Toepassing van het verlaagd tarief, werken in onroerende staat · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Luik 22 maart 2019

Zoeken
Tekst in het Frans

Toepassing van het verlaagd tarief, werken in onroerende staatbelasting over de toegevoegde waarde- toepassing van het verlaagd tarief- werken in onroerende staat

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-toepassing-verlaagd-hof-van-beroep-luik-2019-03-22-c4b8

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Luik
Datum
22 maart 2019

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 4 maanden
  1. Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Luik16.11.2017
  2. Weergegeven beslissingHof van beroep te Luik22.03.2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gemengd

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

105 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 22.03.2019

[Gemengd arrest]

WF 704-15-16/001053

Belasting over de toegevoegde waarde – Toepassing van het verlaagd tarief – Werken in onroerende staat

Samenvatting

Feiten en voorafgaandelijke procedure

De activiteit van de belastingplichtige bestaat uit het opsporen en detecteren van diverse lekken (water- en gaslekken, enz.) en van vochtproblemen in gebouwen, technisch onderzoek van installaties, opsporingstechnieken en lektesten met geavanceerde middelen (infraroodthermografie, endoscopie, akoestische detectie, enz.). De belastingplichtige heeft op deze handelingen het btw-tarief van 6 % toegepast.

Volgens de belastingplichtige maakt het opsporen van lekken in een gebouw deel uit van de reparatiewerkzaamheden die beschouwd moeten worden als werken in onroerende staat in de zin van het WBTW. Hij beweert dat deze diensten betrekking hebben op onroerende goederen in slechte staat, bedoeld zijn om deze weer in goede staat te brengen en deel uit maken van een groter geheel van renovatiewerken aan het gebouw. Volgens hem heeft zijn activiteit betrekking op de eerste fase van de herstellingen met name het identificeren van de problemen, het bepalen van hun omvang en het zoeken naar technische oplossingen om deze te verhelpen.

In haar vonnis van 16 november 2017, 16/6771/A (Fisconetplus), heeft de rechtbank van eerste aanleg beslist dat de belastingplichtige het verlaagd tarief van 6% mocht toepassen op de uitgevoerde werkzaamheden.

Toepasselijk tarief

De lidstaten mogen slechts één of twee verlaagde tarieven toepassen op de in bijlage III bij Richtlijn 2006/112/EG vermelde leveringen van goederen en diensten. Deze bijlage heeft met name betrekking op "de renovatie en herstel van particuliere woningen, met uitzondering van materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de waarde van de verstrekte diensten”.

In België wordt, in afwijking van het normale btw-tarief van 21%, de belasting tegen het verlaagde tarief van 6% geheven op de goederen en diensten die zijn opgenomen in tabel A van de bijlage bij Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970. Aangezien het gaat om afwijkingen van het beginsel van de toepassing van het normale btw-tarief, moeten zij strikt worden geïnterpreteerd.

De persoon die zich beroept op een uitzondering op een algemene regel moet bewijzen dat hij daarvoor in aanmerking komt, wat de belastingplichtige in dit geval niet doet. Zijn prestaties zijn geen werken in onroerende staat, gezien de strikte interpretatie die aan deze werken moet worden gegeven; zij zijn meer verwant aan diensten van deskundigen.

Bijgevolg vallen de betwiste handelingen niet onder de strikte uitzonderingen op het gewone tarief van 21%.

Maatstaf van heffing

De administratie had het bedrag van de verschuldigde belasting berekend (tegen een tarief van 21 %) op basis van de prijs die was betaald door de consument verminderd met 6 % en dan het tarief van 21 % op dit resultaat toegepast. Vervolgens van dit laatste bedrag het bedrag afgetrokken dat door de belastingplichtige onder het 6 %-tarief was aangegeven.

In subsidiaire orde voerde de belastingplichtige aan dat de regularisatie betrekking zou moeten hebben op bedragen inclusief btw. De Belgische Staat heeft niet geconcludeerd over dit punt en heeft hierover geen formele bezwaren geuit.

Op grond van de rechtspraak van het EHVJ, heeft het Hof van Beroep geoordeeld dat wanneer de leverancier ten onrechte een verlaagd tarief heeft toegepast, de belastingadministratie zich voor de berekening van de verschuldigde btw moet baseren op de daadwerkelijk aan de verbruiker in rekening gebrachte prijs waarin de te berekenen btw van 21% is vervat. Vervolgens moet dit bedrag aan btw verminderd worden met de reeds betaalde bedragen met de onjuiste toepassing van 6%.

Opmerkingen

1. Wat de berekening van de maatstaf van heffing betreft, past het arrest de conclusies van het arrest van het Hof van Beroep van Luik (9e burgerlijke kamer) (kamer van drie rechters) van 14 november 2018, 2013/RG/1024 (Fisconetplus) toe. Er dient te worden opgemerkt dat tegen dit arrest beroep is ingesteld voor zover het btw-tarief daarin op 21 % is vastgesteld.

In het onderhavige geval moet de volgende formule worden toegepast: Ontvangen prijs, inclusief BTW (6 %) x 21/121 waarop het bedrag van de ontvangen btw van 6 % in mindering moet worden gebracht.

De door het Hof van beroep van Luik aangehaalde arresten verwijzen naar twee arresten van het EHVJ: het arrest van 26 april 2012, Balkan ad Sea Properties en Provadinvest, gezamenlijke zaken C-621/10 en C-129/11, http://curia.europa.eu en het arrest van 7 november 2013, Tulică en Plavoşin, gezamenlijke zaken C-249/12 en 250/12, http://curia.europa.eu . Opgemerkt zij dat in deze laatste zaak geoordeeld werd zonder dat conclusies werden ingediend.

In het arrest Balkan ad Sea Properties en Provadinvest, punten 43 en 44, herinnert het Hof van Justitie van Luxemburg eraan dat in artikel 73 van Richtlijn 2006/12/EG van de Raad van 28 november 2006 de algemene regel voor de vaststelling van de maatstaf van heffing voor de btw is neergelegd. De maatstaf van heffing omvat alles wat de belastingplichtige werkelijk ontvangt als tegenprestatie (de subjectieve waarde) met als uitvloeisel dat de belastingadministratie geen hoger btw-bedrag in rekening mag brengen dan het bedrag dat de belastingplichtige had ontvangen.

In zijn voornoemd arrest van 14 november 2018 herinnerde het Hof van Beroep van Luik eraan dat deze regel moet worden toegepast in overeenstemming met het basisprincipe van de richtlijn, namelijk dat het btw-stelsel enkel bedoeld is om de eindgebruiker te belasten en niet de leverancier.

Het arrest Tulică en Plavoşin betreft een door partijen overeengekomen verkoopprijs van een goed zonder vermelding van de btw en de leverancier van het goed de persoon is die tot de voldoening van de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde is gehouden.

Volgens dit arrest moet het beginsel dat de btw een verbruiksbelasting is, aldus worden uitgelegd dat de overeengekomen verkoopprijs, indien deze door partijen is vastgesteld zonder dat de belasting over de toegevoegde waarde is genoemd en de leverancier van het goed de persoon is die tot voldoening van de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde van de belastbare handeling gehouden is, moet worden opgevat dat de belasting over de toegevoegde waarde daarin al begrepen is ingeval de leverancier de door de belastingdienst nageheven belasting over de toegevoegde waarde niet op de koper kan verhalen.

Maw, de overeengekomen verkoopprijs, indien deze door partijen is vastgesteld zonder dat de btw is vermeld en de leverancier van het goed de persoon is die tot voldoening van de verschuldigde btw over de belastbare handeling gehouden is, moet aldus worden opgevat dat de btw daarin al begrepen is ingeval de leverancier de door de belastingdienst nageheven btw niet op de koper kan verhalen.

Zoals het hof van Beroep van Luik beaamt in haar voornoemd arrest van 14 november 2018, laat het Belgisch recht niet toe om bij de eindverbruiker een extra bedrag te vorderen bovenop de prijs die hij heeft betaald in overeenstemming met de gesloten overeenkomst.

2. Opgemerkt wordt dat de artikelen VI.2, 3°, VI.3 en VI.4 van titel VI " Marktpraktijken en consumentenbescherming”, van het Wetboek van Economisch Recht, die met name de vermelding van de totale prijs van het product, inclusief alle belastingen voorschrijven, en de artikelen 1134, 1135 en 1156 tot en met 1164 van het Burgerlijk Wetboek (zie de nota van W. Huber: "De mogelijke invloed van een navordering van een navordering van btw op de maatstaf van heffing "T.F.R, 2014/17, nr. 469, 1 november 2014, p. 843-847, ingevolge het arrest Tulică en Plavoşin) mogen hierbij niet uit het oog verloren worden.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Dit arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Arrêt de la Cour d’appel de Liège du 22.03.2019

Numéro le rôle : 2018/RG/439

EN CAUSE DE:

1. ETAT BELGE, SPF FINANCES, M. le Conseiller général, directeur centre PME, dont les bureaux sont sis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2,

partie appelante,

représentée par Mme F. S., fonctionnaire d'administration fiscale,

CONTRE:

1. P. C. S.P.R.L., dont le siège social est établi à …, …,

partie intimée,

représentée par Maître M. S. loco Maître L. M., avocats à …, …

Vu les feuilles d'audiences des 7 mai 2018, 22 février 2019 et de ce jour

APRES EN AVOIR DÉLIBÉRÉ:

Vu le dossier de procédure en forme régulière et notamment :

- en copie conforme le jugement rendu le 16 novembre 2017 par le Tribunal de première instance de Liège dont aucune preuve de signification n’est produite;

- la requête d'appel de l'ETAT BELGE reçue au greffe le 16 avril 2018;

- les conclusions et les dossiers des parties.

L'appel a été interjeté dans les formes et délai légaux. Sa recevabilité n'est pas contestée et il n’existe aucun moyen d'irrecevabilité à soulever d'office par la Cour.

Par conséquent, il est recevable.

La présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci­ après.

Les faits et l'objet du litige

1.Sur ces points, la Cour se réfère à l'exposé du premier juge repris au jugement déféré sous l'intitulé« faits et antécédents de procédure ».

Il suffit de rappeler que le litige concerne le taux de T.V.A. applicable à des prestations de service réalisées par la SPRL P. C., déclarées pour la période allant du 1er janvier 2012 au 31 décembre 2014 comme soumises au taux réduit de 6 %, et dont l'administration estime qu'elles relèvent du taux ordinaire de 21 %, ce qui engendre un supplément de taxe s'élevant à … €.

2.Un contrôle en matière de taxe sur la valeur ajoutée a été effectué le 6 juin 2015 pour la période précitée sur base des livres et documents communiqués par le gérant de la société.

Lors de ce contrôle, l'administration a constaté que l'activité exercée par l'assujetti consistait en la détection et la recherche de fuites diverses au niveau des installations sanitaires, du chauffage, du gaz et de la ventilation ainsi que de l'origine des problèmes d'humidité dans des bâtiments.

Pour ce faire, l'assujetti a mis en œuvre des techniques de thermographie infrarouge, endoscopie, fibroscopie et détection acoustique.

Estimant que le taux réduit de 6 % avait été appliqué à tort concernant ces opérations de détection et de recherche, un relevé de régularisation a été adressé à la SPRL P. C. le 17 septembre 2015.

Aucune suite n'y ayant été réservée, un procès-verbal a été établi le 27 novembre 2015 et notifié le 30 novembre 2015 suivant1 .

3.Par lettre du 4 janvier 2016 , la SPRL P. C. a contesté le relevé de régularisation.

Par décision du 15 mars 2016, l'administration a maintenu sa position selon laquelle les opérations réalisées ne constituaient pas des travaux immobiliers soumis au taux de 6 % mais a annulé l'amende figurant au relevé de régularisation.

4.Par l'intermédiaire de son conseil, la SPRL P. C. a également introduit une demande auprès du Service de conciliation fiscale.

5.La SPRL P. C. a porté la contestation auprès du Tribunal de première instance de Liège par requête du 13 décembre 2016.

Par jugement du 16 novembre 2017, ce dernier a dit la requête recevable et fondée, a dit pour droit que la requérante avait droit à l'application du taux réduit de 6 % pour les travaux immobiliers qu'elle exécute, a ordonné la restitution de … € compensés avec la T.V.A réclamée en exécution du procès-verbal du 27 novembre 2015 et a condamné l'ETAT BELGE aux dépens liquidés à la somme de … €.

6.Le 16 avril 2018, l'ETAT BELGE a interjeté appel.

Il demande à la Cour de déclarer la demande originaire de l'intimée non fondée et, en conséquence, de confirmer en tous points le procès-verbal établi le 27 novembre 2015 par le SPF Finances, notifié le 30 novembre 2015 et portant les références CTRI ….

7.La SPRL P. C. conclut quant à elle à la confirmation du jugement entrepris.

A titre subsidiaire, elle demande d'annuler partiellement« la contrainte », les montants perçus devant s'entendre T.V.A. comprise.

Elle demande de condamner l'ETAT BELGE à la restitution de toutes sommes indûment perçues, aux intérêts judiciaires et aux dépens, liquidés à la somme de … €.

Discussion

Quant au taux de TVA applicable

8.L'intimée soutient que ses prestations tombent sous le champ d'application du taux réduit de 6 % prévu en faveur des biens visés au tableau A, rubrique XXXVIII § 3, 1° de l'annexe à l'arrêté royal n° 20 fixant le taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ce taux qui vise les travaux de transformation, d'achèvement, d'aménagement, de réparation et d'entretien, à l'exclusion du nettoyage, de tout ou partie d'un immeuble par nature.

Elle estime qu'elle effectue un travail sur un immeuble par nature qui va permettre son maintien en bon état après l'intervention et qu'il s'agit donc bien de travaux immobiliers auxquels le taux réduit de 6 % est applicable.

9.Conformément à l'article 96 de la directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée, les États membres appliquent un taux normal de T.V.A. fixé par chaque État membre à un pourcentage de la base d'imposition qui est le même pour les livraisons de biens et pour les prestations de services.

10.Par exception, les États membres peuvent néanmoins appliquer soit un, soit deux taux réduits qui s'appliquent uniquement aux livraisons de biens et aux prestations de services des catégories figurant à l'annexe Ill de la directive, conformément à son article 98.

11.Ladite annexe Ill vise en son point 10 bis) la rénovation et la réparation de logements privés, à l'exclusion des matériaux qui représentent une part importante de la valeur du service fourni.

12.En vertu de l'article 1er de l'arrêté royal n°20 fixant le taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, le taux normal de la taxe sur la valeur ajoutée est fixé à 21%.

13.Par dérogation, la taxe est perçue au taux réduit de 6 % en ce qui concerne les biens et services énumérés au tableau A de l'annexe à cet arrêté.

14.S'agissant de dérogations au principe de l'application de la taxe au taux ordinaire, celles-ci doivent être interprétées de manière stricte2•

15.11 appartient par ailleurs à celui qui se prévaut d'une exception à une règle générale, en l'espèce l'assujetti, de supporter la charge de la preuve qu'il rentre dans les conditions pour en bénéficier.

16.L'intimée décrit elle-même les prestations qu'elle effectue comme étant relatives à la détection et à la recherche de fuites sur des installations sanitaires, de chauffage de gaz et de ventilation; à la détection de problèmes d'humidité dans les bâtiments; à l'examen technique des installations ; aux investigations techniques et aux tests d'étanchéité3 •

Cette description est corroborée par les rapports qu'elle établit et dont les parties déposent un exemplaire4.

Ceux-ci présentent les différents modes opératoires auxquels l'intimée à recours tels que le contrôle et l'inspection visuel, la thermographie infrarouge avec caméra thermique, l'endoscopie des canalisations d'évacuation des eaux usées ou pluviales avec caméra fibroscopique, la localisation et le traçage au moyen d'un système à effet Doppler, l'examen acoustique au stéthoscope électronique, les tests des différentes installations (chauffage, canalisations, conduites) et d'étanchéité, l'examen des plans et autres documents et la prise de photos.

17.Tant la rubrique XXXI que la rubrique XXXVIII de l'annexe à l'arrêté royal n° 20 prévoient le bénéfice du taux réduit pour les travaux immobiliers et autres opérations, en particulier les travaux de transformation, d'achèvement, d'aménagement, de réparation et d'entretien, à l'exclusion du nettoyage, de tout ou partie d'un immeuble par nature pour autant que les opérations aient pour objet la transformation, la rénovation, la réhabilitation, /'amélioration , la réparation ou l'entretien, à l'exclusion du nettoyage, de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.

18.Les prestations de l'intimée ne correspondent pas par elles-mêmes à de tels travaux eu égard à l'interprétation stricte qui doit être donnée aux termes de l'arrêté royal et à leurs sens usuels, quand bien même lesdites prestations seraient, dans certains cas, préalables à des travaux immobiliers.

19.Celles-ci s'assimilent davantage à des prestations d'expertise, lesquelles ne sont incompatibles ni avec l'usage d'un appareillage technique sophistiqué ni avec, le cas échéant, la nécessité d'un travail physique de la part du prestataire pouvant inclure, comme en l'espèce, des opérations telles que l'ouverture du sol ou des murs en vue de réaliser les différentes inspections nécessaires aux missions confiées à l'intimée5•

20.Il en résulte que les prestations litigieuses ne relèvent pas des strictes exceptions au taux ordinaire de 21 % établi par le tableau A annexé à l'arrêté royal n° 20 précité.

21.A titre subsidiaire, l'intimée fait toutefois valoir que le montant dû devrait être revu, le Service de conciliation fiscale ayant marqué son accord pour que la régularisation porte sur des montants« TVA comprise».

22.L'ETAT BELGE, qui n'a pas conclu sur ce point, n'émet aucune objection formelle à cet égard.

23.Il résulte de la jurisprudence de la Cour de justice6 que lorsque, comme en l'espèce, le prestataire a erronément appliqué au consommateur final un taux réduit au lieu du taux ordinaire, la base sur laquelle l'administration doit se fonder pour lui réclamer le supplément de T.V.A. dû est constituée du prix effectivement perçu auprès du consommateur en dedans duquel doit être calculée la T.V.A. de 21 % (soit ledit prix multiplié par la fraction 21/121) dont doit ensuite être soustraite les montants déjà versés sur base de l'application erronée du taux de 6 %.

C'est par conséquent à tort que l'administration, dans son procès-verbal du 30 novembre 2015, a calculé le montant de taxe due (au taux de 21 % en se basant sur le prix payé par le consommateur dont elle a retiré 6 % pour ensuite appliquer sur ce résultat le taux de 21 % puis a soustrait de ce dernier montant celui déclaré par l'assujetti en application du taux de 6 % Il li en résulte que la différence de taxe due pour l'année 2012 doit être ramenée de … € à … €, pour l'année 2013 de … € à … € et pour l'année 2014 de … € à … €, soit au total un supplément de T.V.A. due de … € au lieu de … €.

Dépens

24.Chaque partie ayant succombé sur quelque chef, les dépens, tant d'instance que d'appel, seront compensés.

5 Idem

6 C.J.U.E., Corina-Hrisi Tullica c. Argentia Nationala de Administrare Fiscala, arrêt du 7 novembre 2013, affaires jointes C-249/12 et C-250/12 et C.J.U.E., arrêt du 26 avril 2012, Balkan and Sea Properties ADSITS, affaires jointes C 621/10 et C 129/11.

7 Quant à la manière de calculer la TVA « en dedans » : cf. Manuel de la T.V.A. mis à jour au 01.02.2015, point 116 ; pour une illustration en ca d’opérations soumises à la T.V.A. à un taux erroné inférieur au taux legal : Bulletin officiel des Finances publiques-Impôts de la République française, BOI-TVA-BASE-10-20-20120912, http://bofip.impots.gouv.fr/bofip/704-PGP.html

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935, la cour, statuant contradictoirement,

RECOIT l’appel et le dit largement fondé.

entrepris.

Par conséquent,

DIT la demande originaire de la SA P. C. très partiellement fondée en ce qu'il y a lieu de rectifier la régularisation querellée afin de limiter à … € le supplément de TVA dû.

CONDAMNE l'ETAT BELGE à la restitution du montant trop perçu majoré des intérêts au taux légal.

COMPENSE les dépens d'instance.

COMPENSE les dépens d'appel.

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIEME chambre (D) de la cour d'appel de Liège, où siégeait le conseiller f.f. de président S. C. comme juge unique et prononcé en audience publique du 22 mars 2019 par le conseiller f.f. de président S. C., avec l'assistance du greffier O. T..

Aangehaalde teksten

6

Vergelijkbare beslissingen

8