ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 03.02.2021:
Er wordt aangenomen dat de gestelde vraag de verjaring van de vordering tot teruggaaf van een belastingkrediet dat blijkt uit een door de btw-belastingplichtige ingediende periodieke aangifte tot voorwerp heeft (bedrag van de sommen verschuldigd door de Staat opgenomen in rooster 72 van de aangifte).
Op grond van artikel 82 van het btw-Wetboek begint de vordering tot teruggaaf van de belasting te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.
Op grond van artikel 82bis van het btw-Wetboek is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf van belasting na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting zich heeft voorgedaan.
Met de oorzaken van teruggaaf van de belasting worden de feiten bedoeld die op grond van de artikelen 76, 77 en 77bis van het btw-Wetboek aanleiding kunnen geven tot teruggaaf van de belasting. De belasting kan slechts worden teruggegeven in die, door het btw-Wetboek bepaalde, gevallen.
Artikel 76, § 1, van het btw-Wetboek beoogt het geval dat, in hoofde van de belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50 van het btw-Wetboek voor btw-doeleinden is geïdentificeerd en gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, het bedrag van de bij toepassing van de artikelen 45 tot 48 van het btw-Wetboek aftrekbare belasting, voor dezelfde aangifteperiode, meer bedraagt dan de verschuldigde belasting.
Om het voor de teruggaaf in aanmerking komende bedrag te bepalen wordt niet alleen rekening te houden met de voor het aangiftetijdvak aftrekbare en verschuldigde btw, doch ook met de btw herzieningen (te betalen of aftrekbare btw) en met de btw die vatbaar is voor teruggaaf op grond van artikel 77 en 77bis van het btw-Wetboek.
Slechts indien het eindresultaat van de periodieke btwaangifte een door de Staat verschuldigd bedrag is, maakt het een belastingkrediet uit dat ofwel wordt overgedragen naar de volgende aangifteperiode middels opname in de rekening-courant, ofwel daadwerkelijk wordt terugbetaald, dit volgens het onderscheid gemaakt in artikel 8/1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.
De oorzaak van de vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 82bis van het btw-Wetboek van het verschil tussen aftrekbare belasting en de verschuldigde belasting doet zich voor op de datum van indiening van de aangifte waaruit het teveel aan aftrekbare belasting ten opzichte van de verschuldigde belasting blijkt.
Het is eveneens op dat tijdstip dat de vordering tot teruggaaf ontstaat (aanschrijving nr. 2/2000 van 26 mei 2000, randnummer 29, a.).
Bij een tijdige indiening van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand september van het jaar x of de aangifte van het derde kwartaal van het jaar x, in te dienen uiterlijk op 20 oktober van datzelfde jaar x, is er, rekening houdend met hetgeen voorafgaat, verjaring van de vordering tot teruggaaf van het belastingkrediet (rooster 72 van de aangifte), op 31 december van het jaar x + 3.
Om de effectieve teruggaaf te bekomen dient de belastingplichtige het tegoed aan te vragen door een uitdrukkelijke vermelding die hij bij het verstrijken van elk tijdvak waarvoor een overschot teruggegeven kan worden, aanbrengt in de periodieke aangifte met betrekking tot de handelingen van dat tijdvak. De aangifte welke die vermelding bevat, geldt als aanvraag tot teruggaaf (artikel 8/1, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Rekening houdend met hetgeen voorafgaat is de verjaring van de vordering tot teruggaaf van de belasting die voorkomt van de feiten bedoeld in artikel 76, § 1, van het btw-Wetboek ingetreden, behoudens in het geval van stuiting of schorsing van de verjaring, wanneer de belastingplichtige het uitdrukkelijk verzoek om teruggaaf bedoeld in artikel 81 van het koninklijk besluit nr. 4 verricht in een periodieke aangifte welke door hem of door zijn lasthebber wordt ingediend na 31 december van het derde jaar volgend op de datum van indiening van de aangifte waaruit het belastingkrediet blijkt.
In dat verband moet worden opgemerkt dat het applicatieprogramma van de administratie (intervat) niet toelaat dat de aangifte wordt ingediend vóór het verstrijken van de periode waarop de aangifte betrekking heeft. De aangifteperiode moet met andere woorden afgesloten zijn om de aangifte te kunnen indienen via intervat. Aldus is het niet mogelijk om de aangifte met betrekking tot de handelingen van het vierde kwartaal (kwartaalaangever) of de maand december (maandaangever) van een welbepaald kalenderjaar in te dienen vóór 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.
De administratie aanvaardt niettemin dat, in het geval van dreigende verjaring van een deel of het gehele belastingtegoed dat voorkomt van een oorzaak van teruggaaf als bedoeld in artikel 76, § 1, van het btw-Wetboek, het teruggaafverzoek wordt verricht, in afwijking van artikel 8/1, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, middels een aan de administratie gericht ondertekend schrijven.
Dit schrijven dient uit te gaan van de belastingplichtige of van zijn lasthebber. Indien een dergelijk schrijven door de administratie wordt ontvangen vóór het verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in artikel 82bis van het btwWetboek, zal de verjaring door de administratie niet worden ingeroepen. De bewijslast in dat verband rust op de belastingplichtige.
Hetgeen voorafgaat ontslaat de belastingplichtige er geenszins van - opdat het belastingkrediet waarvoor om de effectieve teruggaaf wordt verzocht in de aangifte met betrekking het vierde kwartaal (kwartaalaangever) of de maand december (maandaangever) van welbepaald kalenderjaar daadwerkelijk zou worden teruggegeven overeenkomstig de in het koninklijk besluit nr. 4 bepaalde modaliteiten - een uitdrukkelijke vermelding aan te brengen in de desbetreffende aangifte, dit overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 8/1, § 4, van datzelfde koninklijk besluit nr. 4.