Belastingplicht, margeregeling, belastbare grondslag, verjaring van de invordering · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Bergen 8 mei 2017

Zoeken
Tekst in het Frans

Belastingplicht, margeregeling, belastbare grondslag, verjaring van de invordering

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-margeregeling-belastbare-grondslag-verjaring-hof-van-beroep-bergen-2017-05-08-7272

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Bergen
Datum
8 mei 2017

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

105 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Bergen d.d. 08.05.2017

WF 703-15-14/ 016731

[Gunstig voor de administratie]

Belasting over de toegevoegde waarde – belastingplicht – margeregeling – belastbare grondslag – verjaring van de invordering – verjaringstermijn van 7 jaar – bewijsmiddelen – ontbreken van bedrieglijk opzet

Wetgeving

Btw-Wetboek: art. 4, § 1; art. 26; art. 58; art.81bis, §1, 2de lid, 3°

Samenvatting

I.Feiten en voorafgaandelijke procedure

De fiscale administratie heeft vastgesteld dat betrokkene, onder twee pseudoniemen, regelmatig uurwerken verkocht op eBay. Zij is derhalve van mening dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige heeft en vorderde derhalve de btw op de gerealiseerde omzet tussen 2009 en 2011. Tevens werd een boete van 200% opgelegd door te oordelen dat er sprake was van fraude.

Betrokkene tekende verzet aan tegen het dwangbevel dat werd afgeleverd door de administratie. De rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen heeft op 1 oktober 1995 een vonnis geveld waarin hij deels in het gelijk werd gesteld, met name de boete werd verminderd tot 20%.

Betrokkene heeft beroep aangetekend tegen dit vonnis en de administratie heeft een incidenteel hoger beroep ingesteld betreffende de geldboete.

II. Samenvatting van het arrest

Belastingplicht

Er werden 195 verkopen op eBay vastgesteld tussen 2009 en 2011. Belastingplichtige voerde aan dat hij een verzamelaar is en dat hij zijn collectie verkocht om een onroerend goed te kunnen kopen. Niettemin, is het hof van mening dat uit de voorgelegde bewijzen het bestaan van een collectie niet kan vastgesteld worden.

Bovendien, benadrukt de beroepsrechter dat de eerste rechter gelijk had vast te stellen er wel degelijk belastingplicht was omdat alle voorwaarden ter zake voldaan waren, namelijk: op geregelde en zelfstandige basis goederen leveren met of zonder winstoogmerk. Er is dus zeker sprake van continuïteit, voortduring en regelmatigheid.

Toepassing van de margeregeling

Deze kan niet toegepast worden gezien er geen enkel bewijs geleverd is van de aankoop van de verkochte goederen.

Maatstaf van heffing

Het hof bevestigt de maatstaf van heffing die door de administratie werd opgesteld. De door Paypal en eBay gefactureerde transactiekosten, waarop de belastingplichtige zich beroept, moeten niet in rekening worden genomen voor de berekening van de belastbare grondslag.

Verjaringstermijn

De verlenging van de verjaringstermijn tot 7 jaar is correct, niet op grond van het bedrieglijk opzet toegeschreven aan de belastingplichtige, maar gezien de wijze waarop de bewijzen ter kennis van de administratie zijn gekomen ingevolge het toezicht op internetverkoopsites.

Vermindering van de wettelijke boete van 200%

Het hof is van mening dat de administratie niet voldoende aantoont dat er sprake is van bedrieglijk opzet en dat niet mag worden uitgesloten dat de belastingplichtige zich heeft vergist betreffende zijn hoedanigheid van belastingplichtige voor de verkoop van horloges en uurwerken op eBay. Het feit dat hij vroeger al belastingplichtige was voor de uitbating van een drankenwinkel betekent niet dat hij op de hoogte is van alle btw-mechanismen en dat hij moet weten dat de door hem gerealiseerde verkoop van uurwerken er aan onderworpen was.

Het hof bevestigt de beslissing van de eerste rechter.

III.Opmerkingen

Aangaande punt 3° van artikel 81bis, § 1, 2de lid btw-wetboek (bewijsmiddelen), waarop de administratie, in subsidiaire orde, beroep deed, zelfs indien de hoofdeis berustte op het punt 4° van deze bepaling (bedrieglijk opzet): vaste rechtspraak van het hof (z. Bergen, 11 januari 2016, 2014/RG/895, Fisconetplus).

Tekst van het arrest

Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Arrêt de la Cour d’appel de Mons du 08.05.2017 (2016/RG/302)

EN CAUSE DE:

F. G., domicilié à …, …;

partie appelante au principal, intimée sur incident,

comparaissant par Maître N. D., avocate, plaidant pour elle-même et son confrère Maître D. E., avocat à …, …

CONTRE:

L'ETAT BELGE, Service public· fédéral Finances, Administration générale de la Fiscalité, section TVA, représenté par Monsieur le Ministre des Finances, poursuites et diligences de Monsieur le Directeur régional à Mons (nouvellement Directeur du Centre PME CHARLEROI), dont les bureaux sont établis à 6000 CHARLEROI, rue Jean Monnet, 14 bte 20,

partie Intimée au principal, appelante sur incident,

comparaissant par Madame C. P., Conseillère-Expert au Centre des Petites et Moyennes Entreprises de Charleroi, services expertises 2, dont les bureaux sont établis à …, ….

La Cour, après en avoir délibéré, prononce l'arrêt suivant:

Vu la requête d'appel du 14 avril 2016;

Vu le jugement du 1er octobre 2015 du tribunal de 1ère Instance du Hainaut, division de Mons

Vu les conclusions du 14 février 2017 de G. F.;

Vu les conclusions du 9 mars 2017 de l'ETAT BELGE;

Vu les dossiers des parties ;

Les appels, interjetés dans les formes et délai légaux, sont recevables.

I. Antécédents :

Il convient de renvoyer à l'exposé du premier juge quant aux faits de la cause et à l'objet de la demande.

Il suffit de rappeler succinctement ce qui suit :

- L'administration fiscale a constaté que M. F. vendait des montres et objets d'horlogerie sur le site eBay

- Elle a considéré que l'intéressé avait la qualité d'assujetti à la TVA et lui a réclamé la taxe applicable pour l'ensemble des objets vendus de 2009 à 2011; soit … €, ainsi qu'une amende de 200 %, soit … € en retenant une intention frauduleuse, outre des frais et intérêts

--Un procès-verbal a été dressé et une contrainte a été délivrée le 10 décembre 2013, laquelle a été visée et rendue exécutoire le même jour

-M. F. a formé opposition à cette contrainte par requête du 6 mars 2014

-Par jugement du 1er octobre 2015, le tribunal de 1ère Instance du Hainaut, division de Mons, a fait partiellement droit à la demande, uniquement en ce qui concerne l'amende, la réduisant à 20%, soit … €

- M. F. a interjeté appel de ce jugement le 14 avril 2016

- L'ETAT BELGE a formé un appel incident par conclusions en ce qui concerne l'amende

Il. Assujettissement à la TVA:

A) Le service de détection des fraudes sur internet de l'administration fiscale a constaté que M. F. vendait, sous deux pseudonymes, des montres sur le site de vente en ligne eBay.

Elle n'a retenu que les seules ventes effectuées sur ce site de 2009 à 2011 tout en relevant à raison que le nombre d'évaluations (635) pour les pseudonymes utilisés laisse croire à des opérations antérieures.

En s'en tenant aux opérations retenues par le fisc, l'on constate que leur nombre et les prix obtenus sont conséquents: 146 transactions pour un montant global de …-€ en 2009, 44 transactions pour un montant de … € en 2010, 5 transactions pour … € en 2011.

L'appelant conteste devoir être assujetti à la TVA et soutient que, passionné de longue date par les montres anciennes, il n'a fait que vendre sa collection de montres.

Il affirme qu'il s'agit donc de la réalisation de son patrimoine privé et qu'il s'est défait de sa collection afin de se procurer des fonds destiné à une acquisition immobilière.

Il produit des photographies, dont la plupart le représente portant une montre au poignet.

Si l'on peut admettre qu'elles sont révélatrices de son intérêt pour les montres, il ne s'en déduit pas pour autant qu'il en faisait la collection.

D'autres photographies représentent du matériel d'horlogerie mais son acquisition peut tout aussi bien s'expliquer par une activité de revente de montres, après nettoyage ou remise en état, plutôt que par l'entretien d'une collection.

Aucune photographie n'est produite qui présenterait un ensemble de montres ou du mobilier d'exposition d'une collection, hormis celles montrant un coffret qui lui appartient encore.

Au vu du nombre de ventes réalisées, il est étonnant que M. F. ne puisse produire aucune photographie consacrée à cette collection et laissant voir un ensemble de montres.

M. F. dépose des attestations, lesquelles sont à examiner avec circonspection, étant rédigées par des personnes qui lui sont proches pour les besoins du procès.·

On peut tout au plus en retenir un intérêt dans son chef pour les montres mais cela n'établit pas qu'il en possédait une collection, et a fortiori une collection correspondant aux 195 ventes constatées.

M. F. produit un ticket d'entrée à un salon spécialisé mais il n'est pas établi à son nom et la visite d'un tel salon n'implique pas la possession d'une collection.

Il n'est pas à même de fournir des preuves d'achat des montres ayant fait partie de la collection vantée, se bornant à affirmer que certains achats sont anciens, qu'il a reçu des montres en cadeau et qu'il achetait lors de brocantes.

Cette explication n'est guère convaincante dès lors qu'il a réalisé près de 200 ventes et qu'il est fait mention de montres de prix (Rolex, Cartier, Breitling, ...), de sorte que l'absence de la moindre preuve d'achat, fût-ce pour quelques montres, demeure étonnante.

La preuve de l'existence de la collection vantée n'est pas rapportée.

B) Par ailleurs, c'est à raison que le premier juge a considéré qu'en tout état de cause, M. F. devait être considéré comme un assujetti dès lors que l'on ne se trouve pas en présence d'une opération unique de vente d'une collection mais bien en présence d'une activité économique présentant un caractère habituel, eu égard au nombre des opérations réalisées durant les années 2009 à 2011 et au chiffre d'affaires généré par celles-ci.

Comme l'a rappelé le premier juge, pour devenir assujetti, il suffit d'exercer une activité économique de livraisons de biens ou de prestations de services visée par le code de la TVA de manière habituelle et indépendante dans un but de lucre ou non.

Tel est bien le cas en l'espèce, même si l'on retenait, quod non, la version de M. F. quant au fait que les biens vendus provenaient de sa collection.

Les critères de continuité, permanence et régularité de l'activité sont bien rencontrés in casu.

III. Application du régime de la marge :

A titre subsidiaire, M. F. estime qu'il conviendrait de faire application du régime de la marge bénéficiaire sur les livraisons de biens d'occasion, d'objets d'art, de collections ou d'antiquités.

Aucune preuve d'achat des biens vendus n'étant produite, il convient de s'en tenir au régime normal de la taxe conformément au prescrit de l'article 58 § 4 al.1er 12° du CTVA.

IV. Base d'imposition

M. F. fait valoir qu'il a supporté des frais de transaction pour PayPal et pour eBay.

La base d'imposition a cependant été correctement établie par l'administration fiscale, conformément au prescrit de l'article 26 du CTVA, étant calculée sur la contrepartie obtenue de la part des acheteurs.

Les frais vantés sont des opérations à l'entrée qui n'interviennent pas dans la détermination de la base imposable de ses opérations à la sortie.

V. Allongement du délai de prescription :

L'application du délai de prescription de 7 ans ne donne pas lieu à contestation, même si M. F. conteste que cet allongement du délai de prescription puisse intervenir sur base de l'intention frauduleuse qui lui est imputée et de l'article 81 bis §1er 2ème alinéa 4° du CTVA.

En effet, le 3° du même article s'applique; des éléments probants étant venus à la connaissance du fisc suite à la surveillance des sites de vente en ligne.

VI. Amende:

A) L'ETAT BELGE forme un appel incident en reprochant au premier juge d'avoir réduit l'amende à 20%.

A titre subsidiaire, M. F. sollicite la confirmation de cette réduction en soutenant qu'aucune intention frauduleuse ne peut lui être attribuée.

Il y a intention frauduleuse lorsque l'infraction est commise dans le but de se procurer ou de procurer à un tiers un avantage illicite.

La charge de la preuve de l'intention frauduleuse ou du dessein de nuire incombe à l'administration fiscale.

En l'espèce, même si M. F. ne démontre pas l'existence de la collection vantée; on ne peut totalement exclure qu'il se soit mépris quant à sa qualité d'assujetti pour les ventes réalisées sur internet.

Son assujettissement antérieur pour l'exploitation d'un café n'est pas révélateur d'une connaissance des mécanismes de la TVA telle qu'il devait nécessairement savoir que les ventes réalisées sur eBay devaient être soumises à la TVA.

On ne peut tirer d'éléments probants ni de sa qualité de chômeur ni d'éventuelles ventes antérieures ou sur d'autres sites internet, dès lors qu'elles ne sont pas établies à suffisance.

Son manque de collaboration lors du contrôle ne suffit pas à démontrer qu'il a agi dans une intention frauduleuse plutôt que par erreur quant à son assujettissement.

Il y a donc bien lieu de réduire l'amende comme l'a fait le premier juge, et ce même si le jugement n'est pas adéquatement motivé sur ce point.

B) La demande de sursis de M. F. n'est formée, à titre très subsidiaire, que pour le cas où l'amende serait maintenue à … €, ce qui n'est pas le cas, de sorte qu'il n'y a· pas lieu de l'examiner.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS,

La Cour, statuant contradictoirement;

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935, relative à l'emploi des langues en matière judiciaire.;

Reçoit les appels.

Les dit non fondés.

Confirme le jugement entrepris en toutes ses dispositions déférées, mais pour d'autres motifs en ce qui concerne la réduction de l'amende.

Condamne M. F. aux frais et dépens d'appel, non liquidés par l'ETAT BELGE, et lui délaisse ses frais et dépens en cette instance.

Ainsi jugé et prononcé en audience publique civile de la treizième chambre de la cour d'appel de Mons, le HUIT MAI DEUX MILLE DIX-SEPT, où sont présents: J. M., Président, assisté de C. P., Greffier.

Signatures

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 261 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … brengt. Voorbeeld 3: De gegevens die ter kennis van de administratie komen ten gevolge van het toezicht verricht met betrekking tot online verkoopsites kunnen bewijskrachtige gegevens uitmaken indien die gegevens de overtredingen aan het licht brengen ( Arrest van het Hof van Beroep te Bergen nr. 2016/RG/302 van 08.05.2017 ). * Waarvan de administratie kennis heeft gekregen Welbepaalde rechtspraak heeft in het verleden aangenomen dat de woordengroep ‘waarvan de administratie kennis heeft gekregen’, die thans voorkomt in artikel 81bis, § 1, derde lid, 3°, van het Btw-Wetboek, … »

Verjaringen (01.01.2024)Administratieve commentaar23.05.2024

Bekijk het document

Vergelijkbare beslissingen

8