ANTWOORD
Hoewel de verhuur van onroerende goederen uit hun aard voortaan als een dienstverrichting in de zin van artikel 18, § 1, (nieuw), van het BTW-wetboek wordt beschouwd, is die verhuur, in de regel, een van BTW vrijgestelde handeling krachtens artikel 44, § 3, 2°, (nieuw), van voornoemd wetboek. Overigens wordt aanvaard dat de vrijstelling ook geldt voor de terbeschikkingstelling van de meubelen die het verhuurde gebouw, wanneer dat wordt gebruikt voor bewoning, stofferen.
Wanneer anderzijds een commissionair of een andere tussenpersoon, in eigen naam of onder firma, voor rekening van een opdrachtgever tussenkomst verleent bij dienstprestaties bedoeld in voornoemd wetboek, ongeacht of die aan de BTW zijn onderworpen dan wel ervan zijn vrijgesteld, wordt hij overeenkomstig de artikelen 20, § 1, en 13, § 2, van voornoemd wetboek, geacht zelf die diensten te hebben ontvangen en ze zelf te hebben verstrekt.
In het door het geacht lid beoogde geval vinden derhalve, voor de toepassing van de BTW, twee opeenvolgende dienstprestaties plaats die beide zijn vrijgesteld van de BTW. De vrijstelling geldt zowel in de relatie tussen de eigenaar van het betreffende gebouw en het immobiliënkantoor als in de relatie tussen dat kantoor en de huurder.
De bovenstaande regels blijven van toepassing wanneer de tussenpersoon, handelend op de wijze bedoeld in de vorige leden, een reisbureau is aangezien de tussenkomst van een reisbureau in de verhuur van een onroerend goed uit zijn aard geen specifieke handeling is van een reisbureau, in de zin van artikel 20, § 2, van het BTW-wetboek.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het commissieloon dat toekomt aan het immobiliënkantoor of aan het reisbureau, wegens hun tussenkomst onder voornoemde omstandigheden voor de toepassing van de BTW niet meer als dusdanig wordt aangemerkt en dus niet meer aan die belasting is onderworpen. Immers bij voornoemde regeling wordt, op grond van artikel 29, § 1, tweede lid, van voornoemd wetboek het commissieloon in de relatie tussen het agentschap en de huurder, toegevoegd aan de globale prijs die zoals voormeld vrijgesteld is van de BTW.
De tussenkomsten verlenen derhalve aan de betrokken agentschappen, in de mate van die activiteit, geen recht meer op aftrek van de voorbelasting. Die omstandigheid heeft ook tot gevolg dat in hoofde van die agentschappen overeenkomstig de artikelen 10, 2°, en 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, moet worden overgegaan tot een herziening, in het voordeel van de Schatkist van de vroeger verrichte aftrek met betrekking tot de bedrijfsmiddelen.
Vanaf 1 januari 1996 zal een tussenpersoon bij de verhuur van onroerende goederen nog slechts als makelaar worden aangemerkt zodat het loon van laatstgenoemde aan de BTW in België is onderworpen wanneer de betreffende dienst hier te lande plaatsvindt wanneer in het verhuurcontract, het reservatiebewijs, de factuur of enig ander daarmee gelijkstaand stuk, naast de benaming en de ligging van het gebouw ook de identiteit en de woonplaats van de eigenaar-verhuurder van het betreffende onroerend goed in wiens naam en voor wiens rekening de tussenpersoon optreedt, zijn vermeld.