Tekst van de beslissing
ARREST C 04/2
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 07.10.2004
FJF 2005/65
De Fiscale Koerier 2004/723
Aftrek voorbelasting - BTW-carrousel - Nietigheid transacties
Overeenkomsten die tot doel hebben een fraude te organiseren waarbij derden benadeeld worden (in casu de Belgische Staat) waarvan de belangen worden beschermd door een wetgeving van openbare orde, hebben een ongeoorloofde oorzaak en zijn om deze reden volstrekt nietig. Dergelijke overeenkomsten zijn absoluut nietig van zodra één van de betrokken partijen met frauduleuze bedoelingen heeft gehandeld.
De omstandigheid dat andere partijen niet op de hoogte waren van de fraude, is geen beletsel voor de nietigheid van de betwiste transacties.
Het Hof van Cassatie aanvaardt dat in het licht van rechtspraak van het Europees Hof van Justitie de vraag kan worden gesteld of het feit dat transacties volgens het intern (burgerlijk) recht absoluut nietig zijn, volstaat om inzake BTW het recht op aftrek van voorbelasting te verwerpen.
Alvorens deze vraag te beantwoorden, besluit het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie:
a. Verzet het neutraliteitsbeginsel inzake BTW er zich tegen dat het recht op aftrek van voorbelasting wordt verworpen in hoofde van een belastingplichtige die te goeder trouw heeft gehandeld doch betrokken is geraakt bij verrichtingen die volgens het intern (burgerlijk) recht absoluut nietig zijn wegens de fraude die is begaan door één van de andere tussenkomende partijen ?
b. Is het antwoord verschillend indien de absolute nietigheid van de onderliggende verrichtingen het gevolg is van een fraude tegen de BTW-wetgeving zelf ?
c. Is het antwoord verschillend indien de ongeoorloofde oorzaak die volgens het intern recht tot de absolute nietigheid van de onderliggende verrichtingen leidt, verband houdt met BTW-fraude waarvan de diverse betrokken partijen (in casu koper en verkoper
van de goederen) op de hoogte waren ?
Nr. C.03.0144.F.-
K. A.,
Mr. P. V. O., advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,
Mr. F. T'K., advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest dat op 29 mei 2002 door het Hof van Beroep te Luik is gewezen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter C. P. heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal A. H. heeft geconcludeerd.
III. Middelen
(…)
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste middel
Overwegende dat het middel aanvoert dat het arrest niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de koopovereenkomsten die tussen de failliete vennootschap, waarvan eiser de curator is, en haar medecontractant gesloten waren, wegens een ongeoorloofde oorzaak volstrekt nietig waren, terwijl de failliete vennootschap geen weet zou hebben gehad van de ongeoorloofde drijfveer van haar medecontractant die erop uit was de Schatkist op te lichten door het opzetten van een "BTW-carrousel" ;
Overwegende dat een overeenkomst die ertoe strekt een derde te bedriegen, in casu verweerder, wiens rechten beschermd zijn door een wetgeving van openbare orde, een ongeoorloofde oorzaak heeft en volstrekt nietig is ;
Dat het, aangezien het om het openbaar belang gaat, voldoende is dat een van de partijen met ongeoorloofde bedoelingen heeft gecontracteerd ; dat de medecontractant die bedoelingen niet noodzakelijk hoeft te kennen ;
Dat het middel faalt naar recht ;
2. Tweede middel
Overwegende dat artikel 2 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden ;
Dat luidens artikel 4, § 1, van dat wetboek belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, levering van goederen of diensten verricht die in dat wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend ;
Dat in artikel 10, § 1, als een levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken met de precisering dat onder meer het feit wordt bedoeld waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing ;
Dat elke belastingplichtige, krachtens artikel 45, § 1, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in aftrek mag brengen van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen die in dat artikel worden opgesomd ;
Dat die wetsbepalingen de zesde richtlijn nr. 77/338/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag omzetten naar het Belgisch recht ;
Overwegende dat volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de zesde richtlijn, die een ruime harmonisatie beoogt op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde, berust op het beginsel van de fiscale neutraliteit ; dat er overeenkomstig dat beginsel, m.b.t. de inning van die belasting, geen veralgemeende différentiëring tussen geoorloofde en ongeoorloofde transacties mag gebeuren, behalve in de gevallen, die geen verband houden met deze zaak, waar, wegens de bijzondere kenmerken van bepaalde goederen, iedere mededinging tussen een geoorloofde economische sector en een ongeoorloofde economische sector uitgesloten is ;
Overwegende dat het arrest, met overname van de redenen van de eerste rechter, vaststelt dat de failliete vennootschap computeronderdelen had gekocht en doorverkocht en, dat de belastingadministratie, luidens een door haar opgemaakt proces-verbaal, heeft geoordeeld dat voornoemde vennootschap willens en wetens had meegewerkt aan een "BTW-carrousel" waarmee men een of meerdere keren de BTW-bedragen wil recupereren die leveranciers factureren voor een en hetzelfde artikel en dat de leveringen aan de failliete vennootschap fictief waren ; dat de administratie op die grond de failliete vennootschap het recht ontzegd heeft de belasting betreffende die verrichtingen af te trekken ;
Overwegende dat het arrest vermeldt dat "een overeenkomst die ertoe strekt derden op te lichten, in casu de Belgische Staat, wiens rechten door een wetgeving van openbare orde zijn beschermd, een ongeoorloofde oorzaak heeft en volstrekt nietig is" en vervolgens oordeelt dat een nietige overeenkomst geen rechtsgevolgen kan hebben, zoals de aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde, wanneer de ongeoorloofde oorzaak een fraude inzake de belasting zelf is ;
Overwegende dat het middel, in strijd met de beslissing van het arrest, staande houdt dat de belasting over de toegevoegde waarde die door een belastingplichtige voor een levering van goederen wordt gefactureerd mag worden afgetrokken, ook al wordt zij geheven naar aanleiding van een overeenkomst die, in intern recht, volstrekt nietig is en dat het recht op aftrek blijft bestaan ook al zou de ongeoorloofde oorzaak een fraude inzake de belasting over de toegevoegde waarde zelf zijn ;
Overwegende dat, alvorens uitspraak te doen, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de prejudiciële vragen moeten worden gesteld die in het dictum van dit arrest zijn weergegeven ;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de onderstaande prejudiciële vragen zal hebben beantwoord:
1. Belet het beginsel van fiscale neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde dat, wanneer de levering van goederen bestemd is voor een belastingplichtige die te goeder trouw heeft gecontracteerd en niet op de hoogte was van de door de verkoper gepleegde fraude, de vernietiging van de koopovereenkomst ingevolge een regel van intern burgerlijk recht, waardoor die overeenkomst volstrekt nietig wordt omdat zij wegens een onrechtmatige oorzaak aan de zijde van de verkoper strijdig is met de openbare orde, voor die belastingplichtige het verlies van het recht om de belasting af te trekken tot gevolg heeft ?
2. Verschilt het antwoord wanneer de volstrekte nietigheid het gevolg is van een fraude inzake de belasting over de toegevoegde waarde zelf ?
3. Verschilt het antwoord wanneer de ongeoorloofde oorzaak van de koopovereenkomst, die de volstrekte nietigheid ervan in intern recht tot gevolg heeft, een fraude inzake de belasting over de toegevoegde waarde is waarvan de beide contractanten op de hoogte waren ?
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter C. P., de raadsheren C. S., D. B., C. M. en P. G., en in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter C. P., in aanwezigheid van advocaat-generaal A. H., met bijstand van griffier M.-J. M..
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter E. F. overgeschreven met assistentie van griffier P. V. G..
De griffier.
De afdelingsvoorzitter.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
2Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Luik25.02.2005