J. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder R. D. C. in vervanging van gerechtsdeurwaarder M.-R. P. te … op 12 februari 1999.

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 25 september 2002,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 199S en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 7 april 2003.


Gegevens en voorgaande

Eiseres zet in syntheseconclusie uiteen dat vanuit een door de belastingdienst van Douane & Accijnzen in 1993 opgestart onderzoek is gebleken dat zij in juli 1993, via materieel optreden van de echtgenote van een personeelslid, sluikinvoer heeft verricht van een partij Braziliaanse ruwe diamant.

Over het opgegeven tijdstip van de sluikinvoer als dusdanig, zoals weergegeven in een op 17 januari 1994 afgenomen verklaring van de gedelegeerd bestuurder van eiseres (overtuigingsstuk 1 van verweerder), loopt er geen betwisting tussen huidige gedingpartijen.

Met brief van 22 augustus 1994 gaf de directeur van de vermelde belastingdienst aan eiseres de kans om vervolgingen te vermijden door betaling van een transactionele boete gelijk aan 10 % van de waarde voor deze aan vergunning maar niet aan rechten onderhevige invoer, en de brief voegde daaraan toe dat de boete kon worden voldaan door aanwending van de op 20 januari 1994 betaalde borgsom van hetzelfde bedrag (brief als bijlage 1 bij 'procedurestuk II' van verweerder).

De zekerheidsstelling van 20 januari 1994 (bijlage 3 bij hetzelfde stuk) werd per 1 september 1994 omgezet in betaling (bijlage 2 bij hetzelfde stuk).

Eiseres zet verder in syntheseconclusie uiteen dat zij op 7 september 1994 een aangifte IM4 heeft ingereikt bij de ontvanger van Douane & Accijnzen, zulks eveneens in uitvoering van de vermelde brief van 22 augustus 1994 van de directeur, en tussen huidige gedingpartijen loopt er over dit feit en over de datum ervan geen betwisting.

Een controleambtenaar van de belastingdienst BTW heeft op 17 juli 1998 een proces-verbaal opgesteld waarbij hij verwijst naar een door hem op 6 november 1996 ten overstaan van een bestuurster van huidig eiseres verrichte controle (stuk 2 van eiseres).

Het proces-verbaal hanteert artikel 64, § 1 Wetboek BTW om te stellen dat de partij diamant werd vervreemd onder met BTW belastbare omstandigheden, gezien eiseres het bewijs niet leverde van 'een intracommunautaire levering of wederuitvoer in de zin van het BTW-Wetboek'.

Het proces-verbaal vermeldt ook dat de hogerop vermelde bestuurster van huidig eiseres heeft verklaard de partij niet te kunnen vertonen wegens doorverkoop aan ene die handelde in vertegenwoordiging van ene NV S., en dat deze met de diamanten zou zijn verdwenen.

De verbalisant berekende de verschuldigde BTW door de globale winstmarge van eiseres toe te passen op de vervreemding van de betrokken partij, en door daarop het BTW-tarief 20,5 % toe te passen dat in voege was van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995.

Hierop berekende de verbalisant een boete gelijk aan tweemaal de rechten, onder verwijzing naar artikel 70, § 1 Wetboek BTW, en vermeldde hij intrestschuld onder artikel 91, § 1, deze laatste met ingang van 21 juni 1996.

Het proces-verbaal met bijlagen werd door de ontvanger van de BTW gehecht aan een door hem op 3 december 1998 opgemaakt dwangbevel ('procedurestuk I' van verweerder) dat op 7 december 1998 uitvoerbaar werd verklaard, en dat per 15 december 1998 werd betekend aan de maatschappelijke zetel van eiseres.

Met gerechtsdeurwaardersexploot van 12 februari 1999 heeft eiseres verweerder laten dagvaarden in betwisting van de fiscale vordering.

Onderzoek en beoordeling

Met betrekking tot de ingestelde rechtsvordering werpt verweerder geen ontoelaatbaarheid op en de rechtbank onderkent geen ambtshalve aan te voeren oorzaak tot ontoelaatbaar verklaring.

Eiseres voert aan dat de sluikinvoer slechts werd vastgesteld door Douane & Accijnzen door het ter maatschappelijke zetel aantreffen van 'twee handgeschreven notitieblaadjes en op de verklaringen die door (haar) gedelegeerd bestuurder in het kader van het opsporingsonderzoek van de douane werden afgelegd', maar niet door het fysisch aantreffen van de partij diamant.

Zij leidt daaruit af dat de diamanten 'dus hoe dan ook niet meer voorradig en dus nier meer aanwezig (waren) op het tijdstip van de onderzoeksverrichtingen van de ambtenaar van de opsporingssectie der douane en accijnzen', ..., 'alleszins op 14 december 1993', zijnde de datum van eerste verhoor van de gedelegeerd bestuurder, en dat de goederen dan ook reeds eerder waren overgedragen of geleverd aan de hogerop vernoemde [...]

Het staat bij dit alles vanuit de aan de rechtbank ter inzage voorgelegde gegevens vast dat de aangifte IM4 van 7 september 1994 slechts een regularisatie behelsde van een reeds in de loop van juli 1993 door eiseres gebeurde sluikinvoer.

Waar eiseres staande houdt dat de goederen reeds uiterlijk op 14 december 1993 haar bedrijf hadden verlaten door levering aan …, stelt zij dat daardoor op 15 december 1998, datum van de betekening van het bestreden dwangbevel, verjaring was ingetreden van de in het dwangbevel opgenomen BTW-vordering.

Zij voert aldus bepaaldelijk aan dat de belastingdienst geen vermoeden van artikel 64, § 1 kon verbinden aan uit een reeds per uiterlijk 14 december 1993 immers niet meer bestaand feit van het bezit van de partij diamant in hoofde van eiseres.

Verweerder voert daartegen aan dat dit laatste, aldus het op 14 december 1993 niet meer in het bedrijf van eiseres aanwezig zijn van de partij diamant, een loutere bewering vormt van eiseres, waarvan deze niet het minste bewijs levert.

De rechtbank kan eiseres niet bijtreden.

Het is met name niet omdat de sluikinvoer niet werd vastgesteld aan de hand van het fysisch aantreffen van de partij diamant, maar wel aan de hand van een geheel van gegevens (notities en de verklaringen van bestuurder en van gedelegeerd bestuurder), dat zulks tegelijk mee zou brengen dat die goederen op 14 december 1993 niet meer in het bedrijf van eiseres aanwezig waren.

Eiseres bestrijdt aldus de vaststelling van de BTW-belastingdienst met een eigen niet bewezen premisse, waartoe alvast de briefwisseling (haar brief van 23 december 1996 en het antwoord van 27 december 1996, beide als bijlagen bij het proces-verbaal) tussen haarzelf en de curator van NV S. (waarvan … de verdwenen gedelegeerd bestuurder bleek) niet tot bewijs kan dienen, vermits die briefwisseling zelfs geen melding maakt van een al dan niet door eiseres aan NV S. of eventueel aan beweerdelijk gedane levering.

De belastingdienst BTW kon bij gebrek aan dit bewijs het vermoeden van artikel 64, § 1 BTW-Wetboek toepassen op het vastliggende gegeven van sluikinvoer die was geschied in juli 1993 en het tegelijk vastgestelde gegeven dat eiseres op uitdrukkelijke vraag van de BTW noch het bewijs kon voorleggen van aanwezigheid van de goederen noch het bewijs van levering van die goederen onder voldane BTW-vrijstellingsvoorwaarden.

Het door de verbalisant in het proces-verbaal opgetekende gegeven van de niet vertoning, gepaard met de toepassing van het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 BTW kreeg, vanuit wat hogerop werd uiteengezet, geen tegenbewijs van de kant van eiseres.

De vaststelling en het daaruit afgeleide wettelijke vermoeden gebeurden eind 1996, zodat er op het ogenblik van de betekening van de fiscale vordering per 15 december 1998 van het dwangbevel geenszins verjaring kon zijn ingetreden.

Tenslotte is het feit van de toepassing van 20,5 % voor 1994 in plaats van 21 % voor 1996 niet relevant voor de beoordeling van huidig voorliggende betwisting, en wijst het slechts op een door de belastingdienst bedragsmatig te laag geformuleerde en gestelde fiscale vordering.

De geldigheid van het dwangbevel als titel wordt door eiseres niet in vraag gesteld, zodat de vordering van eiseres slechts kan worden gelezen als strekkend tot onwettig verklaring van het dwangbevel uit oorzaak van afwezigheid van daaraan onderliggende fiscale vordering, wat echter niet werd bevonden, gelet op wat hogerop werd uiteengezet.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 167,33 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.

N. D. L. B.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 642 voorkomens
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8