Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Administratieve geldboete. · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

205 1 augustus 1975

Zoeken

Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Administratieve geldboete.Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Woning. Bouwmateriaal. Bouwsector. Administratieve geldboete. Ontoereikende maatstaf. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. Bouwmateriaal. Deskundige schatting. Bouwwaarde. Bouwdossier

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/205-werk-in-onroerende-staat-onroerend-ffd7

Nummer
205
Datum
1 augustus 1975

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

24 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1974-1975 blz. 3045

Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Woning - Bouwmateriaal - Bouwsector - Administratieve geldboete - Ontoereikende maatstaf - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwmateriaal - Deskundige schatting - Bouwwaarde - Bouwdossier

VRAAG

De wijze van heffing van de BTW op de bouwwaarde van nieuwe woningen blijft bij de economisch-zwakke bouwers een bron van kritiek en zelfs verbittering, wat in de gegeven omstandigheden te begrijpen is.

ANTWOORD

De manier waarop de fiscus de nieuwe bouwers pluimt is zonder meer onaanvaardbaar en geeft de indruk dat men werkelijk niets onverlet laat om het bouwen van eigen woningen te ontmoedigen. Nochtans is elke nieuwe woning voor de Staatskas een rijke bron van inkomsten wanneer we enkel denken aan de BTW en aan de onroerende voorheffing.

De heer Minister kent door meerdere contacten en tussenkomsten het probleem. Ik durf hem daarom volgende vragen stellen:

1° Hoe gebeurt praktisch de vaststelling der bouwwaarde van de nieuwe woning door de administratie van de BTW ?

Hoe stelt men praktisch de waarde vast van het eigen werk waarop geen BTW verschuldigd is ? Meent de heer Minister niet dat een betere informatie van, het publiek langs de massamedia dringend nodig is ?

2° Vindt de heer Minister het rechtvaardig en billijk dat de bouwwaarde van een woning wordt vastgesteld in 1975 op basis van de thans geldende sterk gestegen kostprijzen, wanneer deze woning reeds is besteld, aanbesteed en vaak aangevangen in de jaren 1971, 1972 of 1973 lang voor de sterke prijsstijgingen ?

3° Zijn de normen van berekening van de bouwwaarde niet overdreven, wanneer we toch vaststellen dat in de landelijke streken de door de BTW-kantoren geraamde bouwwaarde veel hoger liggen dan de werkelijke bouwkosten van de bouwer ?

Deze betaling van belasting op iets wat ze niet hebben uitgegeven wordt door de bouwers niet aanvaard.

4° Wanneer mensen een ruime woning moeten bouwen en dus grotere uitgaven moeten doen omdat ze grotere gezinslasten hebben, worden ze ook nog beboet door een groter bedrag aan BTW. Ziet de heer Minister daarvoor een oplossing ?

5° Niemand begrijpt de boeten van vele duizenden franken die geheven worden door de BTW-diensten wanneer de bouwers eerlijk en juist de aangifte van hun bouwkosten hebben gedaan. Kunnen geen directieven worden gegeven om aan deze boeten een einde te stellen ?

6° De Minister beloofde bij herhaling een soepeler toepassing van de BTW-reglementering. Wat werd reeds gedaan om tot deze versoepeling te komen en welke zijn daarvan de resultaten ?

Antwoord:

1° Voor de wijze van vaststelling door de administratie van de normale waarde van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op een pas opgericht gebouw verwijs ik het geacht Lid naar mijn antwoord op de vraag nr. 145 van 17 april 1975 van de heer Coens (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 28, van 13 mei 1975, Kamer, zitting 1974-1975, blz. 2039).

Wat de normale waarde betreft van het werk waarvan de eigenaar het bewijs heeft geleverd dat hij zelf het heeft uitgevoerd geldt eveneens de regel gevestigd door artikel 32, 2e lid, van het BTW-Wetboek. De normale waarde van die prestaties wordt aldus bepaald met inachtneming van de prijzen toepasselijk in de bouwsector en de geplaatste of verwerkte bouwmaterialen.

2° In tegenstrijd met wat het geacht Lid meent worden de schattingen niet gedaan op basis van de thans geldende prijzen, inderdaad artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 bepaalt uitdrukkelijk dat de schatting moet gebeuren op datum van 1 januari van het jaar waarin het gebouw geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt genomen.

Omtrent dat tijdstip en inzonderheid betreffende gebouwen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar verwijs ik het geacht Lid naar mijn antwoord op de vraag nr. 50 van 3 januari 1975 van senator Verbist (1) (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 17, van 28 januari 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 601).

3° Betreffende de richtlijnen die de administratie van de BTW aan zijn hoofdcontroleurs heeft gegeven ten einde hun behulpzaam te zijn bij het bepalen van de normale oprichtingsprijs van een woning wordt er verwezen naar mijn antwoord op de vraag nr. 132 van 25 maart 1975 van de heer Férir (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 26, van 29 april 1975, Kamer, gewone zitting 1974-1975, blz. 1909) en naar mijn antwoord op de vraag nr. 98 van 12 mei 1975 van senator R. Vandekerckhove (z. Bulletin van Vragen en Antwoorden, nr. 35, van 3 juni 1975, Senaat, gewone zitting 1974-1975, blz. 1363) .

4° en 5° Ik verwijs het geacht Lid naar mijn antwoord op de vraag nr. 145 van 17 april 1975 van de heer Coens (z. 1° hiervoor).

6° Ik kan het geacht Lid verzekeren dat alle aangiften ingediend op grond van artikel 64, § 4, van het BTW-Wetboek door de BTW-hoofdcontroleur met zorg en aandacht worden onderzocht en inzonderheid dat voor woningen waarvan de oprichting is gespreid over meer dan één kalenderjaar billijke oplossingen worden nagestreefd.

(1) Z. Revue nr.20, blz.166, nr. 10, art. 36, § 1, b, BTW-Wetboek.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 641 voorkomen