Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 17.06.2021 (F.19.0071.N)
WF 706-15-12/004085
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Tarieven – Verlaagd tarief – Zuurstofconcentrator – Medisch apparaat
Wettelijke bepalingen
W.Btw, artikel 37
Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006: artikel 96; artikel 98; bijlage III, punten 3 en 4
Koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970; artikel 1; bijlage, Tabel A, XXIII
Grondwet: artikelen 10, 11 en 172
Handvest van de grondrechten van de EU: artikel 20
Samenvatting
I. Arrest van het hof van beroep van Luik dd. 14 november 2018 (Link naar de tekst van het arrest)
De beroepsrechters te Luik oordelen dat de bedoelde zuurstofconcentratoren onderworpen zijn aan het tarief van 21%.
Deze apparaten zijn niet beoogd in de bepalingen van rubriek XXIII, 2° van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970. Ze worden niet geïmplanteerd bij de gebruiker in tegenstelling tot de andere apparaten die bedoeld zijn in deze bepaling en ze zijn niet bestemd om in de hand te worden gehouden of op andere wijze te worden gedragen door de gebruiker, tenzij om van een plaats naar een andere te worden verplaatst.
Of zoals het Hof van Justitie opmerkt, ze zijn niet bedoeld in punt 3 van de bijlage III van de richtlijn 2006/112.
Bovendien moeten de apparaten, om bedoeld te zijn in punt 4 van deze bijlage, uitsluitend gebruikt worden door gehandicapten. Belastingplichtige toont niet aan dat deze apparaten niet gebruikt zullen worden door personen die geen handicap hebben.
II. Het Cassatiearrest
Inzake het tweede middel:
Met betrekking tot het eerste onderdeel:
Artikel 98 van de richtlijn bepaalt in paragraaf 1 dat de lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen en in paragraaf 2 dat de verlaagde tarieven uitsluitend van toepassing zijn op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren.
Bijlage III beoogd in punt 4 de medische uitrusting, hieronder begrepen in huur, hulpmiddelen en andere apparaten die gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten, met inbegrip van de herstelling daarvan, en levering van kinderzitjes voor motorvoertuigen;”
De persoon die ademhalingsmoeilijkheden ondervindt en zuurstof nodig heeft gedurende de tijd van de ziekte die deze moeilijkheden veroorzaakt is duidelijk geen, door dit enkel feit, persoon met een handicap in de zin van punt 4 van de bijlage III.
Het middel, dat in dit onderdeel op het tegenovergestelde argument is gebaseerd, faalt naar recht.
Met betrekking tot het tweede onderdeel:
Met betrekking tot het tweede en het derde subonderdeel:
Verwijzend naar een rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg was het hof van beroep van oordeel dat er geen "wezenlijk verschil bestaat tussen het door oxyconcentrators geproduceerde gas en medische zuurstof" en dat "deze producten dus vergelijkbaar zijn", maar het stelt niet vast dat oxyconcentrators en te leveren of te huren flessen met medische zuurstof vergelijkbare producten zijn.
Het middel van tegenpartij voert aan dat, door te oordelen dat oxyconcentratoren in aanmerking komen voor toepassing van het verlaagd tarief in tegenstelling tot flessen medische zuurstof, het bestreden arrest bijgevolg berust op een onjuist onderscheidingscriterium, en dus noch objectief noch redelijk is.
Door te weigeren het verlaagde btw-tarief op zuurstofconcentratoren toe te passen, schendt het arrest richtlijn 2006/112/EG, het beginsel van fiscale neutraliteit, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en artikel 20 van het Handvest van de grondrechten.
Het middel, dat in haar subonderdelen volledig is gebaseerd op een onjuiste uitlegging van het arrest, mist feitelijke grondslag.
Met betrekking tot het derde onderdeel:
Uit het antwoord op het tweede en het derde subonderdeel van het tweede onderdeel volgt dat dit onderdeel berust op een onjuiste uitlegging van het arrest over de vergelijkbaarheid van oxyconcentratoren en flessen medische zuurstof.
Het middel, in dit onderdeel, mist feitelijk grondslag.
Inzake het eerste middel:
Het hof van beroep benadrukt in haar arrest dat het de nationale wetgever niet vrij staat een verlaagd tarief toe te passen op leveringen van goederen of diensten die niet in de lijst van bijlage III bij richtlijn 2006/112/EG zijn opgenomen.
Het hof van beroep was voorts van oordeel dat de betwiste zuurstofconcentratoren niet bedoeld zijn in punt 3 van voornoemde bijlage III, aangezien zij niet tot de daarin bedoelde categorie van farmaceutische producten behoorden, en evenmin onder punt 4 daarvan, aangezien zij niet voor het persoonlijke en uitsluitende gebruik door personen met een handicap waren bestemd.
Deze overwegingen zijn voldoende om de beslissing van het arrest te rechtvaardigen dat de verkoop of de verhuur van deze apparaten door eiseres aan het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen.
Het middel, dat, in geen van zijn onderdelen tot cassatie kan leiden, is niet ter zake dienend en dus niet-ontvankelijk.
Het Hof verwerpt de hogere voorziening.
Opmerkingen
In tegenstelling tot de argumenten van eiseres , kon de oxyconcentrator niet voor toepassing van het verlaagde tarief in aanmerking komen omdat hij niet uitsluitend werd gebruikt door personen die aan een blijvende handicap leden. De oxyconcentrator voldoet niet aan de voorwaarden van punt 4 van bijlage III bij de richtlijn en is derhalve aan het normaal btw-tarief onderworpen. Aangezien de zuurstofconcentrator derhalve niet binnen de werkingssfeer van bijlage III bij de richtlijn valt, is het gerechtvaardigd het voordeel van het verlaagde tarief niet uit te breiden tot de levering van dit apparaat omdat een dergelijke maatregel in strijd zou zijn met het Europese recht, dat bindend is voor de wetgever.
De motivering van de beslissing in het bestreden arrest berust niet op één enkele overweging, in casu de voorrang van het Europees recht, maar op een geheel van juridische en feitelijke elementen waaruit blijkt dat het betrokken toestel niet in aanmerking kan komen voor de toepassing van het verlaagd tarief. Het hof van beroep heeft uitvoerig en nauwkeurig gemotiveerd waarom het van oordeel was dat de administratie het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel niet had geschonden door te weigeren de levering van een zuurstofconcentrator aan het verlaagde tarief te onderwerpen.
Het is dan ook zeer logisch dat de voorziening in cassatie wordt verworpen.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Cour de cassation de Belgique, Arrêt N° F.19.0071.F du 17.06.2021
O.B., société anonyme, dont le siège est établi à ..., inscrite à la banque-carrefour des entreprises sous le numéro 0892.....66, demanderesse en cassation, représentée par Maître ..., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile,
contre
ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet-est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, défendeur en cassation, représenté par Maître ..., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile.
I. La procédure devant la Cour
Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 14 novembre 2018 par la cour d'appel de Liège.
Le conseiller Sabine Geubel a fait rapport. L'avocat général Thierry Werquin a conclu.
II. Les moyens de cassation
Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente deux moyens.
III. La décision de la Cour
Sur le second moyen :
Quant à la première branche :
Aux termes de l'article 96 de la directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée, les États membres appliquent un taux normal de la taxe sur la valeur ajoutée fixé par chaque État membre à un pourcentage de la base d'imposition qui est le même pour les livraisons de biens et pour les prestations de services.
L'article 98 de la directive dispose, au paragraphe 1er, que les États membres peuvent appliquer soit un, soit deux taux réduits et, au paragraphe 2, alinéa 1er, que les taux réduits s'appliquent uniquement aux livraisons de biens et aux prestations de services des catégories figurant à l'annexe III.
L'annexe III vise, au point 4, les équipements médicaux, le matériel auxiliaire et les autres appareils normalement destinés à soulager ou traiter des handicaps, à l'usage personnel et exclusif des handicapés, y compris la réparation de ces biens, ainsi que la livraison de sièges d'enfant pour voitures automobiles.
La personne qui éprouve des difficultés respiratoires nécessitant un apport d'oxygène durant le temps de la maladie qui les provoque n'est manifestement pas, de ce seul fait, une personne atteinte d'un handicap au sens du point 4 de l'annexe III.
Le moyen, qm, en cette branche, repose sur le soutènement contraire, manque en droit.
Quant à la deuxième branche :
Quant au premier rameau :
Le moyen, qui, en ce rameau, est tout entier déduit de la violation, vainement alléguée, du point 4 de l'annexe III de la directive 2006/112/CE précitée, est irrecevable.
Quant aux deuxième et troisième rameaux :
L'arrêt rappelle que, d'un« rapport du Centre fédéral d'expertise des soins de santé, [...] il ressort notamment que, 'du point de vue de l'efficacité clinique pour le patient, un traitement par oxygène équivaut à un autre, peu importe que l'oxygène soit fourni par l'une ou l'autre des trois modalités disponibles et peu importe que la source soit fixe ou stable. Les différences sont liées à des questions de commodité (bruit, utilisation en dehors du domicile, volume disponible, remplissage du portable par le patient, ...) et au coût pour la société'».
Il en déduit qu'il n'y a pas de« différence essentielle entre le gaz produit par les oxyconcentrateurs et l'oxygène médical» et que, partant, « ces produits [sont] comparables», mais ne constate pas que les oxyconcentrateurs et les bouteilles d'oxygène médical à livrer ou à louer sont des produits comparables.
Le moyen, qui, en ces rameaux, repose tout entier sur une interprétation inexacte de l'arrêt, manque en fait.
Quant à la troisième branche :
Il suit de la réponse aux deuxième et troisième rameaux de la deuxième branche que le moyen, en cette branche, procède d'une interprétation inexacte de l'arrêt sur le caractère comparable des oxyconcentrateurs et des bouteilles d'oxygène médical.
Le moyen, en cette branche, manque en fait.
Sur le premier moyen:
Quant aux trois branches réunies :
L'arrêt considère que « l'annexe III de la directive [2006/112/CE] énumère, de manière exhaustive, les catégories de livraisons de biens et de prestations de services pouvant faire l'objet des taux réduits visés à son article 98 » et que « le législateur national n'est par conséquent pas libre de faire bénéficier d'un taux réduit les livraisons de biens ou les prestations de services qui ne figureraient pas dans cette liste ».
Ces considérations non critiquées ainsi que celles, vainement critiquées par le second moyen, d'où il ressort que les concentrateurs d'oxygène litigieux ne relèvent ni du point 3 de l'annexe III précitée, pour ne pas rentrer dans la catégorie des produits pharmaceutiques qui y sont visés, ni du point 4 de celle-ci, pour ne pas être réservés à l'usage personnel et exclusif des handicapés, suffisent à fonder la décision de l'arrêt que la vente ou la location de ces appareils par la demanderesse est soumise au taux normal de la taxe sur la valeur ajoutée.
Dirigé contre des motifs surabondants relatifs aux biens et services bénéficiant d'un taux réduit de 6 p.c. suivant le tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20 fixant le taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services suivant ces taux, le moyen, qui, en aucune de ses branches, ne saurait entraîner la cassation, est dénué d'intérêt, partant, irrecevable.
Beschikkend gedeelte
Par ces motifs,
La Cour
Rejette le pourvoi;
Condamne la demanderesse aux dépens.
Les dépens taxés à la somme de quatre cent cinquante-sept euros nonante-huit centimes envers la partie demanderesse, y compris la somme de vingt euros au profit du fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne.
Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section Christian Storck, les conseillers Michel Lemal, Sabine Geubel, Ariane Jacquemin et Maxime Marchandise, et prononcé en audience publique du dix-sept juin deux mille vingt et un par le président de section Christian Starck, en présence de l'avocat général Thierry Werquin, avec l'assistance du greffier Patricia De Wadripont.