ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 10.09.2004)
De verrichting die bestaat in het vervoeren van beton naar een bouwwerf en het storten van dat beton in de bekisting of de funderingen van een gebouw of enig ander bouwwerk door de leverancier of voor zijn rekening, dient op grond van artikel 18, § 1, van het BTW-Wetboek, te worden aangemerkt als een dienstverrichting (werk in onroerende staat).
In artikel 19, § 2, van het BTW-Wetboek wordt immers gesteld dat voor de toepassing van het BTW-Wetboek onder werk in onroerende staat het volgende dient te worden verstaan: het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.
Overeenkomstig artikel 9, paragraaf 2, a), van de zesde BTW-richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, geïmplementeerd in artikel 21, § 3, 1°, van het Belgische BTW-Wetboek, wordt als plaats van de dienst met betrekking tot een onroerend goed aangemerkt de plaats waar het onroerend goed is gelegen. Aangezien dit onroerend goed (bouwwerf) waar de dienst wordt verricht, gelegen is in een andere lidstaat, zal de BTW van deze lidstaat verschuldigd zijn.
Bovendien brengt de zending van de bij een in een andere lidstaat gelegen bouwwerk in te lijven beton, voor de Belgische onderneming de volgende fiscale gevolgen mee:
•In België is de overbrenging van het materiaal (beton) naar een andere lidstaat een handeling die wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel, maar die als intracommunautaire levering van goederen is vrijgesteld (artikel 28bis, paragraaf 5, streepje b), van de zesde richtlijn, geïmplementeerd in artikel 12bis, eerste lid, van het Belgische BTW-Wetboek).
•In de lidstaat waar de bouwwerf is gelegen, is het bestemmen van de vervoerde goederen (beton) voor de doeleinden van haar economische activiteit, een handeling die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel (artikel 28bis, paragraaf 6, van de zesde BTW-richtlijn, geïmplementeerd in artikel 25quater, § 1, van het Belgische BTW-Wetboek).
Aangezien de Belgische onderneming in deze andere lidstaat intracommunautaire verwervingen van goederen verricht, gevolgd door dienstverrichtingen welke aldaar plaatsvinden, dient deze onderneming zich in deze lidstaat voor BTW-doeleinden te laten identificeren.
De levering van beton en het eenvoudig lossen ervan op een bouwwerf, zonder inlijving van het beton bij een bouwwerk, worden daarentegen aangemerkt als een levering van goederen met vervoer.
Een dergelijke levering kan dan de vrijstelling genieten voor intracommunautaire leveringen van goederen zoals bepaald in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het BTW-Wetboek.