Vr. en Antw., Kamer buitengewone zitting 1974 blz. 59
Normale waarde gebouw - Eigen werk - Bouwwaarde - Werk in onroerende staat - Wettelijk vermoeden - Bewijs - Maatstaf van heffing - Controlemaatregel - Normale waarde - Vermoeden juris tantum - Bouwdossier
VRAAG
Iemand bouwt een woning met het privaat initiatief. Binnen de wettelijke termijn doet hij bij de BTW-controle de aangifte bepaald in artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek.
ANTWOORD
Op het ogenblik van de aangifte heeft betrokken persoon de BTW betaald op alle facturen voor werk in onroerende staat alsmede op alle facturen voor aankopen van bouwmaterialen.
Naderhand bepaalt de BTW-ambtenaar een normale oprichtingsprijs die hoger is dan de totale werkelijke kostprijs van het bouwwerk en vordert op het verschil een bijkomend BTW-bedrag ondanks het feit dat belanghebbende op het uitgevoerd werk als de door hem gekochte en verwerkte materialen alle BTW betaald heeft. Vooraleer dit bedrag in een officiële regularisatieopgave - model nr. 1066 - vast te leggen, deed de BTW-ambtenaar tijdens een onderhoud een voorstel tot regularisatie waarin het gevorderd bijkomend BTW-bedrag telkens hoger was.
Mag ik de achtbare heer Minister verzoeken mij een antwoord te willen verstrekken op volgende vragen.
1° In functie van welke criteria dient de bevoegde BTW-ambtenaar de normale oprichtingsprijs te bepalen zoals vermeld op het document nr. 106 ?
2° Welke is de refertedatum t.o.v. dewelke de bevoegde BTW-ambtenaar deze normale oprichtingsprijs dient te bepalen ?
3° Gebeurt deze waardebepaling in functie van de marktprijzen van toepassing ofwel op de datum van aanvang der bouwwerken ofwel op datum van het betrekken van de nieuwe woning ?
4° Kan een bouwheer verplicht worden tot het betalen van een bijkomend BTW-bedrag indien hij de BTW betaald heeft op alle facturen van de aannemers en tevens op alle materialen die hij persoonlijk gekocht heeft om zelf te verwerken ?
5° Kan de bouwheer eveneens verplicht worden tot het bepalen van een bijkomend BTW-bedrag indien blijkt dat de te betalen ongenoegzaamheid voortspruit uit het feit dat de biedingsprijs van de aannemers lager was dan de prijs waartegen de bevoegde BTW-ambtenaar de normale oprichtingsprijs vaststelt ?
Antwoord: Punt 1. - Ingevolge artikel 36, § 1, b, van het BTW-Wetboek, mag de maatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde van dat werk. Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken (BTW-Wetboek, art. 36, § 2, eerste lid).
Overeenkomstig artikel 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek, wordt verstaan onder normale waarde ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen, de prijs die hier te lande voor het werk of voor de gezamenlijke werkzaamheden kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
Punten 2 en 3. - Ingevolge artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 (Belgisch Staatsblad van 5 juni 1970), is het tijdstip voor het bepalen van die normale waarde 1 januari van het jaar waarin het gebouw waarop de te schatten diensten betrekking hebben geheel of gedeeltelijk in gebruik werd genomen.
Punten 4 en 5. - Artikel 64 § 4, van het BTW-Wetboek vestigt een vermoeden, waarbij ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat.
Dit vermoeden heeft tot gevolg dat er in principe ten aanzien van ieder pas opgericht gebouw facturen moeten bestaan tot beloop van de normale waarde van de dienstverrichtingen.
Het gaat hier echter om een vermoeden juris tantum, zodat de eigenaar van het gebouw steeds kan bewijzen dat er in een bepaalde mate geen dienstverrichting m.b.t. een werk in onroerende staat is geweest of dat een dienstverrichting alleen bestond in het verrichten van werk zonder levering van materialen (z. vraag nr. 143 van Senator Jorissen d.d. 10 juni 1970, bulletin van Vragen en Antwoorden, 1969-1970, nr. 38, blz. 1682 (1)).
Het bewijs dat er in een bepaalde mate werk in onroerende staat werd verricht anders dan ter uitvoering van een belastbare handeling, kan door de eigenaar worden geleverd door alle bewijsmiddelen van gemeen recht, door aan te tonen, dat hij in die mate zelf of met de kosteloze medewerking van anderen het werk heeft verricht.
In de mate waarin dat tegenbewijs is geleverd of wanneer wordt aangetoond dat materialen rechtstreeks door de eigenaar werden gekocht en dus niet in een dienstverrichting begrepen waren, wordt, naargelang van het geval, de waarde van het bedoelde werk en van de materialen die hierbij werden gebruikt, of alleen de waarde van de materialen, afgetrokken van de normale waarde waarmee rekening dient gehouden.
(1) Z. Revue nr. 1, blz. 114, nr. 3, art. 36, § 1°, b, BTW-Wetboek.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.