Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 12.11.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :
Zitting van 12 NOVEMBER 2004
Inzake : 2003/AR/1519
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, voorheen Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTWOntvangkantoor te Turnhout en de e.a. inspecteur van het eerste BTW-Controlekantoor te Turnhout, Spoorwegstraat 22 te 2300 Turnhout;
appellant,
tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 7 april 2003
vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;
tegen :
NV E. T. C. V., NV E.T.C., met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer RPR …, voorheen ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder nr. …;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. A. C., advocaat te …, …;
In het bestreden vonnis van 7 april 2003 deed de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen uitspraak over het verzet dat geïntimeerde had aangetekend tegen een dwangbevel in zake BTW d.d. 8 mei 2001.
De rechtbank verklaarde dit verzet gegrond, zegde rechtens dat de fiscale vordering ongegrond was en veroordeelde appellant tot terugbetaling van alles wat in uitvoering van het litigieuze dwangbevel reeds was uitgevoerd.
Appellante tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 mei 2003.
Hij meent dat de vordering van geïntimeerde ongegrond had moeten worden verklaard.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
Zij heeft incidenteel beroep aangetekend in zover de eerste rechter geen intresten toekende op de aan haar terug te geven sommen.
Doel en grondslag van de vordering blijken uit het bestreden vonnis. Het hof verwijst ernaar.
De fiscus weigert de aftrek van belasting met betrekking tot twee facturen.
Het staat niet ter discussie dat de beide facturen in kwestie niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aftrekbaarheid overeenkomstig KB nr. 1 en KB nr. 3 inzake BTW. Blijkens het PV d.d. 20 december 2000 voldeed factuur nr. … uitgaande van E. C. B. niet aan de vereisten gesteld in art. 5, 6° KB nr. 1 omdat de gegevens ontbraken om de belastbare handeling en het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen.
De bewuste factuur vermeldt dat het gaat om "geleverde goederen" en "doorrekening van kosten".
Daarbij heeft de verbaliserende ambtenaar vastgesteld dat de belastingplichtige niet kon aantonen wat de levering van goederen inhield en geen detail kon geven van de doorgerekende kosten.
Volgens geïntimeerde (syntheseberoepsconclusies nr. 9) beantwoordt de factuur wel aan de voorwaarden voor aftrekbaarheid omdat het hoogste tarief werd aangerekend waarbij zij verwijst naar art. 64, § 3 van het BTW-Wetboek en het ontbreken van verdere detaillering geen invloed heeft gehad op de bepaling van het tarief.
Uit hetgeen geïntimeerde voordien in conclusies heeft uiteen gezet (onder nr. 8) blijkt evenwel de gegrondheid van de nood om na te kunnen gaan om welke aan belasting onderhevige handelingen het gaat.
Uit de toelichting van geïntimeerde volgt immers dat geen belastbare handelingen werden gesteld : de factuur is de "doorfacturering" van leveringen en kosten. Er werden met andere woorden door de facturerende vennootschap geen goederen of diensten aan geïntimeerde geleverd die het aanrekenen van BTW zouden kunnen verantwoorden.
Geïntimeerde meent in ondergeschikte orde dat de regeling van KB nr. 1 en KB nr. 3 strijdig is met de zesde BTW-richtlijn.
Dit verweer is ongegrond : de ontbrekende elementen waarover het te dezen gaat moeten de fiscus in staat te stellen een minimale controle te kunnen uitoefenen op de aard van de belastbare handeling en de maatstaf van heffing. De vereiste om deze elementen te verschaffen beantwoordt volledig aan de doelstelling van de richtlijn en de ingeroepen bepalingen van de KB's zijn op dat punt niet strijdig met de richtlijn.
Daarenboven blijkt uit het PV dat de verbaliserende ambtenaar ook een onderzoek heeft gedaan naar de ontbrekende elementen maar heeft moeten vaststellen dat de belastingplichtige niet kon aantonen wat de levering van goederen concreet inhield en dat geen detail van de doorgerekende kosten kon worden voorgelegd, hetgeen erop wijst dat de fiscus zich niet louter op een formalistisch standpunt heeft gesteld om de aftrek te weigeren.
Het recht op aftrek van BTW werd zodoende niet aan overdreven of onmogelijk na te leven vereisten onderworpen waarbij het hof niet hoeft in te gaan op andere ontbrekende elementen op de factuur vermits de aftrek slechts geweigerd werd om de hiervoor vermelde redenen.
Verder meent geïntimeerde dat het volstaat dat de belastingplichtige aantoont dat er een verrichting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden opdat de BTW in aftrek zou kunnen genomen worden.
Dit standpunt is onjuist nu uit voorgaande motieven juist volgt dat de vraag zich stelt of er wel enige belastbare handeling werd gesteld die aanleiding kon geven tot het opstellen van een factuur met aanrekening van BTW. Noch de vermeldingen van de factuur noch het gevoerde onderzoek hebben de noodzakelijke bewijselementen ter zake opgeleverd.
Geïntimeerde steunt zich ook op de miskenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de fiscus. Deze zou onzorgvuldig gehandeld hebben door bij vorige controles te hebben ingestemd met de aftrek op basis van gelijkaardige facturen en aldus het gewekt vertrouwen te hebben geschonden.
In conclusies (onder nr. 8) heeft geïntimeerde uiteen gezet dat de kwestieuze facturatie voortspruit uit de opsplitsing van activiteiten "vanaf 1993". Blijkens de brief van de fiscale raadgever van geïntimeerde aan de ambtenaar van de directe belastingen (stuk 18 van haar dossier) gebeurde de splitsing vanaf oktober 1993.
De eerdere controle had betrekking op de periode november 1993 tot 31 december 1995. Indien er al vroegere controles zijn geweest dan hadden deze, gelet op voormelde feitelijke omstandigheid, geen betrekking op gelijkaardige facturen.
De omstandigheid dat er bij één vroegere controle geen bezwaren of opmerkingen werden gemaakt omtrent facturen met "dezelfde mankementen" laat niet toe te besluiten dat de belastingplichtige zich rechtmatig op een gewekt vertrouwen mag baseren. Dit feit kan immers te wijten zijn aan een te oppervlakkige controle. Bij gebreke aan vaststaande begeleidende omstandigheden waaruit een ondubbelzinnige aanvaarding van de facturen als voldoende grond voor de aftrek van BTW kan worden afgeleid, mocht geïntimeerde er niet van uitgaan dat de onvolledige facturen volstonden voor het recht op aftrek.
Daarenboven maakt geïntimeerde in conclusies wel gewag van een reeks facturen die dezelfde gebreken zouden vertonen maar slechts één factuur ervan wordt overgelegd onder stuk nr. 17 van het dossier.
Buiten deze ene factuur kan de juistheid van de feitelijke bewering van geïntimeerde dan ook niet gecontroleerd worden.
Geïntimeerde bewijst aldus niet dat hij op een rechtmatig vertrouwen kan steunen als verweer tegen de aanspraken van de fiscus.
De opgelegde boete van 10 % stemt overeen met de wettelijke en reglementaire bepalingen en er is geen gegronde reden aangetoond om deze boete alsnog te verminderen of kwijt te schelden.
Het hoger beroep is dienvolgens gegrond.
Hieruit volgt dat het incidenteel beroep ongegrond is.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond;
Wijzigt het bestreden vonnis;
Verklaart de vordering van geïntimeerde ongegrond;
Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, deze tot op heden aan de zijde van appellant begroot op:
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg € …
- uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep € …
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep € …
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en vier
waar aanwezig waren :
de heer E. H., Voorzitter
mevrouw A. W., Raadsheer
de heer E. L., Raadsheer
mevrouw G. V., Griffier.
G. V. E. L. A. W. E. H.
Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;
Dat onze procureurs-generaal en onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van heb gevorderd wordt;
Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof.
Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan meester A. V. L. D. J., advocaat, die optreedt voor appellant.
Antwerpen, 22 november 2004
G. H.
e.a. adjunct-griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.