Aftrek, Fictieve facturen, fictieve factuur · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 12 februari 2002

Zoeken

Aftrek, Fictieve facturen, fictieve factuur

https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-boete-fictieve-facturen-factuur-rechtbank-brugge-2002-02-12-4df8

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
12 februari 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

114 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 12.02.2002

Aftrek - Boete - Fictieve facturen

Een BTW-belastingplichtige die de door hem betaalde BTW in aftrek wil brengen, moet aantonen dat de aangekochte goederen en/of diensten werden gebruikt in het kader van zijn economische activiteit. In de voorliggende zaak was het voor de rechtbank niet duidelijk of de BTW-belastingplichtige in kwestie, die facturen voor goederen had ontvangen, deze goederen wel echt had gekocht of dat het hier ging om fictieve facturen. Aangezien de BTW-belastingplichtige ook compleet niet kon aantonen dat de gekochte goederen werden gebruikt in de uitoefening van zijn economische activiteit, heeft de BTW-administratie terecht het recht op aftrek van BTW verworpen. De opgelegde boete ten belope van 200% van de BTW werd door de rechtbank verminderd.

Vierde kamer

Allenrechtsprekend rechter: Dhr. Vandeputte Dries

Griffier: Mevr. Vandenabeele Annick

Partij: M••••••• C••••• t. De Belgische Staat

I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 15 januari 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1.de gedinginleidende dagvaarding van 16 maart 2000, strekkend tot verzet tegen het dwangbevel van 16 november 1999, onder R.C.I.V. nr. 299.1112.11637; 2.de conclusie voor verweerder van 30 juni 2000; 3.de conclusie voor eiser van 24 juli 2000; 4.de conclusie voor verweerder van 28 november 2000; 5.de conclusie voor eiser van 13 juli 2001; 6.de conclusie voor verweerder van 11 september 2001 en 7.de conclusie voor eiser van 7 november 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1 De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiser is een aannemer van beton- en metselwerken die in de praktijk hoofdzakelijk als onderaannemer van Electrabel werk met betrekking tot bekabeling en aansluiting van elektriciteitsleidingen uitvoert.

In de loop van 1999 heeft de B.B.l. een onderzoek ingesteld bij de NV R. en de NV W.. Uit dat onderzoek was gebleken dat eiser één van de geadresseerden was van facturen op naam van Ruincolor, waarbij de NV W. een rol had gespeeld.

Een gericht onderzoek bij eiser gaf de bevestiging dat eiser in de periode van 1994 tot 1996 verschillende facturen (waarvan één volledig gecrediteerd) van de NV Ruincolor had ingeschreven. In het proces-verbaal van 12 november 1999 dat daarop volgde, werd relaas gedaan van 4 facturen, waarvan 1 opgeheven door een creditnota waardoor de totale maatstaf van heffing op een saldo kwam van 1.304.916 frank. De overeenkomstige BTW bedroeg 268.493 frank.

Uit vergelijking met de overtuigingsstukken die eiser voorlegt, blijkt dat daarin geen rekening werd gehouden met de factuur nr. 940632 van 16 mei 1994 voor een bedrag van 603.218 frank, vermeerderd met 123.660 frank BTW.

De facturen hebben in hoofdzaak betrekking op verven, vrijwel uitsluitend binnenverven en ook op tassobehang.

Tijdens het onderzoek verklaarde eiser dat hij geen inventaris bijhield.

De verven zouden bedoeld zijn om herstellingen uit te voeren aan beschadigde wegmarkeringen; de tasso werd volgens eiser gebruikt om de kabels te verstevigen. De BTW-controleur stelt dat hij bij Electrabel navraag heeft gedaan en daar als antwoord kreeg dat een dergelijk gebruik van tasso niet bekend was.

De BTW-controleur schrijft in zijn proces-verbaal dat er in de boekhouding van eiser geen facturen terug te vinden zijn van verftoebehoren (verfborstels, white-spirit,...).

Tijdens het onderzoek verklaarde eiser dat hij gecontacteerd werd door de zaakvoerder van de NV W. die zeer promotionele prijzen aanbood voor verven, dat hij bestelde aan W., dat W. de bestelde producten kocht bij Ruincolor, die zij bij W. leverde en waar eiser ze ging afhalen. Hij betaalde contant aan de zaakvoerder van W. op het moment dat deze hem de factuur, opgesteld op naam van de NV Ruincolor, overhandigde.

Uit stukken die verweerder voorlegt, blijkt dat de BVBA R. leveringen deed bij de NV W. op basis van een leveringsbon van de BVBA R. met nummer 17039 van 22 november 1996 met de NV W. als geadresseerde (stuk 20 dossier verweerder). Die levering werd betaald over de bank, namelijk met een cheque, getrokken op de zichtrekening van de zaakvoerder van de NV W. (niet van de NV W. zelf) (stuk 21 dossier verweerder).

Op de factuur nr. 961586 van 10 december 1996 komt vervolgens volledig dezelfde inhoud van die specifieke bestelbon voor, terwijl die factuur gefactureerd is aan eiser.

Wat de rechtsnormen betreft, vermeldde de BTW-controleur dat artikel 45 § 1, 1 veronderstelt dat de belastingplichtige die aftrek van BTW wil doen, het bewijs levert dat aan hem daadwerkelijk goederen of diensten geleverd zijn die hij gebruikt voor zijn belastbare handelingen, terwijl de loutere overlegging van een factuur op zich nog geen bewijs oplevert van de wettelijke voorwaarden tot aftrek van BTW.

Hij voegde eraan toe:

«Uit het geheel van vaststelling opgenomen in rubrieken A1 en A2 blijkt dat de levering van de goederen niet is aangetoond en daarenboven blijkt uit de aangehaalde feiten dat de door de BVBA R. aan M.C. gefactureerde leveringen, als ze al zouden gebeurd zijn, laatstgenoemde die geleverde goederen NIET gebruikte voor het verrichten van belastbare handelingen zodat er hoe dan ook geen recht op aftrek bestond voor de facturen uitgaande van de BVBA R.».

De verschuldigde BTW werd vastgesteld op 268.493 frank (6655,77 euro). Daarbovenop werd een administratieve boete overeenkomstig artikel 70, § 1bis WBTW opgelegd van tweemaal de verschuldigde BTW, namelijk 536.000 frank (13.287,09 euro).

Gebaseerd op dat proces-verbaal van 12 november 1999 vaardigde verweerder voor diezelfde bedragen op 16 november 1999 een dwangbevel uit. Het werd diezelfde dag nog geviseerd en uitvoerbaar verklaard en de volgende dag per aangetekende brief aan eiser opgestuurd. Op 10 februari 2000 volgde de betekening met bevel tot betaling.

Met een verzoekschrift van 16 maart 2000 stelt eiser zijn huidige vordering in.

2 De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiser vordert dat de rechtbank het dwangbevel van 16 november 1999 nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond, zou verklaren en zou zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben.

Aldus vordert eiser dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van alle door verweerder ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire interest.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat het verzet van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als onontvankelijk en ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1 De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder besluit wel tot de onontvankelijkheid van het verzet (de vordering) maar voert geen redenen aan die tot die onontvankelijkheid kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2 De grond van de vordering

2.1 Stelling van eiser

Eiser benadrukt vooreerst dat het proces-verbaal waarop het dwangbevel gebaseerd is, slechts bijzondere bewijskracht heeft voorzover het gaat om de vaststellingen en ambtsverrichtingen die door de ambtenaar-verbalisant zelf gedaan zijn, met uitzondering van zijn conclusies. Aldus stelt eiser dat, uit het proces-verbaal blijkt dat eiser over facturen beschikt en dat het aan verweerder toekomt om te weerleggen dat er geen recht op aftrek zou bestaan voor de BTW die op deze facturen vermeld staat.

Bovendien beroept eiser zich op artikel 25, 1 ste lid Wb. Koophandel, op grond waarvan de aanvaarding van de factuur een vermoeden van verkoop (en dus van werkelijke levering) doet ontstaan.

Eiser ontkent dat er sprake zou zijn van fictieve leveringen en beroept zich daartoe op de volgende uitleg:

- De verven waren nodig om herstellingen te kunnen uitvoeren aan gevels en andere private eigendommen die bij het uitbreken van oude kabels en het leggen van nieuwe kabels beschadigd werden. Bovendien zouden ook, om de betrokken bewoners gunstig te stemmen, regelmatig potten verf zijn overhandigd. Dat de verf voor de beschadigingen buiten moet worden aangebracht, terwijl vrijwel uitsluitend binnenverf werd gekocht, was volgens eiser minder belangrijk omdat het er slechts op aankwam om de bewoners (en omwonenden) gunstig te stemmen.

- De verven dienden ook om beschadigde wegmarkeringen te herstellen. Ook hier was volgens eiser minder belangrijk dat de verf geen speciale verf was.

- De tasso gebruikte hij om vlug herstellingen van voetpaden uit te voeren, zodat er onmiddellijk weer kon op gelopen worden. In conclusies stelt eiser letterlijk: «Een pas geplaatste tegel gaat immers aan de ene hoek naar boven hellen als er op de andere hoek wordt getrapt. De oplossing voor dit probleem was het plaatsen van stroken tasso onder de tegels. De omliggende tegels die door middel van de tasso en mortel waren verbonden, zorgden voor voldoende tegendruk zodat de tegels niet loskwamen.»

Diezelfde elementen haalt eiser aan om aan te tonen dat hij wel degelijk beroepsmatig gebruikmaakte van de gefactureerde goederen.

Eiser stelt dat het feit dat de bestelbonnen door de NV W. werden opgesteld, maar de facturen op naam van de BVBA R. kwamen, slechts het gevolg is van het feit dat de NV W. slechts een tussenpersoon was en dat op die manier overbodig papierwerk werd vermeden.

Volgens eiser valt er niets af te leiden uit het feit dat hij geen inventaris bijhield. De situatie zou volgens eiser anders geweest zijn, indien hij een inventaris bijhield maar de gefactureerde verven en tasso er niet in zouden zijn ingeschreven.

Eiser benadrukt ook dat het onwaarschijnlijk is dat er sprake is van fictieve facturen vermits er ook een kredietnota werd opgesteld voor een bepaalde factuur. Volgens eiser zou dat geen steek houden wanneer er geen werkelijke leveringen zouden zijn. Evenmin is het volgens eiser niet te verklaren dat in dat geval «bezwarende bestelbonnen» werden bijgehouden door de leverancier.

Bovendien beroept eiser zich op het neutraliteitsbeginsel van de BTW. Volgens eiser kan, zelfs wanneer zou aangenomen worden dat de facturen fictief zijn, geen afbreuk worden gedaan aan de ratio legis dat de BTW slechts moet gedragen worden door de eindgebruiker. In alle voorafgaande fases is de aftrek van BTW essentieel om de neutraliteit van het BTW-stelsel te garanderen. Wanneer de administratie de betaling van de BTW door de BVBA R. accepteert, dan moet ze volgens eiser aan hem de aftrek toestaan, louter en alleen op basis van het feit dat er BTW gefactureerd werd. Het fictief karakter van de factuur doet daaraan niets af volgens eiser.

Ten slotte beroept eiser zich op de Wet van 29 juli 1991 op de motivering van bestuurshandelingen. Eiser voert aan dat verweerder in de loop van de procedure zijn motivering voor het verschuldigd zijn van de belastingen verandert. Volgens eiser kan het niet dat verweerder voor het eerst inroept dat de BTW en de boete verschuldigd zijn omdat de factuurstroom de goederenstroom niet respecteert. Volgens eiser had verweerder dat ook in zijn dwangbevel (of het onderliggend) proces-verbaal moeten aanvoeren.

Subsidiair stelt eiser dat een boete van 200% pas kan worden opgelegd in geval van fraude en dat er in zijn hoofde geen sprake is van fraude, minstens dat daarvan het bewijs niet is geleverd.

Minstens meent hij dat de boete overdreven is en niet opportuun, gelet vooral op het penaal karakter ervan.

Hij betwist ook de berekening die verweerder in conclusies doet om de omvang van de boete te verantwoorden.

2.2 Stelling van verweerder

Verweerder stelt dat het niet volstaat om een factuur voor te leggen om het recht van aftrek te kunnen genieten en de bewijslast op hem te leggen.

Volgens verweerder komt het hoe dan ook aan eiser toe om aan te tonen enerzijds dat er daadwerkelijk geleverd werd wat op de facturen staat en anderzijds dat, mochten de leveringen bewezen zijn, de betreffende goederen of diensten gebruikt werden voor belastbare handelingen.

Verweerder voert aan dat eiser, gelet op de feiten, niet het nodige bewijs levert. Hij stelt onder andere de vraag hoe het verklaarbaar is dat eiser zoveel verf koopt zonder over bijhorende producten (zoals borstels) te beschikken. Hij merkt op dat eiser zijn verklaring voor het gebruik van tasso wijzigt. Volgens verweerder is ook de laatste versie (in conclusie) niet geloofwaardig.

Aldus levert eiser volgens verweerder niet het nodige bewijs, terwijl de vaststellingen waarop verweerder zich beroept in een proces-verbaal staan en geacht worden overeen te stemmen met de werkelijkheid tot het tegenbewijs geleverd is.

Subsidiair beroept verweerder zich erop dat de facturenstroom de goederenstroom niet volgt. Verweerder wijst er op dat volgens artikel 5 van KB nr. 1 de factuur de identificatiegegevens van de leverancier moet bevatten, terwijl de leverancier van eiser de NV W. was en eiser alleen facturen op naam van de BVBA R. voorlegt. Vermits de aftrek van BTW slechts kan worden toegestaan op grond van facturen die voldoen aan de wettelijke bepalingen, terwijl dat hier volgens verweerder niet het geval is, zou eiser geen recht van aftrek van BTW hebben.

Verweerder aanvaardt dat de rechtbanken met volle rechtsmacht over de opportuniteit van een administratieve boete kunnen oordelen. Dat betekent volgens verweerder dat de beoordelingsmacht van de rechter nochtans niet verder mag reiken dan de macht van de administratie.

In dat verband benadrukt verweerder dat er sprake is van fraude en dat het de rechtbanken niet toegelaten is om, op grond van loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige te bevrijden van verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd.

Vervolgens maakt verweerder een berekening aan de hand waarvan hij onderstreept dat de boete een schadevergoeding is. Meer bepaald stelt verweerder dat het systeem dat aan de grondslag ligt van het betrokken geval, bedoeld is om enerzijds aan niet-schilders supplementaire aftrek van kosten en BTW te creëren en anderzijds aan schilders verven en dergelijke in het zwart te leveren, zodat die schilders ook kunnen werken uitvoeren in het zwart. Op die manier berekent verweerder dat de schade voor de BTW-administratie zelfs 918.000 frank (22.756,63 euro) bedraagt.

2.3 Beoordeling

2.3.1 Wat de BTW betreft

Uit de vaststellingen die de BTW-controleur gedaan heeft en vermeld heeft in het proces-verbaal van 12 november 1999, samen met de voorgelegde stukken 19, 20 en 21 van verweerder (zie het feitenrelaas), blijkt dat de NV W. de leverancier was van eiser.

Dat de NV W. slechts een tussenpersoon zou geweest zijn, wordt tegengesproken door het feit dat de bestelbonnen bij de BVBA R. opgemaakt werden op naam van de NV W. en dat de betaling, hoewel de factuur zogezegd (evenals de levering) bedoeld was voor eiser, gebeurde door de NV W., of zelfs (zie stuk 21 dossier verweerder) door de bestuurder van de NV W. met een cheque van zijn persoonlijke zichtrekening. In een echt geval van makelaardij, zou vooreerst een bestelbon worden opgemaakt op naam van de afnemer; dat zou in de versie van eiser, hemzelf moeten geweest zijn; minstens zou het onlogisch zijn dat de makelaar de factuur (het was precies dezelfde prijs) betaalt.

De BTW-controleur heeft deze werkwijze in het algemeen vastgesteld bij een controle van de boekhouding van de BVBA R., de NV W. en eiser en weergegeven in zijn proces-verbaal. Wat dat betreft, heeft het proces-verbaal bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel.

De facturen waarop eiser zich beroept om de BTW af te trekken, zijn evenwel niet afkomstig van zijn leverancier, de NV W., maar van de BVBA R.

Krachtens artikel 53, 2 was het nochtans aan de NV W. om een factuur uit te reiken. Die facturen van de BVBA R. beantwoorden meteen niet aan de vereisten van artikel 5 van het KB nr. 1 waarin verplicht wordt gesteld om de identificatiegegevens van de medecontractant te vermelden. De medecontractant van de BVBA R. was de NV W. en niet eiser.

Eiser kan aan de hand van deze onregelmatige facturen geen recht van aftrek doen.

Overigens is de rechtbank, afgezien van de vraag of de betreffende facturen aan werkelijke leveringen beantwoorden, van oordeel dat eiser niet bewijst dat hij de betreffende producten zou gebruikt hebben voor zijn belaste handelingen. Ook dat is immers een vereiste om voor het recht op aftrek in aanmerking te komen (artikel 45 § 1, 1 WBTW).

Het is wel degelijk aan eiser om zijn beroepshalve aanwending aan te tonen. Verweerder weerlegt op afdoende wijze de beweringen die eiser daartoe doet.

De rechtbank houdt daartoe in eerste instantie rekening met de grote hoeveelheid verf die eiser in de betrokken periode gekocht heeft en het feit dat eiser geen schildersbedrijf heeft.

De verklaringen die eiser gaf tijdens de controle en naderhand tijdens deze procedure, om de aankoop en gebruik van de verf te verantwoorden, kunnen de rechtbank niet overtuigen. Verweerder wijst er terecht op dat het onwaarschijnlijk is dat eiser herstellingen aan gevels en andere beschadigde eigendommen zou uitgevoerd hebben met binnenverf (waaronder plafondverf). Waar eiser benadrukt dat het de bedoeling was om de bewoners en de omwonenden gunstig te stemmen, kan bezwaarlijk worden aangenomen dat hij dat effect zal bereikt hebben wanneer een niet geschikt product wordt gebruikt.

Hoewel verweerder ook betwist dat eiser verf aan omwonenden zou gegeven hebben om dezen gunstig te stemmen, wordt dat door eiser niet bewezen en wordt zelfs geen bewijsaanbod gedaan; hoewel het toch denkbaar is dat eiser zich minstens enkele van de plaatsen waar dat zou gebeurd zijn, kan herinneren, legt hij bijvoorbeeld geen verklaringen voor of biedt hij evenmin een getuigenbewijs aan. De rechtbank kan bezwaarlijk gevolg geven aan een loutere bewering in dat verband.

Ook herstel van beschadigde wegmarkeringen door middel van gewone verf (zelfs meestal voor binnen) is weinig waarschijnlijk.

Bovendien (en vooral) merkt verweerder terecht op dat eiser kennelijk geen enkele borstel of enig ander uitstrijkmiddel kocht. Eiser geeft op die bemerking geen antwoord.

Verweerder merkt terecht op dat eiser zijn uitleg over het gebruik van de tasso zonder nadere verklaring gewijzigd heeft. Tasso is een duurzaam behang gemaakt uit kunststof en bedoeld om geschilderd te worden. In verhouding tot gewoon behangpapier is het gemiddeld duurder. Geconfronteerd met de vaststelling, beschreven in het proces-verbaal van 12 november 1999 dat men bij Electrabel niet op de hoogte was van het gebruik van tasso om de kabels te verstevigen - zoals eiser eerst had verklaard - gooit eiser het over een andere boeg: hij roept in dat tasso gebruikt werd om onder de tegels te leggen en op die manier tot een snel herstelling van voetpaden over te gaan. De rechtbank maakt vooreerst de bedenking dat het vastliggen van tegels in hoofdzaak bepaald wordt door de effenheid van de ondergrond en de zuig- en lijmkracht van de mortel. Zelfs op een oneffen ondergrond kan met tasso niet vermeden worden dat de tegels opdrukken wanneer op één van hun hoeken wordt getrapt. Bovendien moet, om de tegels vast te leggen, toch altijd een cement worden gelegd om de tegels vast te kleven. Overigens, wanneer de tegels op een tassolaag worden gelegd, dan staan ze allemaal met elkaar in verbinding: wanneer één van de tegels los ligt, dan kunnen op die manier alle verbonden tegels vrij snel los komen te liggen. Laat tasso trouwens voldoende water door? Wat in het geval - wat in Vlaanderen toch vaker gebeurt - enige tijd later op dezelfde plaats om welke reden ook een andere aannemer een put moet maken? Zelfs wanneer hij slechts een paar vierkante meter moet openmaken, riskeert hij alle op dezelfde tasso gelegde tegels uit te breken en te moeten terugleggen.

De uitleg van eiser is in dat verband niet ernstig. De rechtbank stelt in eik geval vast dat eiser geen zinnige uitleg verschaft voor een beroepshalve gebruik van tasso.

Eiser bewijst derhalve niet dat hij de beweerde leveringen voor zijn belaste handelingen zou gebruikt hebben. Bovenstaande vaststellingen zijn met elkaar overeenstemmende vermoedens van het tegendeel.

Deze vaststellingen volstaan om eiser het recht op aftrek van de BTW die op de betreffende facturen vermeld werd, te ontzeggen.

Er kan in die omstandigheden overigens geen sprake zijn van een schending van het neutraliteitsprincipe. Zelfs wanneer de goederen werkelijk aan eiser zouden geleverd zijn, dan moet eiser immers voor die goederen geacht worden de eindgebruiker te zijn.

Voor wat de BTW aangaat, is de vordering van eiser dus ongegrond.

2.3.2 Wat de boete betreft

Verweerder erkent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om de opportuniteit van de administratieve geldboete te beoordelen.

In de omstandigheden van het dossier acht de rechtbank het gepast om een belangrijke boete te bepalen.

Afgezien van de eerder gemaakte vaststelling dat eiser de producten die op de betreffende facturen vermeld staan, niet voor zijn belaste handelingen kan gebruikt hebben, is de rechtbank van oordeel dat de facturatie - minstens voor het grootste deel - niet beantwoordt aan een werkelijke goederenstroom.

Het is immers onwaarschijnlijk dat eiser al de gefactureerde producten voor eigen privé-doeleinden zou hebben kunnen gebruiken, dit vooral gelet op de grote omvang.

Zelfs zonder met zekerheid vast te stellen dat er geen werkelijke goederenlevering gebeurd is aan eiser, is de rechtbank van oordeel dat het inbrengen van dergelijke grote facturen voor producten die niet beroepshalve verantwoord zijn, in de omstandigheden van deze zaak bewust (met opzet) gedaan werd met het oogmerk om de belangen van de Schatkist te schaden en eigen voordeel uit de boeking te halen (zie art. 73 WBTW en 449 WIB 92). Hoewel de producten geen beroepskarakter hebben, heeft eiser, tegen beter weten in, het tegendeel voorgehouden en aldus wettelijk verschuldigde belastingen ontlopen.

Om een redelijke houding tussen de veroorzaakte, te aanvaarden schade en de ernst van de inbreuk te respecteren is een boete van 10.000 euro gepast.

Op dat punt is de vordering van eiser dus gedeeltelijk gegrond.

3 De gerechtskosten

Eiser wordt voor het grote deel in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

4 Uitvoerbaarheid bij voorraad

De vraag van eiser om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan, heeft betrekking op de terugbetaling van het ongegrond gedeelte van de boete.

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger.Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiser laat na te bewijzen dat hij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de hem toekomende schuld zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en verklaart ze gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt voor recht dat het dwangbevel van 16 november 1999 dat tegen eiser werd uitgevaardigd ongegrond is en zonder gevolg moet blijven voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag van tienduizend euro (10.000 euro) overtreft.

De rechtbank beveelt de teruggave van het ongegrond bevonden deel van de administratieve boete, vermeerderd met de moratoriuminterest overeenkomstig de wet.

De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

aan de zijde van verweerder

rechtsplegingsvergoeding 327,22 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hemzelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden ingesteld en zonder dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op twaalf februari tweeduizend en twee.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

4
KB nr. 1 art. 52 voorkomens
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 731 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8