Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 1 april 1987, 124/86 en 125/86 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 124/86, 125/86 ECLI:EU:C:1987:176 1 april 1987

Zoeken

Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 1 april 1987, 124/86 en 125/86Richtlijn 83/181 art. 93, richtlijn 83/183 art. 12

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-124-86-conclusie

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Zaken
124/86, 125/86
ECLI
ECLI:EU:C:1987:176
Datum
1 april 1987

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming
Arresten

24 november 1987

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1987, blz. 4661

Tekst

10 paragrafen

Conclusie van advocaat-generaal

C. O. Lenz

van 1 april 1987

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1.

Mijn conclusie in de twee niet-nakomingszaken waarmee het Hof zich zojuist heeft beziggehouden, kan zeer kort zijn.

2.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen, verzoekster, vraagt het Hof in wezen, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, verweerster, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen voor het volgen van richtlijnen 83/181/EEG en 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 19831, de krachtens het EEGVerdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.

3.

Verweerster heeft de haar telastgelegde inbreuken niet ontkend en evenmin uitdrukkelijke conclusies geformuleerd. Zij heeft enkel opgemerkt, dat sommige bepalingen van de richtlijnen, zij het met andere modaliteiten en termijnen, reeds in het Italiaanse recht van toepassing zijn. Verder heeft zij gewezen op de — tot op heden vergeefse — pogingen om de richtlijnen nog vóór de mondelinge behandeling in nationaal recht om te zetten.

4.

Ingevolge artikel 93 van richtlijn 83/181/EEG en artikel 12 van richtlijn 83/183/EEG waren de Lid-Staten verplicht uiterlijk op 1 juli 1984, respectievelijk 1 januari 1984, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om aan deze richtlijnen te voldoen. Vaststaat, dat verweerster deze verplichting niet is nagekomen.

5.

Mitsdien geef ik het Hof in overweging beide verzoeken toe te wijzen en verweerster te veroordelen in de kosten van de procedure.

Voetnoten

  • *1Vertaald uit het Duits.
  • 1Richtlijn 83/181/EEG vin de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, hd 1, sub d, van nchdijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen (PB 1983, L 105, biz. 38); richdijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren (PB 1983, L 105, biz. 64).

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

2
richtlijn 83/181 art. 931 voorkomen
richtlijn 83/183 art. 121 voorkomen