Belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, opeisbaarheid van de belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 27 juni 2011

Zoeken

Belastbaarheid, werkingssfeer, levering van goederen, opeisbaarheid van de belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-levering-goederen-opeisbaarheid-rechtbank-brugge-2011-06-27-22f3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
27 juni 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

72 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 27.06.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak 10/686/A

V. W., traiteur, geboren op … en zijn echtgenote C. B., beiden wonende te …, …

eisers,

voor wie optreedt Meester P. S., advocaat te …, …

tegen :

BELGISCHE STAAT - F.O.D. FINANCIËN, Invordering-sector BTW, vertegenwoordigd door de ea inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4.

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …, ….

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift ter griffie neergelegd d.d. 4 maart 2010.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 6 juni 2011.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Op 28 juni 2006 wordt voor eiseres overeenkomstig artikel 1, 1° KB nr. 14 van 3 juni 1970 een optieverklaring 104/1 ingediend bij de BTW-controle te Blankenberge. De optieverklaring wordt ingeschreven onder nummer …. De optie betreft de verkoop van een appartement op de tweede verdieping en 2 garages gelegen te …, …

Op 10 juli 2007, 8 augustus 2008 en 8 oktober 2008 wordt door de administratie aan eisers gevraagd of het onroerend goed reeds verkocht is. Na een verzoek om uitstel van de boekhouder van eisers volgt geen reactie meer. Op 24 maart 2009 wordt door de administratie nogmaals gevraagd om inlichtingen te verschaffen, doch zonder resultaat.

Door de administratie worden inlichtingen gevraagd bij de Administratie van het Kadaster, de Registratie en Domeinen en bij notaris D.. Uit deze inlichtingen blijkt dat het onroerend goed door eisers op 30 juni 2006 werd verkocht aan de heer J. D..

Door eisers werd evenwel geen BTW-aangifte ingediend.

Op 25 september 2009 worden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door S. F., fiscaal deskundige verbonden aan het BTW­controlekantoor van te Brugge II en medewerking verlenend als waarnemend eerstaanwezend inspecteur aan het BTW-controlekantoor te Blankenberge. In het proces-verbaal wordt gesteld dat eisers verschuldigd zijn … EUR als BTW, … EUR als evenredige geldboete, … EUR als niet proportionele geldboete (wegens het niet verschaffen van inlichtingen) en intresten vanaf 29 juli 2006.

Op 27 oktober 2009 wordt op basis van het proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel wordt op 29 oktober 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door C. L., ea. Inspecteur ai, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW te Brugge. Dit dwangbevel wordt op 3 november 2009 betekend aan eerste eiser. Op 26 januari 2010 wordt uitvoerend beslag gelegd op roerende goederen.

Op 4 maart 2010 hebben eisers een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2. Eisers vragen dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard ;

- het dwangbevel ongegrond wordt verklaard, minstens wordt vernietigd of minstens ontheffing wordt verleend;

- voor recht wordt gezegd dat eisers geen BTW meer verschuldigd zijn;

- de gevorderde geldboetes worden vernietigd;

- een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR wordt toegekend.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eisers onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

De rechtbank stelt geen middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vast, zodat de eis toelaatbaar is.

B. Betreffende de grond

1. BTW

1.1. In besluiten betwisten eisers niet dat zij ingevolge de verkoop van het onroerend goed BTW verschuldigd zijn t.b.v. … EUR. Eisers stellen wel dat zij recht op teruggaaf hebben van BTW t.b.v. … EUR, zijnde 56 % van de totale BTW van de bouw.

1.2. Volgens verweerder is de vordering tot teruggave van het BTW-tegoed verjaard. Hij verwijst hieromtrent naar artikel 82 en 82bis W.BTW.

1.3. Conform artikel 82 W.BTW. begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve boete te verjaren de dag dat deze vordering ontstaat.

Conform artikel 82bis W.BTW is er verjaring van de betreffende vordering, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Conform artikel 4 van het KB nr. 14 ontstaat voor de in artikel 8 W.BTW bedoelde belastingplichtige het recht van aftrek en de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt over de volledige maatstaf van heffing wat betreft de belasting die op dat ogenblik reeds aftrekbaar is en op het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat wat betreft de belasting waarvoor de belastingplichtige slechts schuldenaar wordt na de datum waarop de BTW verschuldigd wordt over de volledige maatstaf van heffing.

Conform artikel 17 W.BTW vindt voor de levering van goederen het belastbaar feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop de levering van het goed plaatsvindt.

Conform artikel 83, eerste lid W.BTW wordt de verjaring van de vordering tot teruggaaf gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 e.v. B.W.

1.4. De verkoop van het onroerend goed is gebeurd bij notariële akte van 30 juni 2006, zijnde het belastbaar feit en tijdstip van verschuldigdheid van de BTW. De verjaringstermijn voor teruggaaf van BTW is dus beginnen lopen op 30 juni 2006.

Dit betekent dat conform artikel 82 en 82bis W.BTW de vordering tot teruggaaf van de belasting m.b.t. de handelingen die gestrekt of bijgedragen hebben tot de oprichting van het gebouw verjaard is op 31 december 2009.

Volgens eisers hebben zij om teruggaf gevraagd bij schrijven d.d. 16 december 2009 van hun boekhouder aan het BTW-controlekantoor. Dit schrijven voldoet evenwel niet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2244 B.W. voor de stuiting van de verjaring.

Eisers hebben pas om teruggave verzocht in hun verzoekschrift neergelegd op 4 maart 2010, zodat de vordering tot teruggaaf van de BTW verjaard is.

5. Ten onrechte stellen eisers dat er sprake zou zijn van overmacht.

Overmacht kan enkel voortvloeien uit een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de mens niet heeft kunnen voorzien of voorkomen. Het onderstelt dus een onvoorziene en onafwendbare gebeurtenis waardoor het naleven van de aangegane verbintenis of verplichting onmogelijk wordt gemaakt.

Eisers hebben zelf de originele facturen van de bouw afgegeven aan de 'rechterhand' van de koper en dit zonder fotokopieën te nemen. Er is dan ook geen sprake van overmacht.

2. Boeten

2.1. De boeten werden opgelegd overeenkomstig het artikel 70, § 1bis W.BTW, artikel 84, derde lid W.BTW en artikel 1 van het KB nr. 41 (evenredige geldboete) en artikel 70, § 4 W.BTW en het KB nr. 44 van 21 oktober 1993 (niet-proportionele boete).

2.2. Een boete heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

2.3. Uit het voorgaande en de neergelegde stukken blijkt dat eisers geen geldige reden hadden voor het niet verschaffen van de gevraagde inlichtingen, noch voor het niet indienen van een BTW-aangifte en het niet betalen van de BTW. De door verweerder bepaalde administratieve boeten beantwoorden aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vastgestelde feiten. Het opleggen van de betreffende boeten is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.

De boeten hebben niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.

C. Betreffende de kosten

Gezien eisers in het ongelijk worden gesteld, moeten zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

De eis is in geld waardeerbaar en de waarde van de vordering situeert zich tussen 60.000 en 100.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van … EUR ( geïndexeerd ) bedraagt.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag, zevenentwintig juni tweeduizend en elf.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

S. C., griffier.

C. S. L. D. P.

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 14 art. 11 voorkomen
KB nr. 14 art. 41 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8