Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 16.01.2007
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 98/3120/A
1. mevrouw A. M., zonder gekend beroep, wonende te …, …,
2. de heer Z. K., wonende te … (Duitsland), …, doch woonstkiezende bij zijn raadsman,
eisers
voor wie is opgetreden Meester S. D. (balie Brugge) loco Meester D. C., advocaat met kantoor te …, …,
TEGEN
De BELGISCHE STAAT, F.O.D. FINANCIËN, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder
voor wie is opgetreden Meester F. N. (balie Brugge) loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet d.d. 23 oktober 1998.
Gelet op de verwijzing van deze zaak d.d. 5 september 2001, in toepassing van artikel 90 Ger.W., naar de vierde kamer van deze rechtbank.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzittingen van 28 november en 19 december 2006.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eisers zijn niet-belastingplichtige particulieren en eigenaars van een gebouw gelegen te …, ….
Op 12 oktober 1990 verkrijgen eisers een bouwvergunning tot het ' renoveren ' van het onroerend goed. Op 20 september 1991 werd door gemachtigden van de Dienst bouwvergunningen bij onderzoek vastgesteld dat de werken niet werden uitgevoerd overeenkomstig de bouwvergunning.
Op 22 juli 1993 dienen eisers aangepaste regularisatieplannen in. Op 13 januari 1995 krijgen eisers een nieuwe bouwvergunning tot het ' renoveren ' van het pand, met de bijzondere voorwaarde de goedgekeurde regularisatieplannen stipt na te leven.
Op 29 januari 1997 hebben eisers de bouwaangifte bedoeld in artikel 64, § 4 BTWWetboek ingediend, samen met de facturen, de plannen en het bewijs van zelf uitgevoerde werken. De verschuldigde BTW over de verrichte werkzaamheden in onroerende staat werden geheven tegen het verlaagd tarief van 6 %.
Op basis van de bouwaangifte met de bijgevoegde stukken werden door verweerder in hoofde van eisers overtredingen vastgesteld inzake de toepassing van de BTW wetgeving en reglementering.
Gezien eisers zich niet akkoord verklaarden met de vastgestelde overtredingen werd een proces-verbaal opgesteld op 5 oktober 1998.
Wegens niet-betaling der verschuldigde bedragen werd op 6 oktober 1998 door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 6 oktober 1998 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Eerstaanwezend Inspecteur van de Eerste BTW-controle te Brugge, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge.
Op 8 oktober 1998 werd het dwangbevel bij deurwaardersexploot ter kennis gebracht aan eisers.
Tegen dit dwangbevel tekenden eisers verzet aan op 23 oktober 1998.
2. Eisers vragen dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het verzet tijdig en regelmatig, ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- voor recht wordt gezegd dat het proces-verbaal en het dwangbevel nietig zijn; voor recht wordt gezegd dat de aanslagen onregelmatig zijn en dat derhalve ontheffing van het dwangbevel wordt verleend;
- ondergeschikt toegelaten wordt om met getuigen de omvang van de renovatie te bewijzen;
- meer ondergeschikt een deskundige wordt aangesteld om de renovatie te beschrijven;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zonder mogelijkheid tot borgstelling noch kantonnement.
Verweerder vraagt dat het verzet van eisers ongegrond wordt verklaard en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
B. Betreffende de grond
1. nietigheid proces-verbaal en dwangbevel
1.1. Eisers stellen dat het proces-verbaal nietig is omdat de verbalisanten de materiële feiten niet hebben vastgesteld maar enkel gevolgtrekkingen hebben afgeleid uit de bouwplannen. Verder wordt in het proces-verbaal verwezen naar de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 en deze aanschrijving heeft geen bindende kracht. Gezien het dwangbevel gemotiveerd is met het nietige proces-verbaal is het dwangbevel zelf ook nietig.
1.2. Volgens verweerder is het proces-verbaal niet nietig. De verbalisanten hebben de vaststellingen gedaan op de plannen en zij hebben geen gevolgtrekking afgeleid. Gezien het reeds regularisatieplannen betrof werd aangenomen dat ze waarheidsgetrouw zijn opgesteld. De administratieve aanschrijving nr.6 van 22 augustus 1986 is een document om de wetgeving toe te lichten en te interpreteren zowel voor de belastingplichtige als voor de fiscus.
1.3. Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan. Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid, die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, en éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de Wet van 29 juli 1991.
De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren.
Het proces-verbaal d.d. 5 oktober 1998 dient als motivering van het betwiste dwangbevel.
In het proces-verbaal hebben de verbalisanten vaststellingen gedaan op de plannen door eisers bij de bouwaangifte gevoegd. Op deze plannen wordt weergegeven welke muren werden behouden en welke muren nieuw zijn. Door de verbalisanten werd louter materieel vastgesteld wat op het plan is weergegeven. Zij konden aannemen dat het plan waarheidsgetrouw was opgesteld, te meer daar in de bouwvergunning d.d. 13 januari 1995 uitdrukkelijk is voorzien dat de regularisatieplannen stipt moeten worden uitgevoerd.
In het proces-verbaal d.d. 5 oktober 1998 wordt verwezen naar de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986. In de aanschrijving wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie zijn zulke aanschrijvingen niet bindend. De aanschrijving geeft wel de interpretatie en de richtlijnen van de administratie weer. Het naleven van haar eigen interpretaties en richtlijnen is voor de administratie een vorm van behoorlijk bestuur en verstrekt rechtszekerheid aan de belastingplichtige.
1.4. De rechtbank stelt dan ook vast dat het proces-verbaal d.d. 5 oktober 1998 gemotiveerd is. Het staat de belastingplichtige natuurlijk altijd vrij het niet met deze motivering eens te zijn, maar dit doet niets af aan de geldigheid van het proces verbaal.
De rechtbank stelt geen onvolkomenheden of onnauwkeurigheden vast in het procesverbaal die de nietigheid van het proces-verbaal en het betwiste dwangbevel tot gevolg zouden hebben.
2. omvorming van een gebouw : toepassing van het verlaagd tarief van 6 %
2.1. Eisers hebben het betreffende onroerend goed 'gerenoveerd '. In casu stellen zij dat het niet gaat over een nieuwbouw maar over een omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW- tarief van 6 %.
2.2. Volgens verweerder betreft het een nieuwbouw gezien alle binnen- en buitenmuren werden gesloopt. De voorwaarden om het tarief van 6 % te genieten zijn dus niet vervuld.
2.3. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6%. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.
Krachtens §1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.
In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder ' omvorming ' wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken. Volgens voormelde aanschrijving wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw.
Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving geen andere bedoeling en draagwijdte heeft dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij heeft met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve aanschrijvingen geen bindend karakter.
Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.
Het onderscheid tussen werken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de werken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr.70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, b.t.w.-rev., nr. 107, 106 nr. 3).
2.4. Door partijen worden plannen en foto's ( van voor en na de werken ) neergelegd. Partijen zijn het er over eens dat de plannen zeker op één punt afwijken van de werkelijke uitvoering, namelijk van de muur aan de kant van de Reie werd een stuk behouden tot aan een gedeelte dat door sleet aangetast was en moest vervangen worden. Dit wordt bevestigd door het proces-verbaal d.d. 20 september 1991 van bouwovertreding en de daarbij gevoegde foto's.
Over de verdere afwijking van de werkelijkheid t.o.v. de plannen bestaat betwisting.
Uit de plannen blijkt dat de funderingen en de kelder zijn blijven bestaan. De zijmuren en de muur langs de … zijn eveneens blijven staan. Hierover is geen betwisting.
Volgens partijen is ook de muur aan de kant van de Reie behouden tot aan het gedeelte dat door sleet werd aangetast.
Volgens eisers werden alle dragende muren behouden en aan de binnenkant van deze muren werd een steen ertegen gemetseld om het geheel te stabiliseren. Ook de buitenmuren werden behouden, dit in tegenstelling tot de aanduiding op de plannen.
De stelling van eisers wordt bevestigd door architect V.. Voor zover de foto's dit toelaten, blijkt dit ook hieruit.
Uit de stukken blijkt ook dat andere muren wel werden afgebroken.
De aanzienlijke kostprijs van de werken kan op zich geen bewijs zijn dat het een nieuwbouw of omvorming zou betreffen. Het renoveren van oude gebouwen kost veel geld.
Ook het kadastraal inkomen kan geen aanwijzing zijn. Het gebouw was bij het Kadaster blijkbaar ingeschreven als bergplaats terwijl uit de foto's van de oude toestand duidelijk blijkt dat het gebouw meer was dan een bergplaats ( o.a. een schouw en een aanzienlijk aantal ramen ).
2.5. Op basis van de punten waarover partijen het eens zijn, de neergelegde foto's en de brief d.d. 9 november 1998 van architect Vanheste besluit de rechtbank dat de oude dragende muren voor het grootste deel behouden zijn. Verder is het zo dat de toevoegingen ( nieuw metselwerk en een steen gemetst tegen de dragende muren ) dienstig zijn en op zich geen eigen identiteit hebben verworven.
Het is duidelijk dat de werken weliswaar een ingrijpende omvorming van het gebouw tot gevolg hebben doch geenszins de bouw van een nieuwbouw betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook van toepassing op de uitgevoerde werken.
C. Betreffende de kosten
Gezien verweerder in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
D. Betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad
Ingevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald. Vernietigt het bestreden dwangbevel.
Zegt voor recht dat op de verrichte werken in onroerende staat aan het gebouw gelegen te …, … in het algemeen, en op de facturen zoals opgesomd in het proces-verbaal van 5 oktober 1998 in het bijzonder, een BTW tarief van 6 % van toepassing is.
Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van alle sommen die hij ingevolge het opleggen van het BTW-tarief van 19,5 % en vanaf 1 januari 1994 het BTW-tarief van 20,5 % op de facturen betreffende de werken in onroerende staat eventueel reeds ontving, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van eisers begroot op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag zestien januari tweeduizend en zeven.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N.L. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.