Verkoop bedrijfsmiddel · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

939 16 juni 1997

Zoeken

Verkoop bedrijfsmiddelBTW. Verkoop bedrijfsmiddel.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/939-verkoop-bedrijfsmiddel-fournaux-0116

Nummer
939
Datum
16 juni 1997

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, nr. 96, 1996-1997, blz. 13033-13035

BTW-Revue nr. 131, blz. 1152

BTW. - Verkoop bedrijfsmiddel.

VRAAG

1. Een BTW-plichtige verkoopt, met toepassing van de BTW, kapitaalgoederen waarvoor hij bij aankoop de BTW gedeeltelijk mocht aftrekken omdat hij die goederen gedeeltelijk voor belastbare activiteiten aanwendde. Wordt in dat geval de totale verkoopprijs in de maatstaf van heffing voor de BTW opgenomen?

2. Wat is de maatstaf van heffing voor de BTW bij wederverkoop wanneer die BTW-plichtige die goederen volledig voor vrijgestelde activiteiten heeft aangewend?

3. Gelden gelijkaardige regels voor auto's die voorheen voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteit werden aangewend?

ANTWOORD

1. In de regel is elke levering van goederen aan de BTW onderworpen wanneer deze wordt verricht door een belastingplichtige met geheel of gedeeltelijk recht op aftrek in de uitoefening van zijn economische activiteit, dit wil zeggen wanneer deze handelt in het kader van een geregelde werkzaamheid waardoor hij de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt.

Wanneer hij derhalve een bedrijfsmiddel verkoopt, en zelfs indien de BTW met betrekking tot dit goed slechts gedeeltelijk in aftrek werd gebracht, is het zonder enig mogelijke afwijking de totale verkoopprijs die overeenkomstig artikel 26 van het BTW-wetboek als maatstaf van heffing geldt.

Niettemin voorziet artikel 10, 3°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW, in een herziening in het voordeel van de belastingplichtige wanneer een bedrijfsmiddel het voorwerp uitmaakt van een levering onderworpen aan de belasting, in de mate waarin de aftrek van de belasting geheven van dat goed een beperking heeft ondergaan.

Deze herziening is evenwel slechts mogelijk indien de verkoop plaatsvindt gedurende het herzieningstijdvak (in principe vijf jaar voor lichamelijk roerende goederen), en alleen tot beloop van de nog te lopen jaren. Bovendien wordt het bedrag van de belasting dat ingevolge de herziening in aftrek mag worden gebracht, beperkt tot het bedrag dat wordt verkregen door de maatstaf van heffing voor de levering te vermenigvuldigen met het tarief waartegen de belasting, waarvan de aftrek wordt herzien, werd berekend. Tenslotte kan de herziening niet worden verricht in de mate waarin het recht op aftrek oorspronkelijk werd beperkt ingevolge artikel 45, § 2, van het BTWwetboek krachtens hetwelk de aftrek in de regel niet meer mag bedragen dan 50 % van de belasting geheven van de kosten met betrekking tot autovoertuigen.

2. Overeenkomstig artikel 44, § 2, 13°, in limine, van het BTW- wetboek zijn van de belasting vrijgesteld de leveringen van goederen die uitsluitend ten behoeve van een op grond van dit artikel vrijgestelde activiteit werden aangewend als voor deze goederen geen recht op aftrek is genoten.

3. Wanneer een belastingplichtige voor, andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit definitief een autovoertuig dat voorheen als bedrijfsmiddel werd gebruikt, onttrekt, wordt deze handeling krachtens artikel 12, § 1, 1°, van het BTW-wetboek gelijkgesteld met een belastbare levering voor zover voor dit voertuig recht op aftrek, zelfs gedeeltelijk, is ontstaan.

De BTW is dan verschuldigd over een maatstaf van heffing die overeenkomstig artikel 33, 1°, van hetzelfde wetboek, gelijk is aan de aankoopprijs van het voertuig of soortgelijk voertuig, dat wil zeggen de prijs die op het tijdstip van de onttrekking normaal moet worden betaald om dat goed aan te kopen in de staat waarin het zich op datzelfde tijdstip bevindt.

Het is immers ondenkbaar dat voor bedrijfsmiddelen die worden onttrokken na een min of meer langdurig gebruik in de onderneming, als maatstaf van heffing de oorspronkelijke aankoopprijs in aanmerking wordt genomen. Billijkheidshalve moet rekening worden gehouden met de normale aankoopprijs van de goederen volgens hun ouderdom en de staat van gebruik waarin ze zich bevinden op het tijdstip dat ze worden onttrokken, een en ander vastgesteld onder controle van de administratie.

Bovendien is er beslist dat, voor de onttrekking van een personenauto voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit, de verschuldigde belasting wordt berekend over voornoemde waarde waarop een vermindering wordt toegepast die gelijk is aan de principiële beperking (plafond van 50 %) die geldt voor de aftrek van de belasting geheven van de verkrijging van dat voertuig (artikel 45, § 2, van het BTW-wetboek).

Dat komt er op neer dat de BTW berekend over de vastgestelde waarde van het voertuig wordt vermenigvuldigd met de breuk 21 - B/21 waarin B het gedeelte van het BTW-percentage is dat bij de levering niet aftrekbaar was ingevolge de principiële beperking, hetzij 50 % van 21 %.

De toepassing van die vermindering veronderstelt vanzelfsprekend dat het voertuig valt onder de beperking van het recht op aftrek van artikel 45, § 2, van het BTW-wetboek.

Tenslotte kan de herziening bedoeld in artikel 10, 3°, van 10 december 1969, het koninklijk besluit nr. 3, bovengenoemd, eveneens verricht worden in de mate waarin de oorspronkelijke beperking van het recht op aftrek meer bedraagt dan de beperking tot 50 % beoogd in artikel 45, § 2, van het BTW-wetboek.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 454 voorkomens
KB nr. 3 art. 101 voorkomen
WBTW art. 121 voorkomen
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 331 voorkomen