BTW-Revue nr. 138, blz. 819
Vr. en Antw., Kamer, nr. 96, 1996-1997, blz. 13047-13048
BTW. - Herziening. - Onttrekking.
VRAAG
Krachtens artikel 10, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 tot uitvoering van het BTW-wetboek moet de aftrek die door de belastingplichtige werd verricht voor bedrijfsmiddelen, worden herzien wanneer het bedrijfsmiddel door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor privé-doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen. Die bepaling geldt evenwel niet wanneer het hele privé-gebruik aanleiding geeft tot een belastbare levering in de zin van artikel 12, § 1, 1° of 2°, van het BTW-wetboek.
Wanneer dient in bovengenoemde gevallen te worden overgegaan tot regularisatie of belastingheffing?
ANTWOORD
Op grond van artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het BTW-wetboek is aan de belasting onderworpen, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een roerend goed voor zijn privé- doeleinden of voor de privé-doeleinden van zijn personeel en, meer algemeen, voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.
Overigens onderwerpt artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het genoemd wetboek eveneens aan de belasting, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan; de onttrekkingen verricht voor het verstrekken van handelsmonsters of handelsgeschenken van geringe waarde worden evenwel niet bedoeld; deze waarde wordt bepaald door of vanwege de minister van Financiën.
Uit de samenvoeging van bovengenoemde bepalingen alsmede de regels opgenomen in artikel 10, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 dat door het geacht lid wordt aangehaald in zijn vraag, volgt dat van het principe van de herziening van aftrek slechts moet worden afgeweken wanneer aan de dubbele voorwaarde wordt voldaan dat het bedrijfsmiddel definitief voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit wordt aangewend en het uit het economisch patrimonium van de belastingplichtige verdwijnt.
Samengevat moet er derhalve worden overgegaan tot een onttrekking wanneer de twee voornoemde voorwaarden zijn vervuld en tot een herziening wanneer deze niet zijn vervuld.