Aanvragen tot bemiddeling en administratieve beroepen in btw-aangelegenheden. Ministeriële machtigingen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

207 4 maart 2015

Zoeken

Aanvragen tot bemiddeling en administratieve beroepen in btw-aangelegenheden. Ministeriële machtigingenAanvragen tot bemiddeling en administratieve beroepen in btw-aangelegenheden. Ministeriële machtigingen.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/207-aanvragen-bemiddeling-administratieve-beroepen-in-ddad

Nummer
207
Datum
4 maart 2015

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

39 paragrafen

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/020 d.d. 13.04.2015, blz. 172

Aanvragen tot bemiddeling en administratieve beroepen in btw-aangelegenheden. - Ministeriële machtigingen.

VRAAG

In zijn arrest nr. 41.885/2 (DOC 51 2873/001) heeft de Raad van State eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 84, 1e en 2e lid, van het Btw-Wetboek enkel de minister van Financiën bevoegd is om moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan op te lossen en dadingen met de belastingschuldigen te treffen. In soortgelijke bepalingen, bijvoorbeeld in artikel 141 van het Wetboek der successierechten en artikel 219 van het Wetboek der registratierechten, worden die bevoegdheden echter uitdrukkelijk uitgebreid tot de door de minister van Financiën gemachtigde ambtenaar.

Bij de wet van 15 maart 1999 werd de bevoegdheid van de minister van Financiën om over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten te beslissen uit artikel 84 van het Btw-Wetboek geschrapt en bij artikel 9 van het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 wordt de minister van Financiën de discretionaire bevoegdheid toegekend individueel uitspraak te doen over de verzoeken tot vermindering of kwijtschelding van fiscale boetes.

In btw-aangelegenheden moet er een dwangbevel worden uitgevaardigd in de gevallen waarin de belastingplichtige de in het proces-verbaal vastgestelde btw-schuld gedurende de administratieve fase van het geschil blijft betwisten (Cass., 9 maart 2006, C.04.0284.N en C.04.0313.N, Fisconetplus) en kan de belastingschuldige, indien hij van het vereiste belang kan doen blijken, op ieder moment een rechtsvordering instellen om de taxatie die hem werd opgelegd te betwisten, zonder de betekening van een dwangbevel te moeten afwachten (Cass., 13 april 2012, F.09.0056.F, De Fiscoloog, nr. 1307, blz. 13).

Overeenkomstig artikel 84quater van het Btw-Wetboek intervenieert de bemiddelingsdienst enkel in geval van een 'blijvend meningsverschil' over de taxatie, met andere woorden, na het ogenblik waarop de belastingplichtige alle discussiemogelijkheden met de taxatie-ambtenaar heeft uitgeput en vóór het ogenblik waarop hij het geschil op grond van artikel 84 van het Btw-Wetboek voor de rechter brengt (DOC 51 2873/001, blz. 89 e.v.).

Bij de inwerkingtreding van artikel 84quater van het Btw-Wetboek vormde de kennisgeving van het proces-verbaal van regularisatie in btw-aangelegenheden het 'blijvend meningsverschil' (antwoord op vraag nr. 1283 van de heer de Clippele van 11 mei 2001, Senaat, G.Z. 2001-2002, Vragen en Antwoorden, nr. 2-44, en op vraag nr. 887 van de heer Pinxten van 18 juli 2005, Kamer, Vragen en Antwoorden, 51 091).

In btw-aangelegenheden is de aanvraag tot bemiddeling onontvankelijk wanneer ze volgt op de aantekening van verzet tegen het dwangbevel, op de inwerkingstelling van de schattingsprocedure of op de kennisgeving van de beslissing om in beroep te gaan en neemt de bemiddelingsopdracht een einde in de veronderstelling dat die gebeurtenissen zich voordoen wanneer de aanvraag tot bemiddeling hangende is.

In btw-aangelegenheden is er begin juli 2013 een nieuwe procedure inzake het administratief beroep in werking getreden: er is geen sprake meer van het proces-verbaal van regularisatie en de kennisgeving van de regularisatiebeslissing opent in principe een administratieve beroepstermijn van drie maanden.

1. Artikel 84 van het Btw-Wetboek voorziet niet in de machtiging van een ambtenaar. Hoe kan er dan in artikel 84quater, § 1, van het Btw-Wetboek het tegenovergestelde staan en kan, afhankelijk van het geval, de gewestelijk directeur van de klassieke btw-directie, het controlecentrum AAFisc of de BBI als gemachtigd ambtenaar worden aangesteld?

2. In de memorie van toelichting bij artikel 115 van het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (wet van 25 april 2007) staat er met betrekking tot de bemiddeling in btw-aangelegenheden dat de bevoegdheid die bij artikel 84 van het Btw-Wetboek wordt toegekend aan de minister van Financiën in de praktijk bij wege van een ministeriële bevoegdheidsdelegatie wordt uitgeoefend.

Naar verluidt zou de toenmalige minister van Financiën zijn bevoegdheden ter zake in december 1991 en in juni 1999 in een niet-gepubliceerde dienstorder aan de gewestelijke directeuren van de btw-administratie hebben overgedragen.

a) Klopt dat en op welke wettelijke basis is dat gebeurd?

b) Hebben zijn opvolgers die machtiging vernieuwd?

c) Kan de belastingschuldige die een verzoekschrift indient dat binnen de bepalingen van artikel 84 van het Btw-Wetboek valt, op verzoek een kopie van die akten van overdracht krijgen?

3. Aangezien de fiscale bemiddelingsdienst in btw-aangelegenheden enkel intervenieert wanneer er een beroep krachtens artikel 84 van het Btw-Wetboek wordt ingesteld en de ministeriële bevoegdheid om boetes kwijt te schelden specifiek bij artikel 84 van het Btw-Wetboek uitgesloten wordt, rijst de vraag of het verzoek om fiscale bemiddeling ontvankelijk is omdat het betrekking heeft op de boete, die al dan niet bij de verschuldigde belasting komt?

4. Wanneer de aanvraag tot fiscale bemiddeling volgt op de indiening van een rechtsvordering die niet gericht is tegen een dwangbevel (bijvoorbeeld een vordering tot teruggave, een vordering tegen een proces-verbaal, een regularisatiebeslissing, een beslissing van een directeur, een beslissing van een centrale dienst, enzovoort), of wanneer er een soortgelijke rechtsvordering, die niet tegen een dwangbevel gericht is, wordt ingediend terwijl de aanvraag tot bemiddeling hangende is, moet men er dan niet van uitgaan dat het bemiddelingsverzoek ontvankelijk is en de fiscale bemiddelingsdienst bevoegd blijft?

5. Wat wordt er voor de toepassing van artikel 84quater van het Btw-Wetboek in het kader van die nieuwe procedure inzake het administratief beroep die in juli 2013 in btw-aangelegenheden werd ingevoerd, met 'blijvend meningsverschil' bedoeld en hoe zijn in die nieuwe procedure de indiening en de ontvankelijkheid van een bemiddelingsverzoek en de interventie van de fiscale bemiddelingsdienst geregeld?

6. Hoe worden in die nieuwe procedure inzake het administratief beroep de verplichte kennisgeving van een dwangbevel in geval van de niet-betaling van de verschuldigde bedragen verzoend met de mogelijkheid voor de belastingschuldige om op ieder moment een rechtsvordering in te stellen, zonder te moeten wachten tot er een dwangbevel betekend wordt?

7. Kan de persoon die een verzoekschrift tot administratief beroep indient tegen de taxatie die hem werd opgelegd, een afschrift verkrijgen van de administratieve richtlijn met de nieuwe beroepsprocedure die sinds juli 2013 van toepassing is en op hem toegepast wordt?

ANTWOORD

(van de minister)

1. Artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die vóór het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden opgelost door de Minister van Financiën.

De mogelijkheid tot delegatie van de bevoegdheid toegekend aan de minister van Financiën door artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Btw-Wetboek (Parl. St., Kamer, B.Z., 1968, 88 (1968) N. 1, Wetsontwerp tot invoering van Btw-Wetboek, Memorie van Toelichting, blz.169).

Artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek kan bijgevolg niet derwijze worden geïnterpreteerd dat het geen delegatie toelaat en bijgevolg op dat vlak tegenstrijdig is met hetgeen is bepaald in artikel 84quater, § 1, van het Btw-Wetboek.

2. Op grond van de mogelijkheid tot delegatie voorzien in voormelde Memorie van Toelichting heeft de minister van Financiën de hem door artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek toegekende bevoegdheid op algemene en schriftelijke wijze gedelegeerd aan de gewestelijke directeurs met het vermogen de hen toegekende machten over te dragen aan welbepaalde andere ambtenaren.

Gelet op het feit dat de desbetreffende delegatie geen persoonlijk karakter heeft en gelet op het principe van de continuïteit van de openbare dienst is er geen noodzaak tot het stelselmatig hernieuwen van die delegatie bij elk aantreden van een nieuwe Minister van Financiën.

Ik kan het geachte lid meedelen dat indien de akte tot delegatie het voorwerp is van een juridisch geschil de administratie het schriftelijk bewijs van de delegatie zal verstrekken voor de desbetreffende rechtbank waar het geschil aanhangig is gemaakt.

3. Op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 beschikt de minister op de verzoeken om kwijtschelding van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter. Het betreft een genademaatregel.

De bemiddelingsdienst spreekt zich, in de geest van artikel 84quater van het Btw-Wetboek, in principe niet uit over de kwijtschelding of vermindering van een proportionele of niet-proportionele fiscale geldboete waarover de minister of de door hem gedelegeerde ambtenaar beslist op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

4. De fiscale bemiddelingsdienst is op grond van artikel 84quater, § 1, van het Btw-Wetboek bevoegd ingeval een blijvend meningsverschil over de taxatie gebracht wordt voor de minister van Financiën of de door hem gemachtigde ambtenaar.

De Memorie van Toelichting met betrekking tot dat artikel verduidelijkt dat de tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst slechts plaatsvindt als er een blijvend meningsverschil over de taxatie bestaat, te weten na het ogenblik waarop de belastingplichtige alle discussiemogelijkheden met de taxatieambtenaar heeft uitgeput en vóór het ogenblik waarop hij het geschil voor de rechter brengt of vooraleer een deskundige schatting bedoeld in artikel 59, § 2, gevorderd werd (Parl. St., Kamer, G.Z., 2006-2007, 51, nr. 2873/01, Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (IV), Memorie van Toelichting, blz. 90).

In de huidige stand van de wetgeving kan bijgevolg geen bemiddelingsopdracht worden aanvaard door de bemiddelingsdienst indien het geschil reeds voor de rechter is gebracht. In dat geval is de aanvraag tot bemiddeling onontvankelijk.

5. Ik verwijs het geachte lid graag naar punt 2 van het antwoord verstrekt op zijn vraag nr. 100, van 8 januari 2015. (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2014-2015, nr. 16, blz. 195)

Voor wat betreft de interpretatie van de woorden "blijvend meningsverschil" in het kader van de toepassing van artikel 84quater, § 1, van het Btw-Wetboek wordt verwezen naar het antwoord op vraag 4 hiervoor.

6. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Cassatie van 13 april 2012 (F. 09.0056) kan de bezwaarprocedure die inzake btw thans bestaat niet worden aangemerkt als een door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep in de zin van artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Dit houdt in dat inzake btw het niet noodzakelijk is dat de vordering in rechte wordt voorafgegaan door een administratief beroep. Artikel 1385undecies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereist evenmin dat een dwangbevel zou worden betekend aan de belastingplichtige opdat deze een vordering in rechte zou kunnen instellen.

De nieuwe administratieve bezwaarprocedure (zie het antwoord op de vraag nr. 100 van 8 januari 2015, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2014-2015, nr. 16, blz. 195) heeft geen enkel stuitend of schorsend effect op het vlak van de verjaring van de vordering van de Staat tot voldoening van de belasting.

Die nieuwe procedure inzake administratief bezwaar brengt geen enkele verplichting met zich mee in hoofde van de schuldenaar en behoudt die laatste het recht onmiddellijk een vordering in rechte in te stellen met betrekking tot de hem voorgestelde regularisatie.

7. Ik verwijs het geachte lid graag naar punt 3 van mijn antwoord op zijn vraag nr. 100 van 8 januari 2015, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2014-2015, nr. 16, blz. 195).

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 8411 voorkomens
WBTW art. 84quater8 voorkomens

Administratieve doctrine

2

« … die verleend wordt aan de administratie om moeilijkheden inzake de btw-heffing op te lossen. VRAAG Na aandachtige lectuur van uw antwoord op mijn vraag nr. 100 van 8 januari 2015 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2014-2015, nr. 16, blz. 198) en mijn vraag nr. 207 van 4 maart 2015 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2014-2015, nr. 20, blz. 174), zou ik u de volgende vragen willen stellen. 1. De minister van Financiën heeft in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde … »

Fiscale procedure. Invordering van de belasting. Machtiging die verleend wordtParlementaire vraag05.06.2015

Bekijk de 2 documenten