Vr. en Antw., Kamer, nr. 53, 1996-1997, blz. 7161-7162
BTW-Revue nr. 124, blz. 1010
Beroepsoprichter die gebouwen verkoopt en verhuurt - Recht op aftrek.
VRAAG
Overeenkomstig de artikelen 45 tot 49 van het BTW-wetboek en het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW kan de voorbelasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor handelingen vrijgesteld van BTW op basis van artikel 44, § 3, 2°, niet in aftrek worden gebracht.
Kan men zich steunen op de kwalificatie van beroepsoprichter om de BTW met betrekking tot aangerekende oprichtingskosten in de fase van de oprichting van gebouwen die onmiskenbaar bestemd zijn voor onroerende verhuur, oorspronkelijk in aftrek te brengen en pas later - op het ogenblik van de aanvang van de eigenlijke verhuring of het tekenen van het betrokken huurcontract - over te gaan tot een herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW ?
ANTWOORD
Wanneer een beroepsoprichter als bedoeld in artikel 12, § 2, van het BTW-wetboek naast zijn gebruikelijke activiteit ook handelingen verricht die van de belasting zijn vrijgesteld, in casu de verhuur van gebouwen die hij al dan niet zelf heeft opgericht, heeft hij de hoedanigheid van belastingplichtige met gedeeltelijk recht op aftrek.
Op grond van artikel 1, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling dient de belastingplichtige die in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek van de voorbelasting bestaat, zich voor het vaststellen van de te verrichten aftrek te gedragen, naar het bepaalde in de artikels 46 en 48 van het BTW-wetboek en artikels 12 tot 21 van bovengenoemd koninklijk besluit. Zo kan bedoelde belastingplichtige in principe zijn recht op aftrek uitoefenen hetzij volgens de regel van het algemeen verhoudingsgetal (BTW-wetboek, artikel 46, § 1), hetzij volgens de regel van het werkelijke gebruik van goederen en diensten (BTW-wetboek, artikel 46, § 2).
Om een zo correct mogelijke heffing van de BTW na te streven, heeft de bevoegde administratie als regel aangenomen dat een beroepsoprichter die benevens de verkoop ook de door hem opgerichte of met toepassing van de BTW verkregen gebouwen verhuurt, geen recht op aftrek heeft van de BTW geheven van de oprichtingskosten of van de aankoopprijs van de gebouwen die onmiskenbaar voor de verhuur zijn bestemd.
Wanneer ten slotte oorspronkelijk voor de verhuur bestemde gebouwen toch worden verkocht binnen de termijn gesteld in artikel 12, § 2, van het BTW-wetboek, is de BTW van toepassing, zonder dat voor de heffing van die belasting moet worden geopteerd. In dat geval wordt de BTW geheven van de oprichting die oorspronkelijk niet aftrekbaar was, volledig aftrekbaar.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.