Reissector. Tarief · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

3-1017 2 juli 2004

Zoeken

Reissector. Tarief

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/3-1017-reissector-tarief-ramoudt-9268

Nummer
3-1017
Datum
2 juli 2004

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 2004-2005, blz. 1610-1612

Reissector - Tarief

VRAAG

De Belgische reisindustrie kampt met een enorme concurrentievervalsing op twee niveaus. In eerste instantie genieten reisdienstverstrekkers een verlaagd BTW-tarief of een nultarief. Onder meer de luchtvaartmaatschappijen genieten een nultarief. Touroperators en reisagenten die netto-tarieven verhogen met een marge of administratiekosten, dienen op deze marge 21% BTW aan te rekenen. Dit wordt voornamelijk in het licht van de nulcommissie, die in België per 1 januari 2005 ingaat, een problematische factor. Andere reisdienstverstrekkers, onder wie de hoteliers genieten een verlaagd tarief. Ook hier dient de reissector 21% BTW aan te rekenen op de marge.

Ten tweede ondervindt de reisbureausector concurrentie van de georganiseerde sector uit andere landen. Een aantal landen heft geen BTW op de marge; andere genieten een veel lager BTW-tarief. België rekent daarenboven, als enig land in heel Europa, BTW aan op de verkoop op reizen buiten Europa. Touroperatorreizen naar niet EU-bestemmingen zijn hierdoor in ons land maar liefst 3,78% duurder dan in de rest van Europa.

De toename van de georganiseerde reizen in België wordt door de belastingdruk afgeremd. Een gunstige fiscale behandeling kan nieuwe impulsen geven aan deze markt. Buitenlandse voorbeelden bevestigen dit. In Ierland, waar een BTW-vrijstelling geldt eveneens voor reizen binnen de Europese Unie, bedraagt de marktpenetratie van de georganiseerde reizen 60 %. De lage inkomsten inzake BTW worden in ruime mate gecompenseerd door de hoge penetratie van de georganiseerde reizen.

Dankzij de interessante prijs-kwaliteitsverhouding kende de georganiseerde reissector een groei. De Belgische economie profiteert enigszins van deze tendens. Het georganiseerd reizen zorgt voor werkgelegenheid bij reisagenten, luchtvaartmaatschappijen, verzekeringsmaatschappijen, drukkerijen, ... Bij het ontbreken van deze activiteit zouden deze geldstromen voorgoed verloren zijn voor onze economie.

De Europese reismarkt wordt beheerst door een aantal internationale spelers. In combinatie met de nieuwe technologieën, zorgt dit ervoor dat reizigers perfect bediend kunnen worden door organisaties die niet in België zijn gevestigd. Een WES-studie toont immers aan dat steeds meer Belgen hun vakantie boeken via het Internet. In 2000 werden amper 2% van alle korte en lange vakanties, wat gelijk staat aan 328 000 vakanties, geboekt via het Internet. In 2002 werden ruim 1 159 000 (9 %) reizen op die manier geboekt. Consumenten, die steeds vaker de markt gaan bepalen, krijgen via het Internet een immens aanbod dat vanuit financieel oogpunt vaak interessanter blijken.

De komst van de euro zorgde in de sector voor een toegenomen transparantie op het vlak van prijzen.

Een verdere aantasting van de marges kan ervoor zorgen dat de internationale spelers een sluiting van de Belgische kantoren zouden overwegen. De tewerkstelling in de sector wordt met andere woorden rechtstreeks bedreigd. De kans dat de buitenlandse touroperators hun voordelige positie ten opzichte van België zullen uitspelen via onder meer een agressieve marketing campagne, is reëel.

Daarom kreeg ik graag een antwoord op de volgende vragen:

1. Is de geachte minister zich bewust van deze concurrentievervalsende invloeden op de Belgische reisindustrie? Zo ja, is hij bereid het BTW-systeem, aan de Europese BTW-richtlijnen aan te passen teneinde de positie van de Belgische reisindustrie te verbeteren?

2. Is de geachte minister bereid het voorbehoud van artikel 28, derde lid, van de BTW-richtlijn, met betrekking tot reizen buiten de EU te laten vallen? Zo ja, binnen welke termijn kan dit worden gerealiseerd?

3. Is de geachte minister bereid tussenpersonen die reisdiensten verstrekken, een verlaagd BTW-tarief te laten genieten?

ANTWOORD

(minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid)

De vraag van het geachte lid betreft het BTW-stelsel in de reissector, wat tot de bevoegdheid van de minister van Financiën behoort, aan wie de vraag werd doorgestuurd.

Antwoord van de minister van Financiën:

1. België is één van de weinige lidstaten die over een wettelijke regeling beschikken die in overeenstemming is met de bepalingen van de Zesde BTW-Richtlijn 77/388/EG van de Raad aangaande de reisdienstenprestaties. Desalniettemin hanteren een belangrijk aantal lidstaten tot op heden nog steeds heel uiteenlopende interpretaties van deze bijzondere regeling. Voor bepaalde operatoren in deze sector werkt dit gebrek aan uniformiteit, op het gebied van de kosten, concurrentieverstorend. Eén van doelstellingen van het voorstel van de Commissie bestaat er dan ook in aan deze problemen het hoofd te bieden. België onderschrijft zowel de strategische objectieven van de Europese Commissie strekkende tot het verbeteren van de werking van de interne markt op korte termijn als het voorstel van richtlijn met betrekking tot de bijzondere regeling voor de reisdienstenprestaties, dat momenteel bij de Raad ter tafel ligt. In de huidige stand van zaken, is de verdere afhandeling van het dossier geblokkeerd omdat een aantal lidstaten aan de reisdienstenverrichters de mogelijkheid wil bieden te opteren voor onderwerping aan de normale regeling, terwijl andere lidstaten zich daar ten stelligste tegen verzetten. België blijft evenwel bereid om het debat in dat dossier aan te gaan.

2. België blijft overtuigd van de gegrondheid van de belastingheffing over de marge, die reisdienstenverrichters realiseren op buiten de EU georganiseerde reizen, en dit zowel vanuit het oogpunt van de principes inzake belastingheffing (de dienst wordt gepresteerd binnen de EU door binnen de EU gevestigde reisdienstverrichters voor eveneens binnen de EU gevestigde klanten), als vanuit economisch oogpunt, meer bepaald het niet bevoordelen van reizen die plaatsvinden buiten de EU ten opzichte van binnenlandse reizen. Desalniettemin en teneinde een meer uniforme toepassing van die bijzondere regeling in de Unie te bewerkstelligen, is België ertoe bereid om, in het kader van een globaal compromis dat het mogelijk maakt om het voorstel van richtlijn te aanvaarden, het bestaande geheel aan afwijkende bepalingen op te heffen, met inbegrip van deze welke werden toegekend op grond van de artikelen 28, lid 3, en 27, lid 1, van de Zesde BTW-Richtlijn. Deze afwijkingen, die noodzakelijkerwijze resulteren in een gebrek aan uniformiteit, vormen de oorzaak van tal van problemen, niet alleen op het gebied van de verlaagde tarieven, maar ook op het gebied van de vrijstelling van de marge voor intra-communautaire reizen, de belastingheffing van reizen buiten de Unie en het bestaan van een regeling voor forfaitaire belastingheffing.

3. Artikel 12, lid 3, a), laatste alinea, van de Zesde BTW-Richtlijn staat de lidstaten slechts toe gebruik te maken van een verlaagd tarief voor die leveringen van goederen en diensten die op limitatieve wijze in bijlage H zijn vermeld. De dienst die bestaat in het in verstrekken van reisdienstenprestaties is niet in deze bijlage opgenomen en kan derhalve niet voor een verlaagd tarief in aanmerking komen. Met betrekking tot de specifieke situatie waarbij reisdienstenverrichters verscheidene diensten aankopen bij derden, deze vervolgens samenvoegen en in gecombineerde vorm als reis te koop aanbieden, voorziet het voorstel van de Europese Commissie niet in de toepassing van een verlaagd tarief op de door de reisdienstenverrichters gerealiseerde winstmarge. Bovendien voorziet het huidig voorstel tot wijziging van de Zesde BTW-Richlijn op het vlak van de tarieven evenmin in een dergelijke mogelijkheid.

Aangehaalde teksten

3