Intracommunautaire leveringen. Bewijs · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

1450 22 juli 1998

Zoeken

Intracommunautaire leveringen. Bewijs

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1450-intracommunautaire-leveringen-bewijs-pieters-levering-2035

Nummer
1450
Datum
22 juli 1998

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

BTW-Revue nr. 141, blz. 299

Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 145, blz. 19964-19966

Intracommunautaire leveringen - Bewijs

VRAAG

In mijn schriftelijke vraag nr. 1191 van 19 januari 1998, kaartte ik het probleem van de BTW-fraude met intracommunautaire leveringen en verwervingen al aan. Naar verluidt wordt immers een groot deel van het enorme bedrag aan verschuldigde BTW (geïnd of verrekend) niet opgegeven aan de BTW-administratie.

Eén van de door mij aangehaalde redenen was de "geveinsde uitvoer", ook wel de fictieve uitvoer genaamd. Het betreft de onterechte vrijstelling voor uitvoer of intracommunautaire levering op basis van de artikelen 39 en 40 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. De voor uitvoer opgegeven goederen worden in de realiteit nooit uitgevoerd. Bonafide verdelers worden hierdoor met een concurrentienadeel van 21 % opgezadeld. Volgens de Europese Commissie circuleerden er vorig jaar meer dan 700 miljard ECU aan ten onrechte vrijgestelde goederen en diensten.

Het bewijs van de uitvoer moet in principe door de uitvoerder worden geleverd aan de hand van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt. De fiscale administraties onderzoeken deze eenheid.

In het antwoord op mijn vraag gaf de minister het volgende aan:

"Deze onderzoeken steunen zowel op de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten die, indien nodig, ook het rechtstreeks beroep op de samenwerking van de buitenlandse fiscale autoriteit met zich meebrengt, als op een nauwgezet onderzoek van de waaier van materieel bewijs die de belastingplichtige kan voorleggen tot staving van de ingeroepen vrijstelling (bestelbon, vervoerscontract, leveringsbon, enz.)" (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 129, blz. 17793).

De achterliggende koninklijke besluiten nr. 18 en nr. 52 van 29 december 1992, die werden genomen bij de instelling van de overgangsregeling, zijn echter niet afdoende, noch voor de controlerende administratie, noch voor de exporteur zelf!

In mijn schriftelijke vraag gaf ik al aan dat de grootscheepse GSM-fraude aantoont dat de controlemiddelen onvoldoende zijn, maar spijtig genoeg dien ik nu ook te constateren dat de exporteur het slachtoffer kan zijn van de ontoereikende regelgeving.

Wanneer ik de problemen van een onderneming uit Nevele goed analyseer, blijkt hieruit duidelijk dat de overgangsregeling zware hiaten vertoont op het gebied van de bewijsmiddelen en de controle van intracommunautaire leveringen. Deze onderneming zou zelfs verder gegaan zijn dan de wetgeving voorschrijft. De controle van de buitenlandse koper ging veel verder dan de controle van het BTW-nummer, ook het bestaan van de telefoon en fax werd gecontroleerd én de oprichtingsakte van de vennootschap diende voorgelegd te worden. De chauffeurs hielden hun buitenlandse tankbewijzen en eetbonnetjes bij. Deze bewijsmiddelen bleken evenwel onvoldoende. Sommige vervoersdocumenten zouden in dit dossier door de Bijzondere Belastinginspectie zelfs niet aanvaard worden, omdat het altijd mogelijk is om lege collies te versturen.

Is het volgens u mogelijk om de bewijsvoering van een intracommunautaire levering waterdicht te maken of dienen onze (vaak bonafide) exporteurs te wachten tot de definitieve BTW-regeling op Europees niveau?

ANTWOORD

De vraag die het geacht lid stelt werd reeds uitvoerig behandeld naar aanleiding van vraag nr. 248 van 23 januari 1996 van de heer volksvertegenwoordiger Fournaux (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 26, blz. 3019-3023). Aangezien de aangehaalde problematiek dezelfde is, ben ik zo vrij het geacht lid te verwijzen naar bovengenoemd antwoord.

Verder wens ik het geacht lid erop te wijzen dat de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen gegrond is op het artikel 39bis van het BTW-Wetboek.

Wat zijn opmerkingen aangaande de bewijsvoering met betrekking tot de intracommunautaire leveringen, inzonderheid deze inzake het vervoer der goederen naar een andere lidstaat en de vereiste hoedanigheid van de afnemer der goederen betreft, dient te worden opgemerkt dat noch de Europese Commissie, noch de fiscale overheden van de lidstaten een formaliseren van deze bewijsvoering voorstaan. Het zogenaamd waterdicht maken van deze bewijsvoering door het opleggen van bepaalde documenten of formaliteiten gaat immers niet alleen in tegen de grondgedachte van de interne markt, maar kan eveneens leiden tot een negatief effect inzake de strijd tegen de fraude en inzake rechtszekerheid. De ervaring leert immers dat vervalsing van documenten en vergelijkbare praktijken de fraudebestrijding en de juiste inning van de belasting nog kunnen bemoeilijken. Het verheffen van een bepaald document of formaliteit tot een absoluut bewijsmiddel zou in die optiek slechts de fraudepraktijken vergemakkelijken en zelfs aanmoedigen, hetgeen op zijn beurt de rechtsonzekerheid bij de belastingplichtigen die te goeder trouw zijn en actief zijn in de internationale handel alleen maar zou doen toenemen.

In die omstandigheden blijft de administratie van oordeel dat het bewijs van het vervoer naar een andere lidstaat door een zo ruim mogelijke waaier aan documenten en overtuigingsstukken moet worden geleverd.

Wat daarentegen de bewijsvoering in geval van fraudepraktijken of inbreuken op de BTW-reglementering betreft, wordt erop gewezen dat het bewijs van overtredingen inzake BTW kan geleverd worden door alle bewijsmiddelen, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het ministerie van Financiën (BTW-Wetboek, artikel 59). Het is dus mogelijk dat de controlerende ambtenaren op grond van voornoemd artikel 59 de door de belastingplichtige aangewende bewijsmiddelen, vermeld in het artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, kunnen ontkrachten om aldus het bestaan van een bepaalde overtreding van het artikel 39bis van het BTW-Wetboek aan te tonen.

Om de controle op de juiste toepassing van de vrijstelling van het artikel 39bis van het BTW-Wetboek echter efficiënter te maken bestaat volgens de administratie slechts de mogelijkheid om de administratieve samenwerking inzake BTW op het communautaire vlak nog te optimaliseren. In die gedachtengang wordt gepoogd via bilaterale akkoorden de controlemogelijkheden van de administratie en de uitwisseling van informatie met de administraties van de andere lidstaten te verbeteren met het oog op het toezicht op de intracommunautaire handelstransacties.

Aangezien ten slotte het geacht lid blijkbaar een concreet geval beoogt, zal ik niet nalaten dit te doen onderzoeken voor zover mij daartoe de nodige gegevens worden medegedeeld.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 39bis3 voorkomens
KB nr. 52 art. 31 voorkomen
WBTW art. 391 voorkomen
WBTW art. 401 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … limitatieve lijst van documenten die het noodzakelijke bewijs, op voldoende en onbetwistbare wijze leveren van het recht op de vrijstelling voorzien in artikel 39bis van het BTW-Wetboek kan niet worden opgemaakt om reden zoals vermeld in de antwoorden op de vraag nr. 1450 van de heer Pieters van 22 juli 1998 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 145, blz. 19964-1966) en de vraag van de heer Fournaux van 8 september 1998 (zie Vragen en Antwoorden, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 149, blz. 20403-20405). Immers, het aannemen van een document of een bepaalde … »

Intracommunautaire BTW-regeling. Recht op vrijstelling bij verkoop voertuigenParlementaire vraag15.12.2005

Bekijk het document