De btw-teruggaaf aan niet-EU'ers · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

758 55 10 december 2021

Zoeken

De btw-teruggaaf aan niet-EU'ers

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/758-btw-teruggaaf-eu-ers-082a

Nummer
758
Zittingsperiode
55
Datum
10 december 2021

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

22 paragrafen

Schriftelijke vraag en antwoord nr : 758 - Zittingsperiode : 55

Auteur : Steven Matheï, CD&V (07193)

Departement : Vice-eersteminister en Minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding

Titel : De btw-teruggaaf aan niet-EU'ers.

Datum indiening : 10/12/2021

Vraag

Voor btw-plichtigen die niet in de EU gevestigd zijn, wordt het principe van het recht op teruggaaf van de voorbelasting bevestigd in de btw-richtlijn (artikels 170-171). De richtlijn heeft de verdere invulling daarvan overgelaten aan de lidstaten. De Belgische wetgever heeft het dan weer aan de Koning overgelaten om de voorwaarden en modaliteiten verder uit te werken. Dat is gebeurd via koninklijk besluit nr. 4.

Met zes arresten van 3 december 2019 heeft het hof van beroep van Brussel echter de termijn in koninklijk besluit nr. 4 in strijd verklaart met de wettelijke verjaringstermijn van drie jaar op basis van artikel 82bis WBTW omwille van de hiërarchie der normen.

In uw antwoord op mondelinge vraag nr. 3700C betreffende de btw-teruggaaf aan niet-EU'ers gaf u aan dat uw administratie het niet eens is met de zienswijze van het hof van beroep. De administratie is van mening dat een vervaltermijn voor de indiening van een aanvraag tot teruggaaf wel degelijk bij koninklijk besluit wordt bepaald. In uw antwoord van 24 november 2020 op schriftelijke vraag nr. 35 van 4 november 2020 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2020-2021, nr. 29 van 2 december 2020) gaf u aan dat de administratie op 22 april 2020 een cassatievoorziening heeft ingediend tegen de zes arresten van 3 december 2019 van het hof van beroep te Brussel. Het Hof van Cassatie velde een oordeel op 25 juni 2021.

1. Welk gevolg zal de administratie geven aan het cassatiearrest?

2. Wordt een wijziging van het koninklijk besluit voorzien en wanneer?

Antwoord

Publicatie antwoord : B075 · Publicatiedatum : 24/01/2022

Ik heb kennis genomen van het arrest van het Hof van Cassatie van 25 juni 2021. Het Hof verwierp het ingestelde beroep en oordeelde dat de administratie geen beroep kon doen op de termijn voorzien in artikel 9, § 2, van koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde bij verzoeken om teruggaaf van btw ingediend door belastingplichtigen die niet op het grondgebied van de Unie zijn gevestigd, voor zover dit in strijd zou zijn met de bepalingen van het Wetboek betreffende de verjaringstermijn voor teruggaaf, in het bijzonder artikel 82bis van het Btw-Wetboek.

Aangezien dit een definitief oordeel is, kan ik daar geen verdere inhoudelijke commentaar over kwijt. Het is echter duidelijk dat een dergelijke beslissing een wetgevende interventie vereist om de lacune in de wet, die door het Hof van Cassatie is opgeworpen, te verhelpen. Deze noodzakelijke correctie moet echter ook passen binnen het kader van de ter zake geldende Europese reglementering.

Overeenkomstig artikel 15 van richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, moet het verzoek om teruggaaf van dergelijke belastingplichtigen uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op het teruggaaftijdvak bij de lidstaat van vestiging worden ingediend. Deze vervaltermijn is, via een delegatie aan de Koning gegeven door artikel 76, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, omgezet in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56 van 9 december 2009, met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf.

Bovendien bepaalt artikel 3 van de dertiende richtlijn 86/560/EEG van de Raad van 17 november 1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, dat de teruggaaf aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, onderwerp van het voor het hof van beroep te Brussel en het Hof van Cassatie voorgelegde geschil, niet kan geschieden onder voorwaarden die gunstiger zijn dan die gelden voor belastingplichtigen die zijn gevestigd binnen de Unie. Bijgevolg werd artikel 9, § 2, van koninklijk besluit nr. 4 in 2010 gewijzigd om de termijn voor het indienen van een teruggaafverzoek voor niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen in overeenstemming te brengen met de termijn voorzien in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56, namelijk uiterlijk 30 september van het jaar volgend op het teruggaaftijdvak.

Artikel 82bis van het Wetboek bepaalt echter dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Concreet betekent dit dat een verzoek tot teruggaaf door een niet in België gevestigde belastingplichtige volgens de redenering van het Hof van Cassatie moet worden aanvaard tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van teruggaaf is ontstaan, wat in de regel het moment is waarop de belasting opeisbaar is geworden.

De beslissing van het Hof van Cassatie, die de verenigbaarheid van deze regels beoordeelt in het licht van de hiërarchie der normen op nationaal niveau, impliceert dat de termijnen voorzien in artikel 9, § 2, van koninklijk besluit nr. 4 (wat betreft verzoeken om teruggaaf door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen) en, naar analogie, in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56 (met betrekking tot verzoeken om teruggaaf door in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen) moeten worden opzijgezet, zodra ze potentieel meer beperkend zijn voor de betrokken belastingplichtigen omdat ze veel korter zijn, ten gunste van de langere verjaringstermijn met betrekking tot de vordering tot teruggaaf van de belasting voorzien in artikel 82bis van het Wetboek.

Aangezien een dergelijke benadering in strijd is met een correcte omzetting van de voormelde richtlijnen 2008/9/EG en 86/560/EEG, heb ik mijn diensten de opdracht gegeven deze situatie zeer snel te verhelpen. Die oplossing is opgenomen in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde dat op 26 oktober 2021 in de Kamer werd ingediend. In artikel 15 van dit wetsontwerp wordt onder meer daarom een paragraaf 3 toegevoegd aan artikel 76 van het Btw-Wetboek.

Deze nieuwe paragraaf voorziet in een delegatie aan de Koning die Hem onder meer machtigt om af te wijken van artikel 82bis van het Wetboek, in het kader van het bepalen van de termijnen. Zoals de Raad van State aangeeft in fine van punt 13 van haar advies nr. 69.922/3 bij dit wetsontwerp, is een dergelijke specifieke machtiging aan de Koning tegen de achtergrond van de hiervoor uiteengezette beperkte beleidsmarge bij de omzetting van de betrokken richtlijnen verenigbaar met het fiscale legaliteitsbeginsel.

De huidige regels in het koninklijk besluit nr. 56 worden aldus behouden omdat ze een correcte omzetting vormen van het Europees recht maar ze worden door een versterkte wettelijke machtiging juridisch onaanvechtbaar gemaakt.

Vraag en antwoord gepubliceerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers in het Bulletin van vragen en antwoorden · De vraag op de website van de Kamer

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 82bis5 voorkomens
KB nr. 4 art. 93 voorkomens
KB nr. 56 art. 123 voorkomens
WBTW art. 762 voorkomens
Dertiende richtlijn 86/560 art. 31 voorkomen
richtlijn 2008/9 art. 151 voorkomen