Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 21.04.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig april tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde E kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : A.R.Nr. 01/7033/A
…, uitbater van een nachtwinkel, wonende te …, …
eisende partij,
verschijnende bij meester L. G. loco meester D. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door haar Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vertegenwoordiging van benaarstiging van de Heer Gewestelijke Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
In zake : A.R. Nr. 02/3978/A
…, uitbater van een nachtwinkel, wonende te …, …
eisende partij,
verschijnende bij meester L. G. loco meester D. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door haar Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, op vertegenwoordiging van benaarstiging van de Heer Gewestelijke Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
In zake : A.R. Nr. 01/7033/A
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 november 2001,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 september 2002,
- de besluiten van partijen.
Inzake : A.R. Nr. 02/3978/A
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder H. J. te … op …,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 25 oktober 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 26 maart 2004.
Gegevens en voorgaande
Inzake A.R. 01/7033/A is er namens eiser op 9 november 2001 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd in betwisting van een afwijzende beslissing die in en met brief van 9 oktober 2001 van de gewestelijk directeur van de BTW is medegedeeld aan eiser op diens informeel bezwaarschrift·, aldus buitenom enig door de wet georganiseerd administratief beroep.
Inzake A.R 02/3978/A werd namens eiser op 27 juni 2002 - met een materiële vergissing ter zake zijn voornaam - een exploot van dagvaarding uitgebracht in betwisting van dwangbevel van de Ontvanger der BTW dat was uitgevaardigd op 22 maart 2001, uitvoerbaar verklaard op 27 maart 2001, en aan eiser betekend met exploot van 18 april 2001.
Op 5 maart 2001 had een BTW-ambtenaar een proces-verbaal opgesteld ten name van eiser, waarbij werd verwezen naar twee andere processen-verbaal van 26 mei 2000 opgemaakt door een collega BTW-ambtenaar ten name van ene NV H. te …, bij wie was vastgesteld dat ze niet verkocht aan particulieren hoewel talrijke klanten niet stonden geregistreerd als BTW-belastingplichtigen, dat van deze laatsten 'tal van namen en/of adressen fictief waren’, dat de toegang bij genoemde NV werd geregeld door een aankooppas met een door een scanner aan de inkomdeur te lezen streepjescode, dat sommige afnemers in het bezit waren van meerdere koperskaarten (een met juiste identiteit, naast een of meer met fictieve namen en/of adressen of op naam van familieleden) waarvan de tweede en volgende geen streepjescode droegen, en aldus geen toegang gaven tot de verkoopruimte.
Hetzelfde proces-verbaal van 5 maart 2001 (stuk 1 van verweerder) stelt verder onder littera 1 B :
"Dat uit het onderzoek van de klantenbestanden is gebleken dat door gebruik werd gemaakt van een kaart op naam van een zekere K. N. S.. Het verband tussen deze twee kaarten blijkt uit de vaststelling dat van de 625 facturen die vanaf januari 1996 tot eind 1998 aan … werden uitgereikt er in 178 gevallen ogenblikkelijk ervoor of erna een factuur werd opgemaakt op naam van K. N. S.. Dit blijkt uit de lijst van de facturen welke als bijlage deel uitmaakt van onderhavig proces-verbaal".
Hetzelfde proces-verbaal gaat verder dat eiser ter zake BTW voor 1996, 1997 en 1998 had geopteerd voor forfaitaire belasting conform KB nr. 2 inzake BTW, dat de op naam van K. N. S. gefactureerde goederen niet waren opgenomen in de aankoopadministratie van eiser en bijgevolg niet aan forfaitberekening inzake heffing van de BTW waren onderworpen, waarna een berekening volgt van de navordering.
In conclusie van eiser in beide rolnummers staat te lezen dat het proces-verbaal diezelfde dag aangetekend aan hem werd verstuurd, en dat hij met (een niet aan de rechtbank voorgelegd) geschrift van 29 maart 2001 (het hogerop reeds vermelde) bezwaar heeft ingediend ter adres van de gewestelijk directeur van de BTW die met (de hogerop eveneens vermelde) brief van 9 oktober 2001 (gehecht aan het verzoekschrift inzake A.R. 01/7033/A) het bezwaar afwees, gevolgd door de vordering met het verzoekschrift dat de zaak A.R. 01/7033/A heeft ingeleid.
Onderzoek en beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat de zaken onder A.R. 01/7033/A en A.R. 02/3978/A dienen te worden samengevoegd, waar de rechtbank zich bij aansluit vanuit wat hogerop is uiteengezet.
Inzake A.R. 01/7033/A heeft verweerder ontoelaatbaarheid van de vordering opgeworpen om reden van inleiding middels verzoekschrift van een BTW betwisting die haar oorzaak vindt in de periode die voorafgaat aan 1 januari 1999, welke opwerping correct is gelet op de tweede gedachtestreep van art. 97 van de wet van 15 maart 1999 (B.S. 27 maart 1999) samen gelezen met artikel 1385decies eerste lid Gerechtelijk Wetboek.
Nu aldus die vordering nog had moeten zijn ingeleid middels een exploot van dagvaarding, dient deze vordering bijgevolg ontoelaatbaar te worden verklaard.
Inzake A.R. 02/3978/A loopt er geen betwisting ter zake toelaatbaarheid, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.
Eiser doet daar gelden dat hij als uitbater van een nachtwinkel te … zijn aankopen doet bij de vestiging van NV H.. (handelsbenaming C.) te …, en dat hij daartoe in het bezit is van een aankoopkaart, maar dat hij nooit heeft beschikt over een aankoopkaart op naam van K. N. S., 'zijnde een nachtwinkel die overigens effectief bestaat' (eerste conclusie, blz.2).
Verweerder doet gelden dat BVBA K. S. pas is opgericht op 6 oktober 1998, terwijl de betwisting loopt over de jaren 1996-1997-1998, en voorts ook dat op het adres van deze K. S. tevoren een bakkerij huurster was tot intrede van deze laatste aldaar.
Eiser betwist de wettelijke bewijskracht van het proces-verbaal van 5 maart 2001, omdat het buiten vaststellingen ook afleidingen maakt, en betwist verder ook dat het bewijs door middel van feitelijke vermoedens naar vereiste van artikel 1353 Burgerlijk Wetboek is geleverd.
De BTW-verbalisant van 5 maart 2001 heeft gelezen en overgenomen wat de Brugse collega in diens beide processen-verbaal van 26 mei 2000 schriftelijk had neergelegd met betrekking tot de administratie en werking van NV H..
Het bewijs van de belastbare omstandigheden moest uiterlijk vastliggen op het ogenblik dat het hogerop vermelde dwangbevel werd uitgevaardigd, gelet op dit middels artikel 85, § 1 BTW-Wetboek aan de belastingdienst toegekende voorrecht van uitwinning, waardoor deze immers wordt ontslagen van het voorafgaand bekomen van een titel vanwege de rechterlijke macht.
Eiser poneert terecht dat een BTW-proces-verbaal slechts bijzondere bewijskracht geniet wat betreft de erin opgetekende werkelijke vaststellingen, en niet wat betreft de erin weergegeven afleidingen van de verbalisant, welke laatste slechts kunnen bijdragen tot de vorming van een feitelijk vermoeden dat moet worden getoetst aan artikel 1353 Burgerlijk Wetboek.
Uit het gegeven dat beduidend veel aankopen met een aankoopkaart van C. op naam van de toen niet bestaande K. N. S. gelijkliepen met aankopen op de aankoopkaart van eiser vormt een voldoende vermoeden - hoewel deze gelijklopendheid terugliep van 90 % in 1996 tot nog zeer weinig in 1998 - dat de aankopen met aankoopkaart K. N. S. in werkelijkheid zijn geschied door eiser.
Eiser kan niet worden bijgetreden waar hij in een poging tot ontkrachting van dit concordante vermoeden aanvoert dat K. N. S. wel bestond, nu zulks niet het geval is gebleken en nu ene BVBA K. S. (zonder N. in de benaming) overigens pas in oktober 1998 blijkt te zijn opgericht, aldus na de periode die bier ter behandeling voorligt.
De op verzoek van eiser nadien ook voorgelegde BTW-processen-verbaal van 26 mei 2000 uit Brugge (stukken onder nummer 16 verweerder) blijken enkel de werkwijze van NV H. weer te geven, zodat eiser niet kan worden gevolgd waar hij opwerpt dat zijn naam er niet in voorkomt.
Het BTW-proces-verbaal van 5 maart 2001 te Antwerpen dat is gehecht aan het dwangbevel bevat met name onder randnummer 1 een duidelijk onderscheid ter zake de vaststellingen te Brugge (sub A. Algemeen) en specifieke vaststellingen met betrekking tot eiser (sub B.).
Deze specifieke vaststellingen genieten de bewijskracht van het proces-verbaal.
Op het aan de hand van deze specifieke vaststellingen tot stand gekomen hogerop vermelde feitelijke vermoeden ent zich het krachtens de wet zelf geldende vermoeden van artikel 64, § 1 BTW-Wetboek dat de - bij de in hoofde van eiser bevonden aankopen door hem - verkregen goederen wettelijk worden geacht door eiser te zijn geleverd onder voorwaar den waaronder de belasting opeisbaar werd.
De vordering is bijgevolg ongegrond, evenals de uitbreiding van vordering tot het bekomen van schadevergoeding … EUR wegens tergend en roekeloos geding, in welk verband hoe dan ook bijkomend wordt vastgesteld dat het geding niet door verweerder is ingesteld.
Tenslotte en ten overvloede kan eiser hoe dan ook geen aanspraak formuleren op een in fiscale zaken niet verschuldigd maar in het inleidend exploot wel aangerekend rolrecht.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Voegt de zaken onder A.R. 01/7033/A en A.R. 02/3978/A samen, en beoordeelt ze in een enkel vonnis,
Verklaart de vordering onder A.R. 01/7033/A niet toelaatbaar,
Verklaart de vordering en uitbreiding van vordering onder A.R. 02/3978/A toelaatbaar maar ongegrond,
Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde begroot, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.