Arrest van het Hof van 14 oktober 1992, C-262/91 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-262/91 ECLI:EU:C:1992:391 14 oktober 1992

Zoeken

Arrest van het Hof van 14 oktober 1992, C-262/91EEG-Verdrag art. 171 en art. 169

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-262-91-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-262/91
ECLI
ECLI:EU:C:1992:391
Datum
14 oktober 1992

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
11 oktober 1991
Advocaat-generaal
Lenz conclusie van 1 juli 1992

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1992, blz. I-5269
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Moitinho de Almeida
Repertorium van het Hof

Tekst

13 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 oktober 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van de arresten van het Hof van 24 november 1987 (zaak 124/86 en zaak 125/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 4661, respectievelijk 4669), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

In deze arresten heeft het Hof verklaard, dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijnen de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van respectievelijk richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, en richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

3.

Daar de Commissie geen mededeling ontving over de maatregelen die de Italiaanse Republiek moest nemen om uitvoering te geven aan de twee voormelde arresten, heeft zij de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid en ten slotte het onderhavige niet-nakomingsberoep ingesteld.

4.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

5.

De Commissie betoogt, dat het feit dat de Italiaanse Republiek nog niet de nodige bepalingen heeft vastgesteld teneinde haar nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de twee bovengenoemde arresten van 24 november 1987, niet-nakoming oplevert van de verplichting van artikel 171 EEG-Verdrag, de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van een arrest.

6.

De Italiaanse Republiek beperkt zich tot de mededeling, dat de ter uitvoering van de twee arresten van het Hof noodzakelijke regeling binnenkort door de Kamer van afgevaardigden zal worden goedgekeurd.

7.

Dienaangaande moet worden beklemtoond dat, ook al bepaalt artikel 171 niet binnen welke termijn aan een arrest uitvoering moet worden gegeven, het belang van een onmiddellijke en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht vereist, dat met die uitvoering onmiddellijk een begin wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid (zie het arrest van 13 juli 1988, zaak 169/87, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 4093, r. o. 14).

8.

Derhalve moet de niet-nakoming conform de vordering van de Commissie worden vastgesteld.

Kosten

9.

Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

rechtdoende, verstaat:

1) Door niet de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van 24 november 1987 (zaak 124/86, Commissie/Italië), waarin het Hof heeft verklaard: „Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen”, en het arrest van 24 november 1987 (zaak 125/86, Commissie/Italië), waarin het Hof heeft verklaard: „Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/18 l/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen”, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
EEG-Verdrag art. 1713 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1692 voorkomens

Rechtsleer

1
Simon, Denys: Chronique de jurisprudence du Tribunal et de la Cour de justice des Communautés européennes. Institutions et ordre juridique communautaire, Journal du droit international 1993 p.393-395