Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 14.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 09/3115/A
S. L., vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoor te …, … (BTW BE …).
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. V. F., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijke directeur van de BTW, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, en de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor te 3970 Leopoldsburg, Hospitaalstraat 2.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. L. K. loco mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16.12.2009;
- de conclusies, tweede conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
- de besluiten, synthesebesluiten en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiseres is wegens de door haar opgegeven activiteit van recreatie en ontspanningsactiviteit geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer … en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Eiseres heeft een multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S." laten oprichten.
Op 17.12.2004 droeg eiseres het recht van opstal van deze multifunctionele sport-en evenementenhal "D. S." over aan het Autonoom Gemeentebedrijf "S. en R. L.". Met betrekking tot deze overdracht had de stad … geopteerd voor het regime van de zogenaamde "toevallige BTW-plichtige" zoals bepaald in art. 8, § 2 W.BTW en in uitvoering van het KB nr. 14 van 03.06.1970.
De overdracht van de multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S." werd tussen de contractanten beschouwd als de overdracht van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in artikel 11 W.BTW.
Ingevolge de optie voor toevallige BTW-plichtige en de overdracht van multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S." aan het Autonoom gemeentebedrijf, heeft eiseres op 14.01.2005 een bijzondere BTW-aangifte ingediend bij de administratie.
In deze aangifte vorderde eiseres oorspronkelijk een bedrag van 1.797.158,54 euro aan BTW terug; dit bedrag werd later gebracht op 1.835.302,13 euro bij aangetekende brief van 07.02.2005.
Bij beslissing van 06.01.2006 van de BTW-controle te Leopoldsburg en bevestigd bij directorale beslissing van 03.04.2006, stelde de administratie dat zij niet kon akkoord gaan met het verlenen van enig recht op aftrek aan eiseres met betrekking tot voornoemde activiteit.
Aangezien de overdracht van het recht van opstal op de multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S." kaderde in een overdracht van een bedrijfsafdeling, die overeenkomstig art. 11 W.BTW niet beschouwd wordt als een belastbare levering van goederen, kan er voor dergelijke handeling geen recht op aftrek worden toegestaan volgens de administratie.
Aan de stad Lommel werd dan ook om die reden de betaling van een bedrag van 1.835.302,13 euro (ontstaan uit het recht op aftrek van voorbelasting inherent aan de oprichting van de multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S.") geweigerd. Hooguit kon de administratie zich akkoord verklaren met het toekennen van een herziening ten bedrage van 1.590.595,18 te verrichten door het Autonoom Gemeentebedrijf "S. en R. L.".
Eiseres was van oordeel dat met deze beslissingen afbreuk werd gedaan aan het neutraliteitsbeginsel en dat er op deze manier 2/15 van de voorbelasting verloren ging. Eiseres kon zich met deze beslissing dan ook niet akkoord verklaren en heeft bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16.12.2009, een vordering in rechte ingeleid.
II. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
1. Eiseres door haar aangifte als toevallige oprichter van 14.01.2005 om de vestiging van een opstalrecht m.b.t. de sport- en evenementenhal D. S., op dat ogenblik een volgens BTW-wetgeving nieuw gebouw, te laten plaatsvinden onder toepassing van het BTW-stelsel en niet onder toepassing van het registratierecht.
Op 17.12.2004 droeg eiseres het recht van opstal van deze multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S." over aan het Autonoom Gemeentebedrijf "S. en R. L.". De overdracht van de multifunctionele sport- en evenementenhal "D. S." werd tussen de contractanten beschouwd als de overdracht van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in artikel 11 W.BTW.
Overeenkomstig art. 11 W.BTW wordt niet als levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling onder bezwarende titel of om niet, bij wegen van inbreng in een vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de BTW indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.
Voornoemd art. 11 W.BTW vindt zijn oorsprong in bijlage A, artikel 1, alinea 3 Van de Tweede Richtlijn van 11.04.1967 waarin gestel werd dat de Lidstaten de bevoegdheid hebben om ervan uit te gaan dat bij inbreng van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in een vennootschap, deze vennootschap geacht wordt de persoon van de inbrengen voor te zetten.
Art. 5, 8ste lid van de Zesde Richtlijn heeft dit principe verfijnd. Overeenkomstig art. 2 van de Zesde Richtlijn is een dergelijke overdracht niet aan de BTW onderworpen en kan zij bijgevolg geen belaste handeling in de zin van art. 17, lid 2 van de Zesde Richtlijn vormen.
Krachtens art. 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is in aftrekt brengen de belasting geheven van de aan hel geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van in dit artikel opgesomde handelingen of diensten.
Aangezien er in de Belgische BTW-wetgeving de overdracht niet beschouwd wordt als een levering kan voor dergelijke handeling derhalve geen recht op aftrek toegestaan worden.
2. Het neutraliteitsbeginsel is in deze niet geschonden.
De overnemer, het Autonoom Gemeentebedrijf, wordt geacht de persoon van de overdrager, zijnde de stad …, voort te zetten
Via een herziening heeft het Autonoom Gemeentebedrijf een bedrag van 1.590.595,18 euro gerecupereerd.
Uit een brief van 04.05.2006 (stuk 5, bundel administratie) blijkt dat dit bedrag van het Autonoom Gemeentebedrijf terug zal vloeien naar eiseres :
"Gelet op het gegeven dat onze cliënt sinds januari 2005 op de uitbetaling van het batig saldo van de BTW-aangifte wacht en graag zo spoedig mogelijk over deze financiële middelen wil beschikken, hebben wij er voor geopteerd om onder voorbehoud van alle rechten en zonder nadelige erkentenis een positieve herziening uit te oefenen in de periodieke BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2006".
Ingevolge de persoonvoortzetting van de overdrager door de overnemer wordt het neutraliteitsprincipe gerespecteerd.
De door eiseres aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie dient in de aldaar specifieke omstandigheden geïnterpreteerd.
De vordering van eiseres is derhalve ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zij de van verweerder op 15.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 14.06.2011, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.