Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 16.02.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER·- OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 FEBRUARI 2009
Rolnummer : AR 08/4369/A
In de zaak van :
V. D. P. T., wonende te …, …,
eiser,
hebbende als raadsman mr. L. W., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector BTW, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van het BTW-Ontvangkantoor Sint-Niklaas, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4;
verweerder,
hebbende als raadsman mr. J.-P. W., advocaat te …, …,
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
Partijen werden gehoord. in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 19 januari 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 12 februari 2004, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, het vonnis van de rechtbank van eerste van .Dendermonde van 31 oktober 2008, waarbij de zaak overeenkomstig artikel 639, 3° lid Ger.W. werd overgemaakt aan deze rechtbank, de respectievelijke conclusies en de dossiers van de partijen.
2. DE VORDERING
De eiser verhaalt zich tegen het dwangbevel met RCIV-nummer …, uitgevaardigd op 16 juni 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 juni 2003 en aan de eiser betekend op 10 juli 2003, waarbij van verweerder van de eiser in het bijzonder een hoofdsom aan BTW vordert ten bedrage van 63.809,76 EUR.
De vordering van de eiser luidt als volgt :
"De exceptie van onbevoegdheid als ontoelaatbaar, minstens als ongegrond af te wijzen.
Vervolgens de vordering van [de eiser] in verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, en derhalve de voor verweerder genomen beslissing volgens dwangbevel d.d. 16.6.2003, betekend op 10.7.2003, RCIV … tot invordering van een bedrag van 70.227,13 EURO in hoofdsom als ongegrond af te wijzen.
In ondergeschikte orde. de herberekening door verweerder te horen bevelen van de gevorderde bedragen rekening houdende met de in regel stelling door de BVBA VDP C. in faling en met de voor de BVBA VDP C., thans in faling, aftrekbare BTW;'
Verweerder tevens te veroordelen tot·alle kosten van het geding, zoals begroot (...)”.
3. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
3.1.
Op 26 juni 2002 dienen de heer V. D. P. T., de eiser, en de BVBA VDP C., beiden wonende en gevestigd te …, …, de verklaring in zoals bepaald in artikel 1, § 1, 1° van het Koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970, waarin zij opteren als toevallige BTW-belastingplichtigen, het gebouw, gelegen …, … te vervreemden met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
Op 27 juni 2002 wordt de notariële akte betreffende de verkoop door de heer V. D. P. T., "aanlegger, en de BVBA VDP C. van het gebouw. gelegen …, …, aan de BVBA V. d. H. L., …, …, verleden voor Notaris P. L..
De eiser was de blote eigenaar van de grond, terwijl de BVBA VDP C., vruchtgebruiker was van de grond en van het gebouw.
Op basis van de notariële akte blijkt dat de verkoopprijs van de grond en het gebouw als volgt is samengesteld :
- voor de grond : 92.774,00 EUR;
- voor de opstaande constructie : 303.856,00 EUR;
- BTW op de constructie : 63.809.76 EUR
Bij vonnis d.d. 25 september 2002 van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas werd de BVBA VDP C. failliet verklaard en werd meester D. D. C., met kantoor te·…, …, als curator aangesteld.
Op 30 september 2002 dienen de eiser en de BVBA VDP C. een aangifte zoals in voorzien in artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14. van 3 juni 1970.
Op basis van de voormelde aangifte wordt het dwangbevel uitgevaardigd, waarbij het bedrag van 63.809,76 EURO" in hoofdsom vanwege de eiser wordt gevorderd.
3.2. De grieven van de eiser
3.2.1.
De eiser stelt dat hij als blote eigenaar van de grond er niet toe kan gehouden worden de BTW te betalen die verschuldigd is ingevolge de verkoop met BTW, van het gebouw. De eiser merkt op .dat overeenkomstig 44, § 3 van het BTW-Wetboek, de BTW enkel geheven kan worden op gebouwen, met uitsluiting van de grond waar ze zijn opgericht. De eiser stelt dat hij nimmer zakelijke rechten op het gebouw had, enkel over de grond.
3.2.2.
De eiser argumenteert dat de curator over het faillissement van de BVBA VDP C. aan de eiser schriftelijk heeft laten weten dat een uitgebreide controle van de BTW heeft plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan een minnelijke inregelstelling werd opgesteld waarbij rekening werd gehouden met de nog aftrekbare BTW.
De eiser laat gelden dat op datum van de controle en het opstellen van de minnelijke inregelstelling, de vordering voortvloeiende, uit de verkoop d.d. 27 juni 2002 reeds meer dan één jaar gekend was bij de verweerder, zodat hiermee impliciet doch zeker rekening werd gehouden bij de minnelijke inregelstelling.
3.2.3.
De eiser kan zich niet akkoord verklaren met de interpretatie van de administratie van artikel 51, § 1, 3° lid van het BTW-wetboek, volgens welk artikel hij als schuldenaar wordt beschouwd van de BTW die op de factuur is vermeld.
De eiser houdt voor dat de factuur de spil is voor de praktische toepassing van de BTW en met name voor de aftrekregeling. Volgens de eiser is het niet ingevolge het opmaken van de factuur, doch wel ingevolge de levering dat de BTW verschuldigd is. De factuur is volgens de eiser slechts een middel om de voldoening van de belasting veilig te stellen.
3.3.
3.3.1.
De administratie wijst op de duidelijke bewoordingen van de notariële akte, de mede door de eiser opgestelde factuur, en de mede door de eiser ingediende. BTW-aangifte. Op basis van deze elementen is de administratie van oordeel dat de eiser schuldenaar is van de BTW.
De administratie verwijst naar artikel 51, § 1, 3° W.BTW, op basis waarvan zij van oordeel is dat de eiser, wiens naam vermeld is op de factuur en die mede de aangifte indiende en ondertekende, schuldenaar is van de BTW.
De administratie merkt op dat de aangifte door de administratie werd ontvangen op 30 september 2002 en dat het faillissement van de BVBA VDP C. werd uitgesproken op 25 september 2002.
3.3.2.
Met betrekking tot de grief van de minnelijke inregelstelling tussen de administratie en de BVBA VDP C., stelt de administratie dat deze regeling geen betrekking heeft op de door de eiser betwiste vordering betreffende de verkoop van het onroerend goed. De administratie houdt voor dat de minnelijke inregelstelling betrekking heeft op het tegoed van de BVBA VDP C. op haar rekening-courant op het ogenblik van het faillissement, zoals dat blijkt uit de periodieke BTW-aangiften, ingediend door de BVBA VDP C., en geen betrekking heeft op de heer V. D. P. T..
4. BESPREKING
4.1.
Op grond van artikel 44, § 3, 1° W.BTW is geen BTW verschuldigd bij de verkoop van de grond; Dit blijkt ook uit de akte waarbij de grond en het gebouw met de toepassing van BTW is verkocht. Enkel de prijs voor de opstaande constructie ten bedrage van 303.856,00 EUR vormde de maatstaf van heffing voor de toepassing van de BTW.
4.2.
De eiser houdt voor dat hij enkel de blote eigenaar was van de grond en geen zakelijke rechten kon laten gelden op het gebouw.
Deze stelling wordt door de administratie niet betwist.
In beginsel is de grondeigenaar door natrekking eigenaar van alle gebouwen, werken en beplantingen op of onder zijn erf, tenzij, onder andere, er een opstalrecht op rust. De eiser licht niet toe op basis waarvan hij als blote eigenaar van de grond, niet tevens blote eigenaar was van het gebouw.
Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat door de eiser enig opstalrecht werd verleend aan de BVBA VDP C..
De stelling van de eiser dat hij geen zakelijke rechten kon laten gelden op het gebouw, kan niet worden bijgetreden. Deze bewering van de eiser wordt bovendien tegengesproken door de hierna vermelde stukken van het dossier.
4.3.
Op 27 juni 2002 wordt de notariële akte verleden betreffende de verkoop door de heer V. D. P. T., eiser, en de BVBA VDP C., van het gebouw, gelegen …, …, aan de BVBA V. d. H. L., …, …, voor Notaris P. L..
Uit deze akte blijkt dat beiden, zijnde de eiser en de BVBA VDP C. het bewuste onroerend goed verkocht hebben met de toepassing van de BTW. De relevante onderdelen van de akte dienaangaande luiden als volgt :
“B. Met het oog op de vrijstelling van de registratierechten op de gebouwen, bij toepassing van artikel 159, 8° van. het Wetboek der Registratierechten, verklaren comparanten :
- dat de verkopers, toevallige BTW-belastingplichtigen, geopteerd hebben voor de toepassing van de Belasting over de Toegevoegde Waarde blijkens hun verklaring ingediend op zesentwintig juni tweeduizend en twee op het controlekantoor der belasting over de toegevoegde waarde te 9120 Beveren (dossiernummer …).
(...)
- dat de verkopers de aandacht van de kopers er op hebben gevestigd dat het hun bedoeling is het gebouw, waarop onderhavige akte mede betrekking heeft te vervreemden met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde zoals voormeld."
4.4.
4.4.1.
Overeenkomstig artikel 1 van het KB nr. 14 van 3 juni 1970 (Koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970, met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, de vestigingen van een zakelijk recht op een gebouwen de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje of b, tweede streepje van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde), heeft eenieder die een handeling verricht bedoeld in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, tweede streepje of b,·tweede streepje van het Wetboek, onder de daarin gestelde omstandigheden, ten aanzien van die handeling de. hoedanigheid van belastingplichtige, op voorwaarde dat hij :
1° vooraleer de overeenkomst met betrekking tot die handeling wordt gesloten, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waar hij ressorteert, een verklaring in tweevoud indient waarin hij zijn bedoeling uitdrukt een gebouw te vervreemden, een zakelijk recht op een gebouw te vestigen, een dergelijk recht over te dragen of weder over te dragen, met voldoening van de belasting;
2° de medecontractant op de hoogte brengt van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting door middel van een vermelding in de eerste akte die tussen hen titel vormt van de vervreemding, de vestiging van een zakelijk recht op een gebouw of de overdracht of wederoverdracht van een dergelijk zakelijk recht.
4.4.2.
Op 26 juni 2002 dienen de eiser en de BVBA VDP C. een verklaring in voorzien in artikel 1, § 1, 1° van het Koninklijk Besluit nr. 14, van 13 juni 1970, waarin zij opteren als toevallige BTW-belastingplichtigen, het gebouw, gelegen …, … te vervreemden met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;
Op basis van deze verklaring heeft de eiser. samen met de BVBA VDP C. te kennen gegeven om een gebouw te vervreemden met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
4.5.
4.5.1.
Overeenkomstig artikel 2 van het voormelde KB nr. 14, moet de in artikel 1 bedoelde belastingplichtige met het oog op de voldoening van de door hem verschuldigde belasting, voor iedere vervreemding van een gebouw, iedere vestiging van een zakelijk recht op een gebouwen iedere overdracht of wederoverdracht van een dergelijk recht, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waar hij ressorteert een aangifte in drievoud indienen.
De verplichting tot indienen van de in het eerste lid bedoelde aangifte ontstaat op het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt. Aan die verplichting moet worden voldaan binnen een maand te rekenen vanaf dat tijdstip. De belasting moet worden voldaan binnen de termijn die gesteld is voor het indienen van de aangifte.
4.5.2.
Op 30·september 2002 dienen de eiser en de BVBA VDP C. een aangifte zoals in voorzien in artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 14, van 3 juni 1970. In deze aangifte duidt de eiser zichzelf aan onder de rubriek "Aanduiding van de vervreemder(s) van een gebouw, de vestiger(s), de overdrager(s) of wederoverdrager(s) van een zakelijk recht met betrekking tot een gebouw".
Op basis van deze aangifte heeft de eiser, samen met de BVBA VDP C. opnieuw te kennen gegeven een gebouw te vervreemden met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
4.6.
Op grond van de mede door de eiser ingediende verklaringen gelet op de inhoud van het voormelde artikel 2 KB nr. 14, kon de administratie aannemen dat de eiser schuldenaar was van de BTW.
4.7.
4.7.1.
Overeenkomstig artikel 51, § 1, 3° W.BTW is de belasting is verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.
4.7.2.
De BVBA VDP C. en de eiser, namelijk de heer V. D. P. T. reikten op 27 juni 2002 een factuur uit aan de BVBA V. d. H. L. met de volgende inhoud :
“De besloten vennootschap met beperkte, aansprakelijkheid 'V. d. H. L." waarvan de zetel gevestigd is te …, …, ingeschreven in het handelsregister van Antwerpen onder nummer …, BTW-nummer BE ….
IS VERSCHULDIGD AAN :
1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VDP C.' waarvan de zetel gevestigd is te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nummer …, BTW-nummer BE ….
2. De Heer V. D. P. T.,·ongehuwd, geboren te … op …, wonende te …, ….
voor overdracht van nagemeld gebouw, te weten :
GEMEENTE BEVEREN
Een industriegebouw staande gelegen te …, …, (ambachtelijke zone "D.", kadastraal bekend samen met de grond … derde afdeling sectie C nummer … voor een oppervlakte van 1.996 vierkante meter.
De som van : constructie : 303.856,00 EUR
BTW 21 % : 63.809,76 EUR
Totaal : 367.665,76 EUR
Akte verkoop verleden voor notaris P. L. te … op 27 juni·2002 waarbij kwijting werd verleend voor gemelde koopprijs van constructies en BTW.
Opgemaakt te … op: 27 juni 2002.
Was getekend : BVBA VDP C. V. D. P. T.
V. D. P. T.
4.7.3.
De voormelde factuur omvat enkel de verkoop van het gebouw met toepassing van de BTW. De bewoordingen van de factuur laten duidelijk verstaan dat de koper, de hoofdsom (maatstaf van heffing) en de BTW verschuldigd is aan de BVBA VDP C. en aan de eiser.
De tekst van deze artikel 51, § 1, 3° W.BTW is duidelijk. Op deze regel bestaat geen afwijking, zodat deze persoon steeds kan worden aangesproken tot voldoening van de belasting (cfr. art 21, 1e lid, d; Zesde richtlijn). Op grond van de vermeldingen op de mede door de eiser uitgereikte factuur en bij toepassing van artikel 51, § 1, 3° W.BTW, is de eiser gehouden tot betaling van de BTW en voldoening van alle op grond van het betwiste dwangbevel van 16 juni 2003 verschuldigde sommen en intresten.
4.8
De eiser kan niet worden bijgetreden in de argumentatie met betrekking tot de minnelijke inregelstelling die op 30 juli 2003 tussen de administratie en de curator is overeengekomen (stuk 5vande administratie).
Uit de minnelijke inregelstelling blijkt duidelijk dat deze betrekking had op een controle van een tegoed dat blijkt uit de door de BVBA VDP C. ingediende periodieke BTW-aangiften :
"Ter plaatse bij de curator is gebleken dat er geen boekhouding voorhanden·is vanaf het 2de kwartaal 2001 en dat er derhalve geen toezicht over het tegoed van de rekening-courant op het moment van de faling kan uitgeoefend worden.
Het bedoelde tegoed van € 6.140,77 op de rekening-courant op het moment van de faling kan derhalve niet terugbetaald worden.
BTW terug te storten : € 6.140,77."
De controle werd uitgevoerd bij de curator van de BVBA VDP C. op 17 maart 2003. De controlerende ambtenaar stelde vast dat er geen boekhouding voorhanden was vanaf het 2de kwartaal 2001. Er kon geen toezicht uitgeoefend worden over het tegoed van·de rekening-courant op het moment van het faillissement De curator heeft zich akkoord verklaard met een verschuldigd bedrag van 6.140,77 EUR, zijnde het bedrag van het tegoed van de BVBA VDP C.. Deze minnelijke inregelstelling heeft geen betrekking op de door de eiser betwiste vordering betreffende de verkoop van het onroerend goed.
4.9.
Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding hebben de beide partijen op de terechtzitting. van 19 januari 2009 verklaard dat de vordering niet in geld waardeerbaar is. De beide partijen verklaarden zich op deze terechtzitting akkoord met de toepassing van het basis bedrag van de recbtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering van de eiser ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de verweerder : rechtsplegingsvergoeding : 1.200,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op maandag zestien februari tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :
De heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer.
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.