Nieuwbouw. Controleschatting. Maatstaf van heffing · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

856 27 juni 2005

Zoeken

Nieuwbouw. Controleschatting. Maatstaf van heffing

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/856-nieuwbouw-controleschatting-maatstaf-heffing-lahaye-1add

Nummer
856
Datum
27 juni 2005

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

25 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 086, blz. 15006-15009

Nieuwbouw - Controleschatting - Maatstaf van heffing

VRAAG

Bij het bouwen van een nieuwe woning hoort een BTW-heffing van 21 %. De eigenaar moet uiterlijk binnen drie maanden vanaf de datum van de betekening van het kadastrale inkomen, bij de ambtenaar aangewezen door de minister van Financiën een aangifte indienen die een omstandige opgave bevat van de voor het bouwen ontvangen facturen waarop de belasting over de toegevoegde waarde in rekening werd gebracht.

Ik ken concrete gevallen waar de correctieopgave van een nieuwbouw respectievelijk 2 000 en 11 000 euro bedroeg. Na een plaatsbezoek werd de te betalen BTW op respectievelijk 2 244 en 17 000 euro gebracht.

Een grote oorzaak hiervan is te zoeken bij het feit dat de BTW gebruik maakt van nationale gemiddelden in plaats van de gemiddelden van de streek. In de Westhoek en andere streken in Vlaanderen zijn de uurlonen van de aannemers ongeveer 25 euro/uur, terwijl in grotere steden en andere streken deze uurlonen kunnen oplopen tot ongeveer 35 euro/uur.

Volgens sommige boekhouders zijn de nationale gemiddelden die de BTW-controles hanteren in strijd met het Europees recht. Naar aanleiding van een eerder artikel in "Fiscaliana" zou de schatting moeten gebeuren rekening houdend met de aangekochte materialen en de normale uurlonen in de streek, aldus de toenmalige minister van Financiën.

1.

a) Kunt u beamen dat de BTW bij controles gebruik maakt van nationale gemiddelden in plaats van de gemiddelden van de streek?

b) Van welke gemiddelden zou de BTW-controleur gebruik moeten maken?

c) Is dit niet in strijd met het Europees recht?

2. Ware het niet wenselijk dat de administratie van de BTW een duidelijk standpunt inneemt in de normale oprichtingsprijs van een nieuwbouw, waardoor veel discussies vermeden zouden worden?

3. Bent u bereid hiertoe de nodige maatregelen te nemen?

ANTWOORD

(minister van Financiën, 08.07.2005)

Overeenkomstig artikel 11, A, 1, a) van de Zesde BTW-Richtlijn is voor de leveringen van goederen en diensten de normale heffingsgrondslag alles wat de leverancier of de dienstverrichter voor die handelingen verkrijgt of moet verkrijgen.

Krachtens artikel 27, lid 5, van dezelfde richtlijn mochten de lidstaten die op 1 januari 1977 afwijkende bepalingen toepasten teneinde bepaalde vormen van belastingfraude- of ontwijking te voorkomen, die maatregelen handhaven op voorwaarde dat zij de Commissie daarvan vóó r 1 januari 1978 in kennis stelden.

Wat de in België toegepaste bijzondere afwijkende bepalingen betreft - inzonderheid deze betreffende de minimum maatstaf van heffing voor pas opgerichte gebouwen - gebeurde die kennisgeving op 23 december 1977.

Alzo mag, met toepassing van artikel 36, § 1, b) van het BTW-Wetboek, de maatstaf van heffing voor diensten betreffende werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde. Dit is de prijs die kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen een aannemer en een bouwheer die van elkaar onafhankelijk zijn.

Met het oog op de controle van die normale bouwwaarde (zie artikel 36 en 64, § 4, WBTW-) heeft de administratie ten behoeve van haar ambtenaren eenvormige richtlijnen uitgewerkt.

Die richtlijnen houden rekening met de in de bouwsector algemeen geldende prijzen, met de geplaatste of verwerkte materialen en met de aard van het gebouw.

Met betrekking tot woningen opgericht met courante bouwmaterialen werden geen noemenswaardige verschillen vastgesteld in de aannemingsprijzen toegepast in alle streken van het land, zodat voor de controle van de maatstaf van heffing van werk in onroerende staat inzake de oprichting van dergelijke woningen dezelfde normale waarden in het geheel van net land kunnen worden toegepast. Die vaststelling kan onder meer worden verklaard door het feit dat de werkzaamheid van aannemers niet beperkt is tot één streek. Bovendien geven de BTW-ambtenaren blijk van een zeer grote gematigdheid bij het vaststellen van de normale oprichtingsprijs.

Indien de bouwheer het evenwel niet eens is met de schatting van de administratie, heeft hij het recht zijn bezwaren te laten kennen. Overigens wordt niet zelden de oorspronkelijk vastgestelde vordering verminderd of prijsgegeven nadat de administratie in kennis werd gesteld van gegevens die niet blijken uit de ingediende stukken.

De bouwheer moet zich overigens niet neerleggen bij de vordering van de administratie en kan het resultaat afwachten van de schattingsprocedure bedoeld in artikel 59, § 2, van het BTW-Wetboek. In dat geval wordt de door de deskundige vastgestelde normale waarde vergeleken met het totaal van de aannemingsfacturen.

In die omstandigheden mag worden gesteld dat de reglementering betreffende de normale bouwwaarde noch op een algemene noch op een absolute wijze van de normale heffingsgrondslag afwijkt maar bepaalde gevallen van fiscale fraude corrigeert en, essentieel, die fraude voorkomt.

Ten slotte, indien het geachte lid concrete gevallen mocht beogen, ben ik steeds bereid die te laten onderzoeken, wanneer ze mij de identiteit van de betrokken personen meedeelt.

Aangehaalde teksten

6