VRAAG
Vooral KMO's kunnen de juridische gevolgen van de procedure die wordt gevolgd na een BTW- of AOIF-controle niet volledig inschatten en zij blijken evenmin op de hoogte te zijn van alle mogelijkheden van het willig beroep.
Volgens de geijkte procedure volgt na een controle, waarbij de BTW-administratie aanpassingen noodzakelijk achtte, een naheffingsopgave die voorafgaat aan het proces-verbaal en waarin aan de BTW-plichtige normalerwijze een termijn van dertig dagen wordt toegestaan om ofwel zijn akkoord te betuigen ofwel zijn argumenten te doen gelden in een bezwaar.
Het proces-verbaal dat bij blijvend niet-akkoord zo snel mogelijk na het verstrijken van die termijn van 30 dagen wordt verstuurd, biedt de meeste garanties om een effectief willig beroep binnen een redelijke termijn na de BTW- of AOIF-controle te kunnen indienen. Wanneer dat beroep leidt tot een gemotiveerde beslissing binnen een redelijke termijn, wordt beantwoord aan een aantal minimumvereisten van behoorlijk bestuur. Het bestuur biedt dan immers de mogelijkheid tot een snelle en schriftelijk gemotiveerde conflictbeslechting.
Kan er een standaardbrief worden opgesteld die samen met het proces-verbaal binnen een redelijke termijn na de naheffingsopgave BTW en voor de betekening van het dwangbevel aangetekend ter kennis zou worden gebracht van de BTW-plichtige? De standaardbrief dient conform artikel 2, vierde lid, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, alle beroepsmogelijkheden, zowel het (willig) administratief beroep, als de mogelijkheid om het geschil onmiddellijk aan de rechter voor te leggen, te vermelden.
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 30.08.2005)
De vermelding van de rechtsmiddelen, beoogd in zijn vraag door het geachte lid, betreft de geschillenprocedure inzake BTW die betrekking heeft op de opeisbaarheid van de bedragen ingevolge een fiscale controle (belastingen, boeten, interesten). Deze procedure komt hierna ter sprake inzake het dwangbevel en het verzet hiertegen welke kan worden ingeleid door een tegensprekelijk verzoekschrift; door een dagvaarding of door een verzoek tot vrijwillige verschijning.
In onderhavig geval is het de regel om aan de belastingplichtige een regularisatie-opgave toe te sturen. Om zijn opmerkingen te laten kennen, beschikt de belastingplichtige over een termijn van dertig dagen. Wanneer de belastingplichtige en de administratie niet tot een akkoord komen, wordt een proces-verbaal (W. BTW, artikel 59, § 1) bij ter post aangetekend schrijven gezonden aan de schuldenaar en de verschuldigde sommen worden dan ingevorderd. Na één of twee herinneringen tot betaling wordt een dwangbevel, gemotiveerd door het proces-verbaal, uitgevaardigd en betekend. Ik verwijs hier naar het antwoord gegeven op de schriftelijke vraag nr. 1283, gesteld op 11 mei 2001 door de heer de Clippele (Senaat, GZ 2001-2002, Vragen en Antwoorden, nr. 2-44, blz. 2277-2279).
In bepaalde omstandigheden betekent de administratie een proces-verbaal zonder voorafgaandelijk gebruik te maken van een regularisatieopgave. Bovendien kan een proces-verbaal een vroeger procesverbaal of een vroegere regularisatieopgave wijzigen of doorhalen. De administratie moet geen proces-verbaal betekenen vóór de afhandeling van het bezwaarschrift. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat een procesverbaal inzake BTW moet worden opgemaakt of betekend binnen een zekere termijn. De fiscale administratie moet evenwel erop toezien dat de toezending van een proces-verbaal aan de schuldenaar zal toelaten de bewijsmiddelen te verzamelen om de bewijskracht ervan te betwisten.
Het proces-verbaal dat het dwangbevel motiveert, is een voorbereidende akte tot het doen ontstaan van deze uitvoerbare administratieve titel. Het is niet te scheiden van het opmaken van deze titel en is een bestanddeel van een complexe rechtshandeling die een eind neemt met de betekening van het dwangbevel.
De geldigheid van een door de administratie betekend dwangbevel komt niet in het gedrang door het enkele feit dat een proces-verbaal, gevoegd bij dit dwangbevel, zelf niet alle feitelijke elementen bevat die het verschuldigd zijn van de belasting aantonen maar hiervoor verwijst naar een eerder proces-verbaal waaruit deze elementen wel blijken en dat niet mee werd betekend ( Cass., 17 september 1998, AC, 1998, nr. 405; Burg. rechtb. Antwerpen, 8 juni 1999, TFR, december 1999, nr. 172, blz. 970 en volgende, met noot).
Inzake BTW wordt het administratief verhaal, wat niet geformaliseerd is, georganiseerd door de artikelen 84 en 84 bis van het W. BTW en door artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831. De dadingprocedure vangt aan vanaf het versturen van de regularisatieopgave. Inzake BTW zowel als inzake de andere indirecte belastingen bestaat er geen verplichting om de moeilijkheden die de heffing van de belasting betreffen, te onderwerpen aan de beslissing van de minister van Financiën of aan zijn afgevaardigde. Inzake BTW moet het administratief verhaal niet worden ingesteld binnen een termijn bepaald door de wet. De schuldenaar is bovendien niet gehouden door de wacht- en vervaltermijnen ingesteld door artikel 1385 undecies, tweede en derde alinea van het Gerechtelijk wetboek. Het volstaat voor de schuldenaar de betekening van een dwangbevel af te wachten. Het is aan de fiscale administratie om het initiatief te nemen ten einde de verjaring van haar invorderingshandeling te voorkomen (vgl. RvSt, 29 juli 1949, Rec. gén. enr. not, 1950, nr. 18902, blz. 238, obs.).
De facultatieve procedure tot minnelijke regeling van een fiscaal geschil inzake BTW, gebaseerd op artikel 84 W. BTW, gaat de rechterlijke procedure, ingeleid door een verzet tegen de uitvoering van het dwangbevel, vooraf. Het betreft hier een omkering van het geschil in vergelijking met het gemeen recht waar de verzoeker de schuldeiser is.
De artikelen 85, § 2, 3° en 89, tweede alinea van het W. BTW waarborgen voor de schuldenaar de stuiting van de uitvoering van het dwangbevel door een vordering in rechte. Hij kan dus het geschil onderwerpen aan de feitenrechter die dus een volledig en grondig toezicht waarborgt over de betwisting. Het verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel neemt de vorm aan van een rechtsvordering die aan de verzoeker toelaat zich te verzetten tegen de aanwending door de ontvanger van de BTW van uitvoeringsmaatregelen of van bewarende maatregelen.
De fiscale administratie die in principe de grond van haar vordering niet meer kan herzien en verbeteren na de inleiding van het geding, moet toch het zeggenschap over de taxatie kunnen bewaren. Derhalve moet zij haar onderzoeken, die aanleiding kunnen geven tot de noodzakelijke opstelling van andere processenverbaal, kunnen voortzetten of de grond van haar taxatie of vordering wijzigen, in voorkomend geval in het voordeel van de belastingplichtige, na kennisgeving van een proces-verbaal. Men mag niet uit het oog verliezen dat de invorderingshandeling bovendien gebonden is aan een verkorte verjaringstermijn van vijf tot drie jaar ingevolge de wetten tot hervorming van de fiscale procedure van maart 1999. De inkorting van deze verjaringstermijn verplicht de administratie zeer waakzaam te zijn voor de stuiting van de verjaring die een nieuwe wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar laat ingaan.
De bijzondere en exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, voor wat betreft de geschillen met betrekking tot de individuele fiscale rechtshandelingen, sluit de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van Staat uit (RvSt, 17 januari 2000, Maria Vertongen, nr. 84.689, overweging nr. 2.6, http://www.raadvst-consetat.fgov.be ). Ten overstaande van het cassatiearrest van 23 oktober 2000 ( Pas., 2000, I, 1605) is de verplichting tot vermelding van de verhaal mogelijkheden derhalve omstreden in fiscale zaken ( Fiskoloog, 3 september 2003, nr. 902, blz. 1). De informatieverplichting opgelegd door de bepaling vervat in artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur moet bovendien noodzakelijkerwijs gelezen worden in samenhang met de sanctie voorzien door deze bepaling in het voordeel van de burger in die aangelegenheden waar zijn vordering moet worden ingeleid binnen een welbepaalde wettelijke termijn, bij miskenning waarvan het wordt verworpen, wat niet het geval is inzake BTW.
De procedure inzake BTW, zoals hiervoor beschreven, heeft steeds een nauwkeurig evenwicht gewaarborgd tussen de belangen van de Schatkist en de rechten van de schuldenaar. Het spreekt voor zich dat de aan de belastingplichtige verweten onregelmatigheden hem ter kennis moeten worden gebracht binnen een redelijke termijn, zoals door u onderstreept, en dat de administratie erop moet toezien dat de termijn die de betekening van het dwangbevel scheidt van de kennisgeving van het definitieve proces-verbaal of van de definitieve beslissing zo kort mogelijk zal zijn.
Het onderzoek naar de wijzen van vermelding van de verhaalmogeiijkheden ligt ter studie.