Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Oudenaarde d.d. 22.02.1999
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :
Algemene rol nr. : 93/23578/A
Ten verzoeke van :
O. P., voorheen zelfstandig brood- en banketbakker onder H.R. Oudenaarde … en sedert 1 juli 1987 werkend vennoot. wonende te …, …;
eiser,
bij exploot van gerechtsdeurwaarder I. R. te … d.d. 13 april 1993;
hebbende als raadsman Mtr. M. D. S., advocaat te …;
tegen :
De BELGSCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, m.n. W. H., wiens kantoor gevestigd is te … aan de …;
verweerder,
hebbende als raadsman Mtr. G. D. L., advocaat te …;
De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.
De rechtbank hoorde partijen bij monde van hun raadsman in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.
Het inleidend exploot strekt tot verzet tegen een dwangbevel van 8 december 1992, betekend op 15 februari 1993 en tot ontlasting van vervolgingen voor BTW, geldboetes, interesten en kosten.
Eiser stelt reeds uitvoerig en gemotiveerd zijn niet-akkoord met de ambtshalve aanslag betuigd te hebben bij schrijven van 6 oktober 1992 en beschouwt deze argumentatie als hier herhaald.
Hij verwijst verder naar zijn bezwaarschrift van 26 november 1992, bezwaarschrift dat blijkbaar nog steeds hangende is.
Daar waarde vordering zou gevestigd zijn op basis van een gerechtsdossier strafdossier lastens de NV D. N. M. van Gent en Brugge, waaruit zou blijken dat hij niet officiële leveringen van bloem zou ontvangen hebben, vraagt hij vooreerst dat de Administratie alle s:ukken uit dit strafbundel en waarop ze zich steunt zou overleggen.
Hij wijst er verder op dat de bijzondere bewijskracht van een P.V. van ambtenaren slechts geldt voor de door deze ambtenaren zelf gedane vaststellingen en zich niet uitstrekt tot de gevolgtrekkingen hieruit.
Verweerder zou eenvoudig en alleen uitgegaan zijn van een klantenlisting dewelke eind 1987 gevonden werd bij zijn leverancier.
Deze listing zou codes bevat hebben terzake leveringen in het zwart, doch er zou nooit dergelijke levering bij hem vastgesteld zijn.
Verweerder zou zich dan bij gebreke aan werkelijk bewijs beroepen hebben op vermoedens om uiteindelijk zeer zware extra-aanslagen te vestigen voor de aanslagjaren 1933 tot en met 1986, welke eveneens betwist werden.
In eerste conclusies stelt verweerder dat de ingeroepen bezwaarschriften enkel tijdwinst op het oog hadden en in elk geval niet schorsend werken in tegenstelling tot tijdige bezwaren tegen taxaties van de directe belastingen.
Hij verwijst verder naar de mogelijkheden van de fiscale ambtenaren om inzage te krijgen in strafbundels en er gebruik van te maken, ongeacht de personen dewelke de belasting verschuldigd zijn en beroept zich daarbij op artikel 1, § 2 van de wet van 28 juli 1938, gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947.
Hij wijst verder op de overeenstemmende vermoedens met volledige bekentenissen van de zaakvoerder van de leverancier en de werknemers aldaar.
Wanneer enkel zou kunnen opgetreden worden bij vaststelling de visu van leveringen in het zwart of sporen van betalingen, zou dit elk bewijs in feite onmogelijk maken en het bewijs door vermoedens volledig ontkrachten.
Hij verwijst voor dit alles naar uitgebreide rechtspraak.
In antwoordconclusies stelt eiser dat er, gelet op de door hem getekende afstand van de verlopen verjaringstijd, geen enkele noodzaak was om dringend in te vorderen en er kon gewacht worden tot na een ernstig onderzoek en beslissing omtrent zijn bezwaar.
Hij gedraagt zich naar de wijsheid terzake de mogelijkheden om gegevens van een dossier aan te wenden tegen derden en vraagt nogmaals inzage van het strafbundel met verwijzing naar de rechten van de verdediging.
Ten gronde blijft hij erbij dat de administratie niets bewijst en hij ontkent de verschillende overeenstemmende vermoedens.
In laatste conclusies stelt verweerder dat de onwillige houding van eiser haar in elk geval het recht verschafte de invordering te benaarstigen en ze verwijst naar het PV lastens eiser zelf, aangehecht aan het dwangbevel waar uitvoerig verwezen werd naar de verschillende bekentenissen en verklaringen van de leverancier en zijn werknemers.
Hij volhardt verder in de diverse vermoedens, dewelke afdoend zouden zijn en eiser zou het tegendeel niet bewijzen, nu de bewijslast zou omgekeerd zijn bij toepassing van artikel 66 en 67 van het BTW-Wetboek.
Bespreking
Eiser sommeerde verweerder reeds in zijn inleidend exploot om het strafbundel lastens de leverancier voor te leggen.
Deze sommatie werd in conclusies herhaald.
Het is zo dat het PV lastens eiser vrij uitgebreid citeert uit dit strafbundel en de diverse verklaringen, doch met eiser moet aangenomen worden dat hij zelf de mogelijkheid moet hebben om de verklaringen te bekijken en dit in hun integraliteit, gezien de misschien eerder theoretische mogelijkheid van selectieve lezing door verweerder.
Dit lijkt deze rechtbank inderdaad een fundamenteel recht van eiser in het kader van zijn verdediging tegen een niet onbelangrijke vordering van de administratie, waarvan huidig geschil in feite maar een beperkt deel uitmaakt.
Het past dan ook dat verweerder deze stukken zou overleggen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak
Verklaart de vordering ontvankelijk en alvorens recht te doen, beveelt dat verweerder het door hem aangewende strafbundel terzake de NV D. N. M. van Gent en Brugge zou overleggen aan eiser.
Verwijst de zaak in afwachting terug naar de rol, teneinde partijen desgevallend nog de gelegenheid te geven omtrent deze bijkomende stukken te concluderen.
Reserveert de kosten.
Verklaart huidig vonnis voor zoveel als nodig uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op tweeëntwintig februari 1900 negenennegentig.
Aanwezig :
De heer A. S., Ondervoorzitter, voorzitter der kamer;
Mevrouw M. M. T., griffier;
M. M. T. A. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.