Ambtshalve aanslag, Boetes, aangifte, indienen van de aangifte · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 21 januari 2014

Zoeken

Ambtshalve aanslag, Boetes, aangifte, indienen van de aangifteBelasting over de toegevoegde waarde – Ambtshalve aanslag – Boetes

https://juriel.be/nl/rechtspraak/ambtshalve-aanslag-boetes-boete-aangifte-rechtbank-gent-2014-01-21-035b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
21 januari 2014

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

83 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 21.01.2014

(AR/12/2665/A)

Belasting over de toegevoegde waarde - Ambtshalve aanslag - Boetes

Samenvatting

Terzake werd de aangifte niet vóór de aanslag maar bijna een jaar daarna ingediend. Dit verhindert derhalve niet dat de BTW-administratie op geldige wijze de ambtelijke navordering kon vestigen. De vordering tot vernietiging van deze navordering dient te worden afgewezen.

Dat er een fout in hoofde van de eiser bestaat, staat vast, maar niet dat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk belastingen heeft willen ontduiken.

De boete van 200% is kennelijk onevenredig met de inbreuk, die moet worden omschreven als een misstap van een belastingplichtige die steeds te goeder trouw heeft gehandeld, nooit de intentie heeft gekoesterd om aan de BTW-heffing te ontkomen en -blijkbaar ten onrechte het gewettigd vertrouwen had in zijn boekhouder.

De boete dient te worden herleid tot 10% van de belastingschuld.

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde fiscale kamer dd. 21.01.2014

AR/12/2665/A

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

In de zaak van:

P.E., wonende te …, destijds als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer …

EISER, die niet verschijnt, noch iemand voor hem

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, sector BTW,

in de persoon van de rekenplichtige van het BTW Ontvangkantoor te Sint-Niklaas, waarvan de burelen gevestigd zijn te Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2,

VERWEERDER, ter zitting vertegenwoordigd door dhr. T.W. en dhr. J.V.B., beiden inspecteur bij een fiscaal bestuur

Vonnist de rechtbank als volgt:

1. De rechtspleging

De verweerder werd gehoord in zijn middelen op de openbare terechtzitting van 9 december 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift d.d.25 juli 2012 en de laatste regelmatig neergelegde conclusies van de partijen (artikel 748bis

Ger.W.).

Hoewel regelmatig opgeroepen, is de eiser niet verschenen op de openbare terechtzitting waarop de zaak werd behandeld. In toepassing van artikel 747, §2, 6de lid Ger.W. wordt het vonnis op tegenspraak gewezen.

2. De vordering

De eiser verhaalt zich tegen het BTW-dwangbevel nr 411/0706/15089, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 juli 2011, met daaraan gehecht de ambtelijke aanslag van 1 juli 2011.

De eiser vordert de vernietiging/ongegrondheid van de voormelde aanslag en bestreden beslissing, de terugbetaling van de op grond van deze aanslag geïnde bedragen meer interesten, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.

Hij vordert minstens de kwijtschelding te horen verlenen van de opgelegde boetes en interesten daarop.

Verweerder vordert de vordering van de eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en eiser te veroordelen tot alle kosten van het geding.

3. De relevante feiten en het geschil

3.1. Er bestaat geen betwisting over het feit dat eiser op 12 mei2011 ingebreke was, als BTW-belastingplichtige, de aangiften, bedoeld in het artikel 53, §1, eerste lid, 2° van het BTW-wetboek, in te dienen voor de handelingen die hij heeft verricht in de uitoefening van zijn economische activiteit gedurende het tijdvak van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2008, 1 april 2009 tot en met 31 december 2009 en voor de periode van 1 april 2010 tot en met 31 december

2010.

Er werd desbetreffend een kennisgeving van proces-verbaal en de notificatie voorafgaande aan een ambtelijke aanslag opgestuurd naar de eiser op 12 mei 2011. Door de eiser werd hierop niet gereageerd.

Op 1 juli 2011 werd de ambtelijke aanslag gevestigd door de heer waarnemend gewestelijke directeur J. Debruyne.

Voor deze overtredingen opgenomen in de ambtelijke aanslag wordt een dwangbevel opgemaakt op 25 juli 2011. Uit dit dwangbevel blijken op die datum de volgende verschuldigde bedragen:

- BTW : 20.580,00 euro

- boete : 41.160,00 euro

- interesten : 987,84 euro (vanaf 21 januari 2011 tot 20 juli 2011)

TOTAAL : 62.727,84 euro

Volgend op de ambtshalve aanslag werd op 12 januari 2012 een beslag onder derden gelegd bij de werkgever van de eiser.

Op 6 juni 2012 werden de aangiftes voor de periode van 1 april 2010 tot en met 31 december 2010 ingediend.

Het is niet betwist dat op 13 juni 2012 via de derdenrekening van de raadsman van de eiser een bedrag van 20.000,00 euro is gestort aan de BTW-ontvanger.

Op 9 juli 2012 volgt een betekening van bevel tot betalen.

Op 25 juli 2012 wordt het verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

4. Beoordeling

4.1

De eiser houdt voor dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat in het dwangbevel geen rekening wordt gehouden met de betaling van 20.000,00 euro die hij ondertussen had betaald aan de BTW-ontvanger en omdat de ontbrekende BTW-aangiftes ondertussen werden ingediend door de boekhouder F.S.

4.2.

Ten onrechte houdt de eiser voor dat in het dwangbevel geen rekening wordt gehouden met de betaling van 20.000,00 euro die hij sinds het dwangbevel heeft betaald aan de BTW-ontvanger. Het bevel bevat immers de zinsnede: "zonder nadeel aan alle andere verschuldigde rechten, vorderingen, interesten en kosten van uitvoering van verzoekende partij, doch onder aftrek van alle sommen die zullen bewezen worden geldig op afkorting te zijn betaald'. De verweerder bevestigt dat met het door de eiser reeds betaalde bedrag van 20.000,00 euro wel rekening wordt gehouden.

4.3.

Artikel 66 van het BTW-wetboek bepaalt met name dat wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of 4, schuldenaar is van de belasting, om welke reden ook, de in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2° bedoelde aangifte niet heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door of ter uitvoering van .dit Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen ambtshalve een aanslag kan worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft. Wanneer de aangifte te laat is ingediend doch vóór de ambtshalve opgelegde aanslag, wordt de belasting vastgesteld op grond van de aangifte, voor zover de aangifte niet meer dan twaalf maanden te laat is ingediend.

Terzake werd de aangifte - trouwens slechts met betrekking tot het jaar 2010 - niet vóór de aanslag maar bijna een jaar daarna ingediend. Dit verhindert derhalve niet dat de BTW-administratie op geldige wijze de ambtelijke navordering kon vestigen. De vordering tot vernietiging van deze navordering dient te worden afgewezen.

4.4

Met betrekking tot de boete van 200% overeenkomstig artikel 70, §1, BTW-wetboek, beweert eiser terecht dat deze onevenredig is.

De oplegging van de bestuurlijke boete zoals te dezen dient, gelet op de omvang en de zwaarte ervan, te worden beschouwd als een administratieve geldboete met een repressief karakter, zodat de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende rechtswaarborgen van toepassing zijn bij de oplegging daarvan.

De rechter mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. De rechter kan in voorkomend geval, op grond van de genoemde normen, de opgelegde straf opheffen of verminderen (Cass. 24 januari 2002, F.00.0099.N, op http ://jure.juridat.just.fgov.be)

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds

opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

4.5

Terzake is niet betwist dat de bewuste aangiftes niet zijn gebeurd wegens de nalatigheid van de boekhouder van de eiser.

Het beschikken over een regelmatige boekhouding is een absolute voorwaarde voor een handelaar. Wie als handelaar geen kasboek en geen regelmatige boekhouding voert, kan onmogelijk weten waar hij staat. De eiser kan zich niet verschuilen achter het feit dat hij zich voor het voeren van zijn boekhouding liet bijstaan door een boekhouder die hem steeds zou hebben gerustgesteld dat al het nodige zou worden gedaan. De eiser diende er als diligent handelaar op toe te zien dat de door hem aangestelde boekhouder wel degelijk de gevraagde prestaties leverde en tijdig aan alle boekhoudkundige voorschriften en aangifteverplichtingen werd voldaan. Zoniet, dan diende de eiser hieruit de nodige conclusies te trekken en zich door een andere boekhouder te laten bijstaan.

Dat er een fout in hoofde van de eiser bestaat, staat vast, maar niet dat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk belastingen heeft willen ontduiken.

De verweerder verwijst naar het feit dat hij op alle mogelijke manieren geprobeerd heeft om eiser ertoe aan te zetten zijn aangiften alsnog 'spontaan' in te dienen, door het versturen van herinneringen en rekeninguittreksels van de rekening-courant, het opmaken van vijf bijzondere rekeningen met geldboeten en uiteindelijk het aankondigen van een controle ter plaatse. Deze beweringen worden echter niet bewezen. De eiser ontkent niet enige briefwisseling van de administratie te hebben ontvangen maar stelt dit te hebben doorgestuurd naar zijn boekhouder aangezien hij daar zelf niet in onderlegd was. Hij ging ervan uit dat het nodige werd gedaan door deze boekhouder. Uit de stukken blijkt dat pas toen hij geconfronteerd werd met een uitvoerend beslag onder derden begin 2012, hij een raadsman in de armen heeft genomen die de boekhoudkundige bescheiden heeft opgevraagd aan de vroegere boekhouder en 20.000 euro aan

de BTW-administratie heeft gestort. De nieuwe boekhouder van de eiser heeft in juni 2012 de aangiften voor de jaren 2010, 2011 en 2012 ingediend.

De eiser heeft zijn beroepsactiviteit op zelfstandige basis effectief stopgezet op 30 juni 2011. De stopzetting van zijn onderneming werd geregistreerd op 31 januari 2012. Hij stelt in dienstverband te werken met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Het is in deze omstandigheden niet nuttig een strafsanctie te geven dat een ontradend effect moet hebben naar de toekomst toe.

In de geschetste omstandigheden is de boete van 200% kennelijk onevenredig met de inbreuk, die moet worden omschreven als een misstap van een belastingplichtige die steeds te goeder trouw heeft gehandeld, nooit de intentie heeft gekoesterd om aan de BTW-heffing te ontkomen en -blijkbaar ten onrechte het gewettigd vertrouwen had in zijn boekhouder.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de boete te worden herleid tot 10% van de belastingschuld.

4.6

Met betrekking tot de gerechtskosten.

De in het ongelijk gestelde partij dient in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). Beide partijen zijn in een gelijke mate in het ongelijk gesteld.

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding.

Aangezien echter geen van beide partijen vertegenwoordigd is door een advocaat, is geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Recht doende op tegenspraak.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch gegrond in de mate zoals hierna is bepaald.

Vermindert de opgelegde en bestreden administratieve geldboete tot 10% van de belastingschuld.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op éénentwintig januari tweeduizend veertien, waar aanwezig waren:

- de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 661 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8