Arrest van het Hof van 24 november 1987, 124/86 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 124/86 ECLI:EU:C:1987:505 24 november 1987

Zoeken

Arrest van het Hof van 24 november 1987, 124/86Niet-omzetting in nationaal recht van richtlijn 83/183/EEG van de Raad, belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-124-86-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
124/86
ECLI
ECLI:EU:C:1987:505
Datum
24 november 1987

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
26 mei 1986
Advocaat-generaal
Lenz conclusie van 1 april 1987

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1987, blz. 4661
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Moitinho de Almeida
Repertorium van het Hof

Tekst

12 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 26 mei 1986, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren (PB 1983, L 105, biz. 64), de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

Artikel 12, lid 1, van richtlijn 83/183/EEG bepaalt, dat de Lid-Staten uiterlijk op 1 januari 1984 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden. Ingevolge lid 2 van dat artikel zijn zij verplicht de Commissie de tekst mee te delen van alle belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het door de richtlijn bestreken gebied vaststellen.

3.

Daar de Commissie van de Italiaanse regering geen enkele mededeling had ontvangen betreffende maatregelen tot omzetting van de betrokken richtlijn, heeft zij haar bij brief van 21 december 1984 in gebreke gesteld en uitgenodigd haar opmerkingen te maken. Na op 18 juli 1985 een met redenen omkleed advies te hebben uitgebracht en te zijn ingegaan op drie verzoeken van de Italiaanse regering om verlenging van de termijn voor het opvolgen van dit advies, ten einde haar in de gelegenheid te stellen een wetsontwerp betreffende de richtlijn te laten goedkeuren, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

4.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

5.

De Italiaanse regering geeft toe dat zij haar verplichtingen nog niet is nagekomen. Ter terechtzitting heeft zij verklaard, dat het wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht bij het Parlement in behandeling is en dat hierover reeds een gunstig advies is uitgebracht door de begrotingscommissie. De wetgevingsprocedure wordt voortgezet, maar politieke moeilijkheden zouden hebben belet dat zij vóór de terechtzitting tot een goed einde werd gebracht.

6.

Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een Lid-Staat zich niet ten exceptieve kan beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van in de richtlijnen besloten liggende verplichtingen en termijnen.

7.

Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/183/EEG vande Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

8.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende, verklaart:

1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren, is de Italiaanse Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

2
EEG-Verdrag art. 1691 voorkomen
richtlijn 83/183 art. 121 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Hof van JustitieC-262/9114.10.1992

EEG-Verdrag art. 171 en art. 169

Bekijk het document